Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8131

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
06-12-2013
Zaaknummer
AWB-13_631
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mobiel chalet dat belanghebbende anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat is geen eigen woning voor de Wet IB, omdat het op gehuurde grond is geplaatst.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2765
V-N 2014/6.18.16
Vp-bulletin 2014/4
Belastingadvies 2014/5.3
FutD 2013-3031
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/631

Uitspraak van 13 november 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 19 december 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.711 en de bij afzonderlijke beschikking in rekening gebrachte heffingsrente van € 63 (aanslagnummer [aanslagnummer].H06).

Onderzoek ter zitting

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting met toestemming van partijen achterwege gelaten.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.1.

Belanghebbende en zijn echtgenote wonen sinds 1 december 2009 in een mobiel chalet op landgoed [landgoed] te [plaats X] (hierna: het chalet). De (onder)grond bij het chalet wordt gehuurd van een derde. Het chalet stond belanghebbende en zijn echtgenote in 2010 anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking.

2.1.2.

In 2010 heeft belanghebbende € 2.573 aan rente betaald ter zake van een lening voor de aankoop van het chalet.

2.2.

Tussen partijen is in geschil of het chalet een eigen woning is in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB), zodat belanghebbende de rente in mindering kan brengen op zijn inkomen uit werk en woning.

2.3.

Ingevolge artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB wordt- voorzover hier relevant - onder een eigen woning verstaan:

“een gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Huisvestingswet, of een gedeelte van een gebouw, een schip of een woonwagen, met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:

a. eigendom, waaronder begrepen economische eigendom, of een recht van lidmaatschap van een coöperatie, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering de belastingplichtige of zijn partner grotendeels aangaat;”

2.4.1.

Niet in geschil is dat het chalet naar aard en inrichting is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven en dat naar buiten toe kenbaar is dat dit ook zo is bedoeld, zodat het chalet als een onroerende zaak in de zin van artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is te beschouwen (vergelijk Hoge Raad 24 juni 2005, zaaknummer 38183, LJN AQ 7093). Vast staat verder dat het chalet op gehuurde grond is geplaatst en dat ter zake geen recht van opstal is gevestigd. Gelet hierop is het chalet ingevolge artikel 5:20 BW door natrekking eigendom geworden van de eigenaar-verhuurder van de grond. Van een zakelijk recht is geen sprake.

2.4.2.

In een geval als het onderhavige kan het bepaalde in artikel 7:216 van het BW met zich brengen dat de huurder van de grond (belanghebbende) bevoegd is om bij het einde van de huur het chalet weg te nemen. Dit impliceert dat belanghebbende daarmee een bepaald economisch belang bij het chalet heeft (behouden). De rechten en verplichtingen die voor een huurder en verhuurder uit het BW voortvloeien zijn echter niet zodanig dat enkel op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat sprake is van economische eigendom van het chalet.

2.4.3.

Gelet op het voorgaande kwalificeert het chalet niet als eigen woning in voormelde zin (vergelijk ook Hof ‘s-Hertogenbosch 27 maart 2009, nr. 08/00138, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).

2.5.

Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel wordt afgewezen. De aanslag IB/PH is zonder nadere controle vastgesteld. Belanghebbende kan aan het enkel volgen van de aangifte over het jaar 2011, niet in redelijkheid het vertrouwen ontlenen dat daarbij sprake was van een bewuste standpuntbepaling en dat de inspecteur van zijn bij de aanslag over het jaar 2010 ingenomen standpunt was teruggekomen (zie onder meer Hoge Raad, 20 december 2002, nr. 37.102, gepubliceerd in BNB 2003/184).

2.6.

Uit het voorgaande volgt dat het chalet en de bijbehorende schuld tot de grondslag

voor het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) behoren. Het gelijk is aan de zijde van de inspecteur.

2.7.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank ziet

geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 13 november 2013 door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.