Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8025

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-11-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
02/810892-13 + 02/800124-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan oplichting en tevens aan flessentrekkerij. Hij heeft daarbij anderen bewogen tot afgifte van (nieuwe) auto’s, autobanden en geldbedragen. Tevens heeft hij auto’s, stereo-apparatuur en eten en drinken (in een pension) gekocht met de bedoeling deze niet te betalen. Verdachte heeft daarmee de slachtoffers niet alleen financiële schade berokkend maar ook hun vertrouwen in de medemens fors aangetast uitsluitend om er zelf beter van te worden. Hij heeft, zoals hij het zelf heeft verwoord, gehandeld uit pure hebzucht en is totaal voorbij gegaan aan de nadelige gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.

De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van dertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/810892-13 + 02/800124-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 november 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

laatst bekende woon- of verblijfplaats [adres],

thans gedetineerd in HvB De Boschpoort te Breda,

raadsman mr. Dirkzwager, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak met parketnummer 02/800124-12 naar de meervoudige kamer verwezen.

De zaken met voornoemde parketnummers zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 oktober 2013 waarbij de officier van justitie mr. Paapen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. De rechtbank heeft de tenlasteleggingen van een doorlopende nummering voorzien.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

Parketnummer 02/800124-12

1.

hij in of omstreeks 18-01-2012 t/m 2-2-2012 te Tilburg en/of Utrecht, in

ieder geval in Nederland, opzettelijk een (personen)auto ([auto 1]

[kenteken 4]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1]

en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten

koop, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 december 2011 te Tilburg, in ieder geval in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de

afgifte van een (personen)auto ([auto 1]), in elk geval van

enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk

weergegeven – opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of

in strijd met de waarheid gezegd dat een erfenis vrij zou komen (hiermee

suggererend dat hij deze auto van ruim 35.000,- euro zou kunnen betalen) en/of

zich (daarmee) voorgedaan als een bonafide klant, waardoor dit

autobedrijf/deze eigenaar werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks 25-01-2012 t/m 2-2-2012 te Doetinchem met het oogmerk om

zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen

van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer)

listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 2] en/of [hotel] heeft bewogen tot de afgifte

van eten en/of drinken en/of een hotelkamer althans een slaapplaats, in elk

geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of

in strijd met de waarheid zich voorgedaan als een werknemer van

[bedrijf 3], waardoor de hoteleigenaar [slachtoffer 2] werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 24 januari 2012 te Doetinchem met het oogmerk om zich en/of

(een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse

naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3]

en/of [bedrijf 4] heeft bewogen tot de afgifte van

vier althans een of meer 19" zomerbanden met bijbehorende velgen, in elk geval

van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of

in strijd met de waarheid zich heeft voorgedaan als een werknemer van

[bedrijf 3] en/of in strijd met de waarheid heeft gezegd dat de

rekening van een totaalbedrag van 2250 euro naar zijn werkgever [bedrijf 3]

opgestuurd kon worden, waardoor die [slachtoffer 3] althans [bedrijf 4] werd bewogen

tot bovenomschreven afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer 02/810892-13

1.4.

FLESSENTREKKERIJ, ZAAK 1, 3, 8 en 10 PROCES-VERBAAL.

hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8

oktober 2011 tot en met 31 december 2012 te Diessen en/of Oirschot en/of

Oisterwijk en/of Moergestel en/of Arkel, in elk geval in Nederland,

een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het

oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking

over die goederen te verzekeren,

hebbende verdachte, telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen - op

tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

- in de periode van 11 december 2012 tot en met 29 december 2012 te Diessen

een personenauto ([auto 2], [kenteken 1]) geleverd door [bedrijf 5]

voor een bedrag van 3.750 euro, althans enig geldbedrag [feit 1] en/of

- in de periode van 18 december 2012 tot en met 29 december 2012 te Oirschot

een personenauto ([auto 3], [kenteken 2]) geleverd door [bedrijf 6]

voor een geldbedrag van 16.250 euro, althans enig

geldbedrag [feit 3] en/of

- in de periode van 18 december 2012 tot en met 31 december 2012 te Moergestel

de pension-/verblijfskosten, in elk geval voedsel en/of drank en/of verblijf

van [bedrijf 7] en/of [slachtoffer 11] ter waarde van 1427,50

euro, althans enig geldbedrag [feit 8] en/of

- in de periode van 08 oktober 2011 tot en met 14 oktober 2011 te Arkel

stereo-apparatuur geleverd door [bedrijf 8] [feit 10];

art 326a Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 11 december 2012 tot en met 29 december

2012 te Diessen, gemeente Hilvarenbeek, opzettelijk een personenauto ([auto 2]

, [kenteken 1]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [bedrijf 5], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan

door misdrijf, te weten als koper/klant, onder zich had, wederrechtelijk zich

heeft toegeëigend;

(Verduistering, zaak 1 proces-verbaal)

en/of

hij in of omstreeks de periode van 18 december 2012 tot en met 29 december 2012

te Oirschot, opzettelijk een personenauto ([auto 3], [kenteken 2]

), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [bedrijf 6], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te

weten als koper/klant, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(Verduistering, zaak 3 proces-verbaal)

en/of

hij in of omstreeks de periode van 18 december 2012 tot en met 31 december

2012 te Moergestel,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van

verdichtsels,

[bedrijf 7] en/of [slachtoffer 11] en/of diens echtgenote

heeft bewogen tot de afgifte van pension-/verblijfskosten, althans voedsel

en/of drank en/of overnachtingen, in elk geval van enig goed, hebbende

verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk

valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid tegen [slachtoffer 11]

en/of diens echtgenote gezegd dat:

- hij, verdachte, in scheiding lag en twee nachten in genoemd pension wilde

verblijven en/of

- hij, verdachte, geen legitimatie kon overleggen omdat zijn portemonnee weg

was en/of

- hij, verdachte, tot 3 januari 2013 wilde blijven omdat hij op die datum de

sleutel van zijn huis in Boxtel zou krijgen en/of

- hij, verdachte, bij [bedrijf 9] werkte en dat deze de helft van zijn rekening

zou betalen en/of dat het bedrijf [bedrijf 9] met een project bezig was voor de

periode van februari tot en met maart 2013 in Eindhoven en/of Den Bosch en hij

aan [bedrijf 9] had doorgegeven dat het personeel in genoemd pension gestationeerd

kon worden en/of daartoe een medewerker van [bedrijf 9] langs zou komen om

hierover afspraken te maken en/of dat die man van [bedrijf 9] langs zou komen om

te betalen en/of

zich heeft voorgedaan als bonafide gast van genoemd pension,

waardoor [bedrijf 7] en/of [slachtoffer 11] en/of diens echtgenote

werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(Oplichting, zaak 8 proces-verbaal)

en/of

hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2011 tot en met 14 oktober 2011

te Arkel, opzettelijk stereoapparatuur, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [bedrijf 8], in elk geval aan een and

er of anderen

dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te

weten als koper/klant, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(Verduistering, zaak 10 proces-verbaal)

art 321 Wetboek van Strafrecht

2. 5.

OPLICHTING, ZAAK 2 PROCES-VERBAAL.

hij in of omstreeks de periode van 21 november 2012 tot en met 27 december

2012 te Biest-Houtakker, gemeente Hilvarenbeek, althans in Nederland

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, [bedrijf 10] en/of [slachtoffer 5] heeft

bewogen tot de afgifte van 1.800 euro, althans enig geldbedrag, hebbende

verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk

valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich eind november 2012 bij genoemd bedrijf en/of die [slachtoffer 5] gemeld als

klant en toen een personenauto ([automerk]) ter reparatie heeft aangeboden en

(vervolgens) de kosten ter hoogte van 200 euro heeft afgerekend teneinde

vertrouwen te wekken en/of

- op 27 december 2012 zich (opnieuw) bij genoemd bedrijf en/of die [slachtoffer 5]

gemeld en zich voorgedaan als eigenaar van een personenauto ([auto 2],

voorzien van het [kenteken 1]) en/of

- tegen die [slachtoffer 5] gezegd dat hij deze personenauto ([auto 2]) over had

omdat zijn vriendin er vandoor was en/of (om die reden) deze auto te koop

aanbood en/of

- zich heeft voorgedaan als bonafide verkoper,

waardoor [bedrijf 10] en/of [slachtoffer 5] werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. 6.

OPLICHTING, ZAAK 4 PROCES-VERBAAL.

hij in of omstreeks de periode van 20 november 2012 tot en met 7 december 2012

te Vessem, gemeente Eersel en/of te Spoordonk, gemeente Oirschot,in elk geval

in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een

samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 11]en/of

[slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van een personenauto ([auto 4]

, [kenteken 3]), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich bij genoemd bedrijf en/of die [slachtoffer 6] voorgedaan als bonafide klant

en/of onderhandeld over de aankoop van een nieuwe personenauto ([auto 5]

) en/of daartoe een offerte heeft laten opmaken en/of

- tegen die [slachtoffer 6] gezegd dat een aanbetaling van 10.000 euro geen probleem

was en hij best het hele bedrag van 40.000 euro meteen kon betalen en/of

- gezegd dat hij deze auto voor een bedrag van 40.000,= zou aankopen en/of

hiertoe een koopovereenkomst heeft ondertekend en/of

- gezegd dat hij gelijktijdig met de ondertekening van de koopovereenkomst het

geldbedrag van 40.000,= zou overmaken en/of

- in afwachting van de daadwerkelijke levering tijdelijk een andere

personenauto in bruikleen nodig had,

waardoor [bedrijf 11] en/of [slachtoffer 6] werd

bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

Verduistering, zaak 4 proces-verbaal.

hij in of omstreeks de periode van 24 november 2012 tot en met 7 december 2012

te Vessem, gemeente Eersel en/of Spoordonk gemeente Oirschot en/of Asten, in

elk geval in Nederland, opzettelijk een personenauto ([auto 4], [kenteken 3]

), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[bedrijf 11], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten

als klant en/of in bruikleen, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

5. 7.

OPLICHTING, ZAAK 9 PROCES-VERBAAL.

hij in of omstreeks de periode van 13 juli 2012 tot en met 26 juli 2012 te

Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, [bedrijf 12] heeft bewogen tot de

afgifte van een geldbedrag van in totaal 31.000 euro, in elk geval van enig

geldbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of

in strijd met de waarheid tegen [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8], in elk geval een

medewerker van die stichting verteld, dat:

- hij, verdachte, een woning kon huren met optie tot koop en hij, verdachte,

4.000,= euro, in elk geval een geldbedrag nodig had om de borg en kosten van

een makelaar te betalen en/of

- zijn relatie met een vrouw in Limburg geeindigd was en hij 2.000 euro,

althans een geldbedrag nodig had om zijn spullen naar zijn nieuwe woning te

krijgen en/of

- hij, verdachte, een eenmanszaak wilde oprichten/opstarten en daartoe om de

juiste vergunningen te kunnen verkrijgen een bedrag van 25.000,= euro op zijn

bankrekening nodig had en/of nadat dat bedrag op zijn rekening stond en hij

een afdruk van zijn bankreking had gemaakt dat bedrag zou terugstorten,

waardoor [bedrijf 12] werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

VERDUISTERING, ZAAK 9 PROCES-VERBAAL.

hij in of omstreeks 13 juli 2012 tot en met 26 juli 2012 te Hoofddorp, gemeente

Haarlemmermeer, opzettelijk een geldbedrag van in totaal 31.000 euro, in elk

geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 12]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten

als gevolg van een leenovereenkomst, onder zich had, wederrechtelijk zich

heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 primair, 5, 6 primair en 7 primair. Zij baseert zich daarbij op daartoe gedane aangiftes en getuigenverklaringen in het dossier. De verklaring van verdachte dient als ongeloofwaardig te worden aangemerkt nu deze telkens op diverse punten aantoonbaar onjuist is.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van hetgeen is tenlastegelegd onder feit 1, 3, 5, en 6. Ten aanzien van feit 2 wordt vrijspraak bepleit nu verdachte op het moment van het inchecken in het [hotel] nog wel degelijk werkzaam was bij [bedrijf 3] en hij zich aldus niet in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als werknemer van dat bedrijf. Voor wat betreft feit 4 wordt gekomen tot een referte ten aanzien van de daaronder opgenomen zaken 1, 3 en 8. Van zaak 10 zoals opgenomen onder feit 4 wordt vrijspraak bepleit vanwege het feit dat er meer dan een jaar verschil zit tussen deze zaak en de overige drie zaken en zaak 10 daarom in een te ver verwijderd verband staat van zaak 1, 3 en 8 om van een gewoonte te kunnen spreken. Met betrekking tot feit 7 wordt vrijspraak bepleit ten aanzien van de geldbedragen van € 4.000,- en € 2.000,- nu verdachte dit geld daadwerkelijk heeft gebruikt voor hetgeen hij heeft aangegeven aan de heer [slachtoffer 7] en/of de heer [slachtoffer 8]. Voor deze bedragen is bovendien een leenovereenkomst opgesteld en door beide partijen ondertekend. Voor het geldbedrag van

€ 25.000,- refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1

Op 26 januari 2012 is er door [slachtoffer 1] namens [bedrijf 1] aangifte gedaan van oplichting door verdachte. Aangever verklaart daarin dat verdachte op 30 december 2011 bij het autobedrijf een zwarte [auto 1] heeft besteld ten bedrage van

€ 35.250,- en voorzien van het [kenteken 4]. Daarbij had verdachte verteld dat er binnenkort een erfenis vrij zou komen omdat zijn vader was overleden. De levering van de auto zou plaatsvinden rond 21 januari 2012 en de factuur zou voor of bij de levering worden voldaan. Op 18 januari 2012 was de [auto 1] gereed en heeft aangever contact opgenomen met verdachte. Verdachte is hierop naar het autobedrijf gekomen om de auto op te halen. Ondanks dat de betaling nog niet binnen bleek te zijn, heeft aangever toch de auto aan verdachte meegegeven maar zonder afgifte van het overschrijvingsbewijs/ kentekenbewijs deel II. Vervolgens heeft er herhaaldelijk telefonisch contact plaatsgevonden tussen aangever en/of Van de Wiel en verdachte in verband met de nog niet verrichte betaling, maar telkens had verdachte een andere reden waarom er nog geen betaling had plaatsgevonden23.

[slachtoffer 9] verklaart dat verdachte op 2 februari 2012 bij autobedrijf [bedrijf 13] kwam en zei dat hij een [auto 1] in wilde ruilen tegen een [auto 6]. De [auto 1] had hij voor € 33.000,- gekocht. [slachtoffer 9] stelde voor om de auto in te ruilen tegen de [auto 6], die € 15.000,-- waard was, met bijbetaling van € 6.000,-. Hiermee werd door verdachte ingestemd. [slachtoffer 9] vond dit vreemd aangezien de [auto 1] slechts twee weken oud was. Vervolgens is er in het systeem gekeken of de [auto 1] als gestolen geregistreerd stond hetgeen zo bleek te zijn. De politie is vervolgens gebeld waarna verdachte is aangehouden4.

Uit de gegevens van het RDW blijkt dat er voor de [auto 1] met het [kenteken 4] op 19 januari 2012 en daarmee een dag na verkrijging van deze auto duplicaten van het kentekenbewijs zijn aangevraagd5.

De politie heeft onder meer gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen dat verdachte de kentekenpapieren toonde van de [auto 1]. De verbalisanten hoorden dat verdachte tegen hen zei dat hij het kentekenbewijs van de [auto 1] was kwijtgeraakt tijdens zijn verhuizing en dat hij om die reden een nieuw kentekenbewijs had aangevraagd6.

Verdachte erkent dat hij de [auto 1] heeft besteld en afgenomen zonder te betalen. Hij stelt echter dat hij wel wilde betalen maar dit niet kon. De erfenis die vrij zou komen wegens het overlijden van zijn vader bedroeg € 14.000,- en had verdeeld moeten worden tussen zijn twee broers en verdachte zelf. Er was volgens verdachte echter niets van de erfenis overgebleven. Daarna heeft hij, zo verklaart verdachte bij de politie, geprobeerd een lening te krijgen maar die werd geweigerd vanwege het feit dat hij BKR geregistreerd stond, waarvan hij naar eigen zeggen niet op de hoogte was. Wel wist hij dat hij een schuld van ongeveer € 45.000 had. Hij erkent dat hij bij autobedrijf [bedrijf 13] te Utrecht gesproken heeft over de inruil van de [auto 1] tegen een [auto 6]. Dat hij nieuwe kentekenpapieren voor de auto had aangevraagd kwam vanwege het feit dat zijn jas in het water was gevallen, waarin de autopapieren in zaten7.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de auto niet anders dan door misdrijf onder zich heeft gehad, zodat hij van de primair tenlastegelegde verduistering dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte beschikte ten tijde van de aankoop van de auto over onvoldoende middelen om deze te kunnen voldoen. De erfenis die hij naar eigen zeggen verwachtte zou onvoldoende geld opleveren om daarmee de auto te kunnen betalen. Bovendien wist verdachte dat hij een schuld van ongeveer € 45.000,-- had en dat het verkrijgen van een lening erg moeilijk zo niet onmogelijk voor hem zou zijn. Tot slot heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij de auto koste wat kost wilde hebben, ongeacht of hij deze ooit zou kunnen betalen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid [bedrijf 1] en /of [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van een auto en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan oplichting.

Voor de overtuiging dat het opzet van verdachte gericht was op de oplichting van [bedrijf 1] neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte reeds één dag na verkrijging van de auto een duplicaat kentekenbewijs heeft aangevraagd. Dit kan niet anders uitgelegd worden dan dat verdachte, nog voordat de auto als gestolen zou worden gesignaleerd, zich wilde verzekeren van een volledig kentekenbewijs om zodoende later tot mogelijke verkoop ervan over te kunnen gaan.

Feit 2

Op 25 januari 2012 omstreeks 12.00 uur heeft verdachte ingecheckt in [hotel] voor een verblijf van een aantal dagen. Verdachte zou in het hotel verblijven tot 4 februari 2012 maar is op 2 februari 2012 na het ontbijt vertrokken zonder uit te checken en te betalen. Aangever [slachtoffer 2] is er vanuit gegaan dat verdachte niet meer terug zou keren daar er geen persoonlijke bezittingen meer aanwezig waren in de hotelkamer waarvan verdachte gebruik had gemaakt. Tot op heden zijn de kosten van het verblijf niet betaald door verdachte.

Aangever [slachtoffer 2] heeft hierover verklaard dat hij tijdens het inchecken door verdachte op 25 januari 2012 zag dat verdachte kleding droeg van het [bedrijf 3]. Hij vroeg daarop aan verdachte of hij bij dat transportbedrijf werkte waarop verdachte deze vraag bevestigend beantwoordde. Aangever [slachtoffer 2] kreeg hierdoor een betrouwbare indruk van verdachte omdat hij wel vaker zaken deed met werknemers van [bedrijf 3].

De rechtbank is van oordeel dat uit de aangifte kan worden afgeleid dat door het feit dat verdachte werkkleding droeg van [bedrijf 3], bij aangever het vertrouwen is gewekt dat hij met een bonafide klant te doen had en dat dat de reden is geweest om zonder voorafgaande betaling een hotelkamer aan hem ter beschikking te stellen. In casu is echter geen sprake van het tenlastegelegde oplichtingsmiddel “het aannemen van een valse hoedanigheid”, nu uit het dossier blijkt dat verdachte op het moment van inchecken in het hotel werknemer van [bedrijf 3] was. Nu voorts geen andere oplichtingsmiddelen zijn ten laste gelegd en deze ook niet blijken uit het dossier dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Feit 3

Op 24 januari 2012 heeft verdachte bij de [bedrijf 4] vier zomerbanden van het merk Continental en vier nieuwe velgen van het merk Brock ter waarde van € 2.250,- besteld voor een zwarte [auto 1]. Verdachte droeg op dat moment kleding van [bedrijf 3] en vertelde tegen aangever dat hij daar werkzaam was. De banden en velgen zijn op 28 januari 2012 onder de [auto 1] gemonteerd 89.

De vraag die beantwoord dient te worden is of verdachte aangever [slachtoffer 3] en/of [bedrijf 4] heeft opgelicht door zich voor te doen als werknemer van [bedrijf 3] en aan te geven dat de rekening van een totaalbedrag van

€ 2.250,- naar zijn werkgever [bedrijf 3] opgestuurd kon worden, waardoor [bedrijf 4] is bewogen tot afgifte van vier zomerbanden met bijhorende velgen.

Aangever [slachtoffer 3] verklaart hierover dat [bedrijf 3] een goede klant van [bedrijf 4] is en dat het vaak voorkomt dat chauffeurs van [bedrijf 3] bij de bandenhandel komen omdat ze overuren hebben gemaakt en ter compensatie daarvan iets mogen bestellen. Dit wordt vervolgens door [bedrijf 3] betaald via een rekening die door de bandengroothandel naar [bedrijf 3] wordt gestuurd. Volgens aangever [slachtoffer 3] heeft verdachte tegen hem gezegd dat de rekening van de banden en de velgen naar zijn werkgever [bedrijf 3] opgestuurd kon worden.

Verdachte ontkent tegen aangever gezegd te hebben dat de rekening van de banden en de velgen opgestuurd kon worden naar [bedrijf 3]. Hij zou aan het einde van de maand zijn loon krijgen en daarvan de rekening betalen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij de door hem gekochte goederen koste wat kost wilde hebben, ongeacht of hij in staat zou zijn deze goederen te betalen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zijn dienstverband en de bestaande praktijk dat werknemers van [bedrijf 3] bij de bandenhandel bestellingen kunnen plaatsen op kosten van [bedrijf 3] ter compensatie van hun overuren, heeft gebruikt om [bedrijf 4] om de tuin te leiden en haar op deze manier tot afgifte van goederen te bewegen. Daaraan doet niet af dat verdachte ten tijde van de bestelling en het monteren daadwerkelijk in dienst was van [bedrijf 3]. Immers, verdachte heeft buiten medeweten en zonder toestemming van zijn toenmalig werkgever bij [bedrijf 4] aangegeven dat de rekening naar [bedrijf 3] gestuurd kon worden.

Dat verdachte, zoals hij heeft verklaard, tegen aangever heeft gezegd dat hij de rekening aan het einde van de maand, als hij zijn salaris zou hebben ontvangen, zou komen voldoen, acht de rechtbank ongeloofwaardig en zij overweegt daartoe als volgt. Verdachte wist dat hij, gezien zijn forse schuldenlast, niet over de financiële middelen beschikte om de banden met velgen uit eigen zak dan wel middels financiering van de bank te bekostigen. Uit hoofde van zijn functie bij [bedrijf 3] is aannemelijk dat verdachte op de hoogte was van de praktijk dat werknemers van [bedrijf 3] bij de bandenhandel bestellingen kunnen plaatsen op kosten van [bedrijf 3] ter compensatie van hun overuren. Verdachte moet dan ook geweten hebben dat hij, door in kleding van [bedrijf 3] bij aangever te verschijnen en daar te zeggen dat de rekening naar [bedrijf 3] gestuurd kon worden, een aanzienlijke kans maakte om zonder voorafgaande betaling de door hem gekochte goederen mee te krijgen, hetgeen, gelet op de verklaring van verdachte ter zitting dat hij de goederen koste wat kost wilde hebben, immers zijn intentie was. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [bedrijf 4].

Feit 4

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de aangifte van [slachtoffer 10]10;

- de aangifte van [slachtoffer 13]11;

- de aangifte van [slachtoffer 11]12;

- de aangifte van [slachtoffer 12]13;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 25 oktober 2013.

Zij overweegt daarbij nog het volgende.

Pensionkosten [bedrijf 14]

Om tot een bewezenverklaring van flessentrekkerij te kunnen komen, dient er -onder meer- sprake te zijn van het kopen van goederen. Dienstverlening valt buiten de delictsomschrijving. Hoewel vaststaat dat verdachte overnacht heeft in het pension, dient de rechtbank verdachte ten aanzien van de overnachtingen vrij te spreken van de tenlastegelegde flessentrekkerij. Immers, de pensionovernachtingen kunnen niet anders geduid worden dan als het verlenen van diensten en niet -zoals de wet vereist- als het kopen van goederen. Voorgaande leidt tot de conclusie dat de pensionovernachtingen niet kunnen worden gekwalificeerd als flessentrekkerij. Anders is dat voor wat betreft de in het pension genuttigde maaltijden en drank. Die kunnen naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als goederen die verdachte heeft gekocht. Verdachte heeft dit feit ter zitting erkend.

[bedrijf 8]

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat gelet op het tijdsverloop sinds de aankoop van de stereoapparatuur bij [bedrijf 8] tot de overige onder dit feit opgenomen aankopen, sprake is van een te ver verwijderd verband om van een gewoonte te kunnen spreken, zodat verdachte daarvan vrijgesproken dient te worden. De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt. Voor bewezenverklaring van het maken van een gewoonte in de zin van artikel 326a Wetboek van Strafrecht is vereist een meervoud van handelingen waartussen een verband bestaat, welke handelingen zich in een bepaald tijdsbestek moeten hebben voorgedaan. Hoewel er tussen de aankoop van de stereoapparatuur en de overige onder dit feit opgenomen aankopen meer dan een jaar is verstreken, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een zodanig ver verwijderd verband, dat op dit onderdeel vrijspraak zou moeten volgen. Immers, gebleken is dat verdachte in de tussenliggende periode onophoudelijk is voortgegaan met het plegen van oplichting en/of het kopen van goederen zonder deze te betalen, zodat van een gewoonte, als hiervoor bedoeld, gesproken kan worden. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging en acht de tenlastelegging ook op dit punt wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 25 oktober 2013;

- de aangifte van [slachtoffer 5]14.

Feit 6

De rechtbank acht het primaire feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 25 oktober 2013;

- de aangifte van [slachtoffer 2]15.

Feit 7

In juni 2012 is verdachte begonnen met vrijwilligerswerk bij de [bedrijf 12]. Begin juli 2012 heeft verdachte aan een van de andere vrijwilligers om een lening gevraagd ter hoogte van € 4.000,- om een woning te kunnen huren en de daarmee gepaard gaande kosten te kunnen voldoen. Daarnaast had hij een bedrag van € 2.000,- nodig voor verhuiskosten. Op 13 juli 2012 heeft verdachte van de [bedrijf 12],

€ 6.000,- gekregen . Terzake hiervan is een overeenkomst van geldlening opgesteld die door beide partijen is ondertekend. Dit geld is vervolgens door verdachte, zo verklaart hij, gebruikt voor voornoemde doeleinden.

Enkele dagen daarna vertelde verdachte aan de heer [slachtoffer 8], eveneens vrijwilliger, dat zijn werkgever het rustiger aan wilde gaan doen en zijn chauffeurs adviseerde om een eenmanszaak op te richten om op die manier werkzaam te blijven voor het bedrijf. Om de juiste vergunningen daarvoor te verkrijgen had verdachte € 25.000,- nodig om aan te kunnen tonen dat hij draagkrachtig genoeg was. Hij verzocht de stichting dit geld aan hem te lenen zodat hij een afdruk van zijn bankafschrift kon maken waarna hij het geld weer terug zou storten. Nadat de heer [slachtoffer 8] het verhaal met betrekking tot de vergunningen voor een eenmanszaak had gecontroleerd, is er op 26 juli 2012 door de heer [slachtoffer 7] € 25.000,- overgemaakt naar de bankrekening van verdachte. Na deze dag is verdachte niet meer gezien bij de [bedrijf 12] en heeft hij het geld ook niet teruggestort161718.

Ten aanzien van de bedragen van € 2.000,- en € 4.000,- overweegt de rechtbank dat niet gebleken is dat verdachte het geld voor andere doeleinden heeft gebruikt dan door hem ten behoeve van het verkrijgen van die lening is verteld. Hieruit volgt dat niet vastgesteld kan worden dat enig in de tenlastelegging opgenomen oplichtingsmiddel is gebruikt om [bedrijf 12] te bewegen tot afgifte van deze bedragen. Het enkele feit dat verdachte bij het aangaan van de lening wist of had moeten weten dat hij niet tot terugbetaling in staat zou zijn, maakt het vorenstaande niet anders. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van deze bedragen vrijspreken.

Dat ligt anders ten aanzien van het bedrag van € 25.000,-. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van oplichting. Op geen enkele manier is aannemelijk geworden dat dit geld bedoeld was of gebruikt is voor de doeleinden, waarvoor het geld was verstrekt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte dit verhaal enkel en alleen heeft verteld met de bedoeling om de stichting tot afgifte van dat bedrag te bewegen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet aannemelijk is dat de [bedrijf 12] om andere redenen dan die verdachte hen heeft verteld, zou zijn overgegaan tot verstrekking van een dergelijk groot bedrag. Voorgaande leidt tot de conclusie dat verdachte door middel van een samenweefsel van verdichtsels de [bedrijf 12] voor dit bedrag heeft opgelicht. De rechtbank acht daarmee het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 30 december 2011 te Tilburg, in ieder geval in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een (of meer) listige kunstgre€p(en) en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de

afgifte van een (personen)auto ([auto 1] [kenteken 4]), in elk geval van

enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk

weergegeven – opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of

in strijd met de waarheid gezegd dat een erfenis vrij zou komen (hiermee

suggererend dat hij deze auto van ruim 35.000,- euro zou kunnen betalen) en/of

zich (daarmee) voorgedaan als een bonafide klant, waardoor dit

autobedrijf/deze eigenaar werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

3.

hij op of omstreeks 24 januari 2012 te Doetinchem met het oogmerk om zich en/of

(een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse

naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3]

en/of [bedrijf 4] heeft bewogen tot de afgifte van

vier althans een of meer 19" zomerbanden met bijbehorende velgen, in elk geval

van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of

in strijd met de waarheid zich heeft voorgedaan als een werknemer van

[bedrijf 3] en/of in strijd met de waarheid heeft gezegd dat de

rekening van een totaalbedrag van 2250 euro naar zijn werkgever [bedrijf 3]

opgestuurd kon worden, waardoor die [slachtoffer 3] althans [bedrijf 4] werd bewogen

tot bovenomschreven afgifte;

1.4.

FLESSENTREKKERIJ, ZAAK 1, 3, 8 en 10 PROCES-VERBAAL.

hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8

oktober 2011 tot en met 31 december 2012 te Diessen en/of Oirschot en/of

Oisterwijk en/of Moergestel en/of Arkel, in elk geval in Nederland,

een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het

oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking

over die goederen te verzekeren,

hebbende verdachte, telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen - op

tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

- in de periode van 11 december 2012 tot en met 29 december 2012 te Diessen

een personenauto ([auto 2], [kenteken 1]) geleverd door [bedrijf 5]

voor een bedrag van 3.750 euro, althans enig geldbedrag [feit 1] en/of

- in de periode van 18 december 2012 tot en met 29 december 2012 te Oirschot

een personenauto ([auto 3], [kenteken 2]) geleverd door [bedrijf 6]

voor een geldbedrag van 16.250 euro, althans enig

geldbedrag [feit 3] en/of

- in de periode van 18 december 2012 tot en met 31 december 2012 te Moergestel

de pension-/verblijfskosten, in elk geval voedsel en/of drank en/of verblijf

van [bedrijf 7] en/of [slachtoffer 11] ter waarde van 1427,50

euro, althans enig geldbedrag [feit 8] en/of

- in de periode van 08 oktober 2011 tot en met 14 oktober 2011 te Arkel

stereo-apparatuur geleverd door [bedrijf 8] [feit 10];

2. 5.

OPLICHTING, ZAAK 2 PROCES-VERBAAL.

hij in of omstreeks de periode van 21 november 2012 tot en met 27 december

2012 te Biest-Houtakker, gemeente Hilvarenbeek, althans in Nederland

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, [bedrijf 10] en/of [slachtoffer 5] heeft

bewogen tot de afgifte van 1.800 euro, althans enig geldbedrag, hebbende

verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk

valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich eind november 2012 bij genoemd bedrijf en/of die [slachtoffer 5] gemeld als

klant en toen een personenauto ([automerk]) ter reparatie heeft aangeboden en

(vervolgens) de kosten ter hoogte van 200 euro heeft afgerekend teneinde

vertrouwen te wekken en/of

- op 27 december 2012 zich (opnieuw) bij genoemd bedrijf en/of die [slachtoffer 5]

gemeld en zich voorgedaan als eigenaar van een personenauto ([auto 2],

voorzien van het [kenteken 1]) en/of

- tegen die [slachtoffer 5] gezegd dat hij deze personenauto ([auto 2]) over had

omdat zijn vriendin er vandoor was en/of (om die reden) deze auto te koop

aanbood en/of

- zich heeft voorgedaan als bonafide verkoper,

waardoor [bedrijf 10] en/of [slachtoffer 5] werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

3. 6.

OPLICHTING, ZAAK 4 PROCES-VERBAAL.

hij in of omstreeks de periode van 20 november 2012 tot en met 7 december 2012

te Vessem, gemeente Eersel en/of te Spoordonk, gemeente Oirschot, in elk geval

in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een

samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 11]en/of

[slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van een personenauto ([auto 4]

, [kenteken 3]), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich bij genoemd bedrijf en/of die [slachtoffer 2] voorgedaan als bonafide klant

en/of onderhandeld over de aankoop van een nieuwe personenauto ([auto 5]

) en/of daartoe een offerte heeft laten opmaken en/of

- tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat een aanbetaling van 10.000 euro geen probleem

was en hij best het hele bedrag van 40.000 euro meteen kon betalen en/of

- gezegd dat hij deze auto voor een bedrag van 40.000,= zou aankopen en/of

hiertoe een koopovereenkomst heeft ondertekend en/of

- gezegd dat hij gelijktijdig met de ondertekening van de koopovereenkomst het

geldbedrag van 40.000,= zou overmaken en/of

- in afwachting van de daadwerkelijke levering tijdelijk een andere

personenauto in bruikleen nodig had,

waardoor [bedrijf 11] en/of [slachtoffer 6] werd

bewogen tot bovenomschreven afgifte;

5. 7.

OPLICHTING, ZAAK 9 PROCES-VERBAAL.

hij in of omstreeks de periode van 13 juli 2012 tot en met 26 juli 2012 te

Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, [bedrijf 12] heeft bewogen tot de

afgifte van een geldbedrag van in totaal 31 25.000 euro, in elk geval van enig

geldbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of

in strijd met de waarheid tegen [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8], in elk geval een

medewerker van die stichting verteld, dat:

- hij, verdachte, een woning kon huren met optie tot koop en hij, verdachte,

4.000,= euro, in elk geval een geldbedrag nodig had om de borg en kosten van

een makelaar te betalen en/of

- zijn relatie met een vrouw in Limburg geeindigd was en hij 2.000 euro,

althans een geldbedrag nodig had om zijn spullen naar zijn nieuwe woning te

krijgen en/of

- hij, verdachte, een eenmanszaak wilde oprichten/opstarten en daartoe om de

juiste vergunningen te kunnen verkrijgen een bedrag van 25.000,= euro op zijn

bankrekening nodig had en/of nadat dat bedrag op zijn rekening stond en hij

een afdruk van zijn bankrekening had gemaakt dat bedrag zou terugstorten,

waardoor [bedrijf 12] werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Niet is gebleken dat de verdediging daarmee in zijn belangen is geschaad.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen acht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Daarbij is in het nadeel van de verdachte meegewogen dat hij eerder voor soortgelijke feiten in aanraking is geweest met politie en justitie, hij na een schorsing uit de voorlopige hechtenis voor de feiten tenlastegelegd onder parketnummer 02/800124-12 door is gegaan met het plegen van dergelijke feiten en dat hij weinig inzicht toont in het kwalijke van zijn handelen. Ook is bij de eis in aanmerking genomen dat er volgens de reclassering sprake is van een hoog recidiverisico waardoor een stok achter de deur nodig is om herhaling in de toekomst te voorkomen alsmede begeleiding mogelijk te maken. Verder is aangevoerd dat verdachte het vertrouwen van een groot aantal mensen grovelijk beschaamd heeft door enkel te handelen uit eigen financieel gewin en het willen leiden van een luxe leven met mooie spullen en zich daarbij niet bekommerd heeft om de benadeelden. Deze straf wordt dan ook zijn plaats geacht gelet op de ernst van de feiten, de hoeveelheid feiten en de impact van de gedragingen, niet alleen op de aangevers, maar ook op de samenleving.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte beschikt over diverse certificaten die hij nodig heeft om zijn beroep te kunnen uitoefenen en waarvan er een aantal in januari 2014 zullen verlopen indien hij dan nog gedetineerd zit. Het vinden van werk zal na verlies van die certificaten worden bemoeilijkt. Daarnaast wordt erop gewezen dat verdachte ruimschoots heeft toegegeven zich schuldig te hebben gemaakt aan de strafbare feiten, die hem worden verweten en dat hij daarvan veel spijt heeft en de benadeelden tegemoet wil komen in de vergoeding van de kosten. Verder is uit het reclasseringsrapport gebleken dat de reclassering bereid is verdachte te begeleiden en hij daar zelf ook voor open staat. Verdachte heeft voorts een betalingsregeling met het CJIB inhoudende dat hij vanaf 15 december 2013 maandelijks een hoger bedrag af moet gaan lossen hetgeen vanuit detentie onmogelijk is. Tot slot wordt verzocht rekening te houden met de tijd die verdachte reeds in Denemarken in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht te weten van 25-27 maart 2013 en vanaf juli 2013.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan oplichting en tevens aan flessentrekkerij. Hij heeft daarbij anderen bewogen tot afgifte van (nieuwe) auto’s, autobanden en geldbedragen. Tevens heeft hij auto’s, stereo-apparatuur en eten en drinken (in een pension) gekocht met de bedoeling deze niet te betalen. Verdachte heeft daarmee de slachtoffers niet alleen financiële schade berokkend maar ook hun vertrouwen in de medemens fors aangetast uitsluitend om er zelf beter van te worden. Hij heeft, zoals hij het zelf heeft verwoord, gehandeld uit pure hebzucht en is totaal voorbij gegaan aan de nadelige gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 31 juli 2013 waaruit blijkt dat hij eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie voor soortgelijke feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport dat is ingekomen op 10 oktober 2013 waarin onder meer naar voren komt dat er bij verdachte gesproken kan worden van een delict patroon. Verdachte zou tot het plegen van de feiten zijn gekomen vanwege zijn financiële problematiek die reeds in 2006 is ontstaan door meer uit te geven dan zijn inkomen, de hebzucht naar materialisme en het betalen van een schadevergoeding aan justitie. Er zou sprake zijn van een totale schuldenlast van € 70.000,-. Verdachte betuigt spijt, hetgeen echter weinig geloofwaardig overkomt nu hij zichzelf meer ziet als slachtoffer omdat de schulden in zijn ogen door toedoen van instanties zouden zijn verergerd. Er is sprake van enig probleembesef maar het ontbreekt hem aan probleemhantering waarbij de reclassering de vraag stelt in hoeverre enige persoonlijkheidsproblematiek hierin een rol kan hebben gespeeld. Het recidiverisico wordt als hoog gemiddeld ingeschat. Op grond van het voorgaande wordt geadviseerd aan verdachte op te leggen een (gedeeltelijke) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden de meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en het meewerken aan de aanpak van zijn schulden en het hebben van een zinvolle dagbesteding.

Gelet op de aard en ernst van de feiten alsmede de hoeveelheid feiten en het relatief korte tijdsbestek waarin de feiten zijn gepleegd is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf noodzakelijk is. Zij ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel is zij van oordeel dat er aan verdachte een lagere straf opgelegd dient te worden dan door de officier van justitie is geëist, waarbij er acht geslagen wordt op hetgeen in soortgelijke zaken als strafmaat wordt gehanteerd. Alles afwegend acht zij een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden passend en geboden. Verder is uit het reclasseringsadvies gebleken dat het recidiverisico hoog gemiddeld wordt ingeschat en verdachte hulp nodig heeft om een stabiele leefsituatie te creëren. De reclassering heeft daartoe een plan van aanpak opgesteld. De rechtbank is mede op grond hiervan van oordeel dat verdachte gebaat is bij een verplichte begeleiding door de reclassering zoals verwoord in het plan van aanpak en zal daartoe dan ook een deel van de gevangenisstraf, te weten zes maanden, voorwaardelijk opleggen teneinde dit mogelijk te maken. Tevens wordt met deze voorwaardelijke straf beoogd verdachte er in de toekomst van te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Vanwege de aard, ernst en hoeveelheid bewezenverklaarde feiten alsmede de persoonlijke omstandigheden als hiervoor uiteengezet, ziet de rechtbank aanleiding om een proeftijd van drie jaar op te leggen.

7 De benadeelde partijen

[bedrijf 8]

De benadeelde partij [bedrijf 8] vordert een schadevergoeding van € 4.046,49 ter zake van feit 4.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[bedrijf 14]

De benadeelde partij [bedrijf 14] vordert een schadevergoeding van € 1.633,75 ter zake van feit 4.

Ten aanzien van de kosten voor eten en drinken, de reiskosten naar slachtofferhulp, het aan verdachte geleende geld en de immateriële schade overweegt de rechtbank dat deze kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezenverklaarde strafbare feit. Zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht de rechtbank tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen.

De niet betaalde pensionovernachtingen zijn vanwege formeel-juridische redenen niet als flessentrekkerij gekwalificeerd, maar niet in discussie is dat deze kosten door verdachte zijn gemaakt. Gebleken is dat ook deze schade het rechtstreeks gevolg is van het handelen van verdachte, waarvoor verdachte aansprakelijk is. Dit geldt te meer, nu verdachte nooit de intentie heeft gehad om deze kosten te voldoen. De rechtbank acht de vordering derhalve ook op dit punt toewijsbaar.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[bedrijf 12]

De benadeelde partij [bedrijf 12] vordert een schadevergoeding van € 31.000,- ter zake van feit 7.

De rechtbank overweegt dat uit de stukken is gebleken dat er met betrekking tot deze gevorderde schade tussen de benadeelde partij en verdachte reeds een civiele procedure heeft plaatsgevonden waarbij verdachte door de rechtbank Haarlem is veroordeeld tot betaling van € 31.000,- aan de [bedrijf 12]. Nu de benadeelde partij daarmee een titel heeft verkregen om de schade op verdachte te kunnen verhalen, ontvalt het belang van de benadeelde partij in de strafprocedure. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 326 en 326a van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 02/800124-12

feit 1: Oplichting;

feit 3: Oplichting;

Parketnummer 02/810892-13

feit 4: Een beroep of een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren;

feit 5: Oplichting;

feit 6: Oplichting;

feit 7: Oplichting;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht niet ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich in het kader van reclasseringstoezicht binnen drie dagen na ontslag uit detentie dient te melden bij de reclassering in zijn woonplaats. Hierna moet verdachte zich binnen de proeftijd blijven melden zo lang en zo frequent als de reclassering dit nodig acht;

* dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan een onderzoek door een forensisch psychiatrische kliniek, zulks ter beoordeling van de reclassering en tevens zijn medewerking zal verlenen wanneer uit dat onderzoek blijkt dat een ambulante behandeling geïndiceerd is. Verdachte dient zich daarbij te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

* dat verdachte na ontslag uit detentie gedurende de proeftijd zal verblijven bij Stichting Door, of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het aanpakken van zijn schulden en het hebben van een zinvolle dagbesteding;

- bepaalt dat als algemene voorwaarde wordt toegevoegd:

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde(n) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Benadeelde partijen

[bedrijf 8]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 8] van

€ 4.046,49 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 8] (feit 4), € 4.046,49 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 56 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[bedrijf 14]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 14] van

€ 1.633,75 waarvan € 1.483,75 ter zake van materiële schade en € 150,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 14] (feit 4), € 1.633,75 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 26 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[bedrijf 12]

- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 12] wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Struijs, voorzitter, mr. Dekker en mr. Batenburg-Van Rijswijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 november 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de pagina’s van het dossier van de Regiopolitie Zeeland West Brabant, district Hart van Brabant, team De Groene Beemden met registratienummer PL204B 2013060654, opgemaakt op 31 juli 2013 (hierna: eindproces-verbaal II) en het dossier van de Regiopolitie Midden en West Brabant, district Tilburg, team I & S Tilburg met registratienummer PL 204B 2012020423, opgemaakt op 13 februari 2012 (hierna eindproces-verbaal I).

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] namens [bedrijf 1], p. 33-34 eind proces-verbaal I.

3 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige], p. 38 eind proces-verbaal I.

4 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 9], p. 40 eind proces-verbaal I.

5 RDW kentekengegevens, p. 69 eind proces-verbaal I.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 42-43 eind proces-verbaal I.

7 De ter terechtzitting van 25 oktober 2012 afgelegde verklaring van verdachte.

8 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens [bedrijf 4], p. 61, eind proces-verbaal I.

9 De ter terechtzitting van 25 oktober 2013 afgelegde verklaring van verdachte.

10 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 10] namens [bedrijf 5], p. 37-39 eind proces-verbaal II.

11 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 13], p. 57-58 eind proces-verbaal II.

12 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 11] namens [bedrijf 14], p. 109-110 eind proces-verbaal II.

13 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 12] namens [bedrijf 8], p. 147-148 eind proces-verbaal II.

14 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] namens [bedrijf 10], p. 53-54 eind proces-verbaal II.

15 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] namens [bedrijf 11], p. 66-69, eind proces-verbaal II.

16 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 8] namens [bedrijf 12], p. 114 en 115 eind proces-verbaal II.

17 De ter terechtzitting van 25 oktober 2013 afgelegde verklaring van verdachte.

18 De overeenkomst van geldlening, p. 133 eind proces-verbaal II.