Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7940

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
02/700030-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

samen met anderen iemand gedurende langere tijd vvan de vrijheid beroven en beroofd houden, waarbij verdachte aanwezig is bij een groot aantal onderdelen van de vrijheidsberoving, maar niets onderneemd om de situatie te beeindigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700030-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 november 2013

in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. G.A.J. Purperhard, advocaat te Rotterdam,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 oktober 2013, waarbij de officier van justitie mr. R.C.P. Rammeloo en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering. Aan verdachte is, met inachtneming hiervan, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 17 januari 2013 te Middelburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en/of ID-kaart en/of kleding en/of fotolijstjes en/of geluidsboxjes en/of ringen en/of pinpas(sen) en/of een pincode, in elk geval van enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] meermalen heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt en/of bij de keel/hals heeft/hebben gegrepen en/of die keel/hals heeft/hebben dichtgeknepen en/of gedurende enige tijd dichtgeknepen heeft/hebben gehouden en/of dreigend de woorden heeft/ hebben toegevoegd (zakelijk weergegeven):"waar je nu naar kijkt daar lig je onder.";

en/of

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 17 januari 2013 te Middelburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon en/of ID-kaart en/of kleding en/of fotolijstjes en/of geluidsboxjes en/of ringen en/of pinpas(sen), in elk geval van enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal (telkens) werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad zichzelf en/of zijn mededader(s) de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld (telkens) hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] meermalen heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt en/of bij de keel/hals heeft/hebben gegrepen en/of die keel/hals heeft/hebben dichtgeknepen en/of gedurende enige tijd dichtgeknepen heeft/hebben gehouden en/of dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd (zakelijk weergegeven): "waar je nu naar kijkt daar lig je onder.";

art 312 lid 2 ahf onder 2 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, mocht het bovenstaande niet tot een veroordeling kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 17 januari 2013 te Middelburg, althans in Nederland, een identiteitskaart en/of twee bankpassen (Rabobank) op naam van [slachtoffer], althans enig(e) goed(eren), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijd van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van die identiteitskaart en/of bankpassen, althans die/dat goed(eren), wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);

2.

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 17 januari 2013 te Middelburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet:

- die [slachtoffer] met geweld en/of bedreiging met geweld gedurende enige tijd in een woning aan de [plaats delict 1] gehouden/ingesloten, en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] met geweld of bedreiging met geweld

meegenomen/meegebracht/geleid naar een woning gelegen aan de [plaats delict 2], en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] gedurende enige tijd in de woning aan de [plaats delict 2]

gehouden/ingesloten, en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] met geweld of bedreiging met geweld

meegenomen/meegebracht/geleid naar de woning gelegen aan de

[plaats delict 1], en/of

- ( wederom) gedurende enige tijd in de woning gelegen aan de [plaats delict 1] ingesloten/gehouden, en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] in een kast (in de woning aan de [plaats delict 1]) geduwd/gestopt/ingesloten en/of gedurende enige tijd in die kast gehouden/ingesloten, althans in de woning gelegen aan de [plaats delict 1];

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op in of omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 17 januari 2013 te Middelburg tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met de vuist(en) in het gezicht, althans op het hoofd, heeft/hebben geslagen/gestompt en/of die [slachtoffer] meermalen met een plank heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer] meermalen tegen het lijf/lichaam geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt en/of die [slachtoffer] bij de keel/hals heeft/hebben gegrepen en/of die keel/hals heeft/hebben dichtgeknepen en/of gedurende enige tijd dichtgeknepen heeft/hebben gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 17 januari 2013 te Middelburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], meermalen met de vuist(en) in het gezicht, althans op het hoofd, heeft/hebben geslagen/gestompt en/of die [slachtoffer] meermalen met een plank heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer] meermalen tegen het lijf/lichaam geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt, en/of die [slachtoffer] bij de keel/hals heeft/hebben gegrepen en/of die keel/hals heeft/hebben dichtgeknepen en/of gedurende enige tijd dichtgeknepen heeft/hebben gehouden, waardoor die [slachtoffer] pijn en/of letsel heeft bekomen;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 17 januari 2013 te Middelburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, door middel van het openlijk tentoonstellen en/of aanslaan en/of verspreiding van (een) geschrift(en) en/of afbeelding(en), de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel (een) geschrift(en), zoals aan deze telastelegging gehecht en daarvan deel uitmakende, tentoongesteld en/of aangeslagen en/of verspreid, te weten door verspreiding/plaatsing op het internet van bijgevoegde tekst en foto;

art 261 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 261 lid 2 Wetboek van Strafrecht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en verzoekt de rechtbank verdachte van deze feiten vrij te spreken.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaringen van getuigen, verdachte en medeverdachten, de processen-verbaal en rapporten zoals hieronder onder het kopje algemeen en vervolgens bij de feiten afzonderlijk is omschreven.

Algemeen.

Aangever geeft in de aangifte en zijn nadere verklaring duidelijk aan wat er gedurende die drie dagen met hem is gebeurd: de vrijheidsberoving, het gijzelen, de mishandelingen, de verkrachting en de smaad.

De getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] bevestigen met hun verklaringen delen van de verklaringen van aangever. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren over het bijde woning van [getuige 1] slaan en vernederen van aangever door [medeverdachte 1] en over het nogmaals aan de deur komen van [verdachte] bij [getuige 1] om te controleren of aangever – die in de woning van [verdachte] was vastgehouden - soms bij haar was.

Getuige [getuige 3] geeft aan dat alle drie de verdachten in de woning van [medeverdachte 1] op de computer bezig waren, hij vanuit de keuken, waar hij op dat moment met [medeverdachte 1] was, een geluid als van een klap hoorde, [medeverdachte 2] het roze lingeriesetje vasthad, de advertentie door [medeverdachte 2] gemaakt moet zijn en dat [medeverdachte 2] alles in opdracht van [medeverdachte 1] deed.

De foto’s van de verwondingen aan het lichaam van aangever passen niet bij datgene wat verdachten hierover verklaren. Aangever verklaart dat hij na geslagen te zijn goederen moest afgeven waaronder zijn telefoon. De telefoon is niet meer aangetroffen, maar wel is vastgesteld dat deze telefoon in de dagen erna is gebruikt in de kring van [medeverdachte 1] en dat er in die paar dagen veel is gebeld met en naar [medeverdachte 1] en diens vriendin. Ook de pasjes en ID-kaart van aangever, die hij moest afgeven, zijn later in plastic zakjes aangetroffen.

Aangever kon in de woning van verdachte [verdachte] aan de [plaats delict 1] te Middelburg niet gaan en staan waar hij wilde. Hij kreeg klappen en moest onder dwang mee naar de woning van [getuige 1] en vervolgens naar de woning van verdachte [medeverdachte 1] aan de [plaats delict 2]. Datgene wat er met aangever met de webcam,t het roze lingeriesetje en het plaatsen van de beelden op de computer is gebeurd, doe je niet uit je zelf, ook niet onder invloed van drugs en zelfs niet als je wel dat soort neigingen zou hebben. Aangever is niet vrijwillig mee terug gegaan naar de [plaats delict 1] maar uit angst dat hij wederom geslagen zou worden. In de woning aan de [plaats delict 1] is aangever in een kast opgesloten en is hem meegedeeld: ‘je gaat daar zitten en verroert je niet’ hetgeen aangever ook uit angst nogmaals mishandeld te worden door [medeverdachte 2] - die regelmatig terugkeerde om aangever klappen te geven - deed. Toen het op gegeven moment rustig was heeft aangever de toegangsdeur van de woning van binnenuit op de knip gedaan en is via een kapot getrapt raam en een steiger ontsnapt. Toen aangever eenmaal ontsnapt was is hij naar zijn tante gegaan en haar verklaring geeft duidelijk weer hoe hij er aan toe was. Bij een deel van de feiten is er sprake van schakelbewijs.

Feit 1.

Aangever is geslagen en bedreigd is vervolgens gedwongen tot afgifte van zijn telefoon, ID-kaart, kleding, fotolijstjes, geluidsboxen, ringen en pinpassen. De afpersingshandelingen zijn gepleegd door de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Er is onvoldoende bewijs voor betrokkenheid van verdachte [verdachte] bij de afpersingshandelingen maar er is wel bewijs voor heling aangezien een aantal van de goederen in de woning van verdachte zijn aangetroffen.

Feit 2.

Aangever is gedurende een drietal dagen door verdachten van zijn vrijheid beroofd. Dit feit is wettig en overtuigend bewezen gelet op hetgeen er onder Algemeen en en bij feit 1 is aangevoerd.

Feit 3.

Aangever is gedurende een drietal dagen door de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden en hierbij diverse malen mishandeld. Dit feit is wettig en overtuigend bewezen gelet op hetgeen er onder Algemeen en bij de feiten 1 en 2 is aangevoerd alsmede de foto’s en beschrijving van de verwondingen bij aangever. Voor het onderdeelbij de keel grijpen, dichtknijpen en dichtgeknepen houden is er slechts de verklaring van aangever zelf, maar gelet op de overige bewijsmiddelen kan dit onderdeel van het onder 3 ten laste gelegde in de visie van de officier van justitie ook bewezen worden.

Feit 4.

Aangever is gedurende een drietal dagen door verdachten van zijn vrijheid beroofd gehouden, is hierbij regelmatig mishandeld en is in zijn goede naam en eer aangetast door onder meer een seksadvertentie op het internet te plaatsen. De ten laste gelegde smaad is wettig en overtuigend bewezen gelet op hetgeen er onder Algemeen en bij de andere feiten over is overwogen alsmede de processen-verbaal betreffende het onderzoek aan de computer, betreffende wat op het internet is aangetroffen en wat is opgeslagen op de mobiele telefoon van verdachte [medeverdachte 1].

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank voor alle ten laste gelegde feiten niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij voor het onder 1 en 3 ten laste gelegde op:

  • -

    het ontbreken van enige samenwerking of overleg tussen verdachte en de medeverdachten aangezien verdachte zich ten tijd van het plegen van de ten laste gelegde feiten in zijn kamer bevond;

  • -

    het gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, ook omdat de verklaring van aangever afwijkt van die van zijn tante, en

  • -

    het niet toekomen aan het geweldaspect gelet onder meer op het feit dat aangever verklaart dat verdachte hem niet heeft geslagen.

De raadsman verwijst voor het onder 2 ten laste gelegde feit op:

  • -

    het gebruik van verdovende middelen door alle betrokkenen;

  • -

    de twijfel aan de juistheid van de verklaring van getuige [getuige 5];

  • -

    de verklaringen van de medeverdachten;

  • -

    de verklaringen van de getuigen [getuige 4], [getuige 1] en [getuige 2] en

  • -

    het gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.

De raadsman verwijst voor het onder 4 ten laste gelegde feit op:

  • -

    het gebruik van verdovende middelen door alle betrokkenen;

  • -

    de verklaringen van alle betrokkenen dat aangever vrijwillig achter de computer en webcam heeft plaatsgenomen en

  • -

    het ontbreken van opzet aan de zijde van verdachte.

Gelet op vorenstaande verzoekt de verdediging de rechtbank verdachte van alle hem ten laste gelegde feiten vrij te spreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de stukken en de afgelegde verklaringen oordeelt de rechtbank ten aanzien de feiten en omstandigheden waarvan kan worden uitgegaan als volgt.1

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangever in tegenstelling tot wat de raadsman aangeeft wel als betrouwbaar kan worden bestempeld. De rechtbank merkt hierbij op dat de rechtbank slechts die onderdelen van de verklaring van aangever zal gebruiken welke tevens door andere bewijsmiddelen worden ondersteund.

De raadsman heeft erop gewezen dat de verklaring van de tante van aangever op onderdelen een ander relaas van aangever bevat dan hetgeen aangever in zijn aangifte bij de politie heeft verklaard. De rechtbank is van oordeel dat daaruit niet volgt dat de aangifte van aangever als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt. Evenmin volgt daaruit dat de verklaring van de tante onbetrouwbaar is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat aangever – uitgaande van zijn aangifte – zeer overstuur is geweest toen hij, na te zijn weg gevlucht uit de woning van [verdachte], direct naar zijn tante is gegaan en aan haar verteld heeft wat hem was overkomen. Zijn verhaal bestond niet uit enkele eenvoudige feitelijkheden, maar bevatte een veelheid aan details. Gelet op de emotionele toestand waarin klager – uitgaande van zijn aangifte – verkeerde acht de rechtbank het alleszins aannemelijk en zelfs bijna onvermijdelijk dat het relaas van aangever zoals dat door de tante in haar verklaring aan de politie is opgetekend en het relaas zoals het in de aangifte is neergelegd op onderdelen van elkaar verschillen. Daar komt nog bij dat mag worden aangenomen dat ook de tante van aangever geschokt zal zijn geweest door hetgeen zij van aangever te horen kreeg, hetgeen er mede toe kan hebben bijgedragen dat de tante in haar weergave aan de politie van wat zij van aangever had gehoord op onderdelen niet precies heeft weergegeven wat aangever haar had verteld.

De aangifte van aangever en hetgeen de tante aan de politie heeft verklaard komen op hoofdlijnen naar het oordeel van de rechtbank sterk met elkaar overeen.

De rechtbank zal gelet op vorenstaande de aangifte en de verklaring van de tante van aangever, [getuige 5], als bewijsmiddel in de beoordeling betrekken.

De onderdelen van de verklaring van aangever met betrekking tot de op hem uitgeoefende dwang worden naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door de getuigenverklaringen van[getuige 1] en [getuige 2], de resultaten van het DNA-onderzoek aan de plank, het aangetroffen bloed van aangever in de kast van de woning in de [plaats delict 1] te Middelburg, het letsel van aangever, het feit dat verdachte volledig overstuur bij zijn tante aanbelde en de getuigenverklaring van deze tante betreffende hetgeen aangever haar toen heeft verteld.

Medeverdachte [medeverdachte 1] en aangever hadden al geruime tijd een conflict. [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat aangever emotionele dingen van hem had gestolen en dat hij vriendinnen van hem had bedonderd en bestolen.

Aangever is op 14 januari 2013 verhuisd naar een kamer in de woning van verdachte [verdachte]. Op 15 januari 2013 tegen middernacht was aangever in zijn kamer toen verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] binnenkwamen waarna verdachte [medeverdachte 2] hem begon te schoppen en te stompen en verdachte [medeverdachte 1] hem vertelde dat dit ervan kwam omdat hij hem geflest had. Verdachte [medeverdachte 1] vroeg hem vervolgens diverse keren hoe hij het geld zou terugverdienen, waarbij aangever bij elk verkeerd antwoord een pak slaag kreeg. Aangever moest zich van verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] uitkleden en zijn telefoon, id-kaart, kleding en andere goederen 2, 3, 4, 5. Vervolgens zijn verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] met aangever bij[getuige 1] langs gegaan. Verdachte [medeverdachte 1] belde bij de woning aan en toen [getuige 1] opendeed moest aangever van [medeverdachte 1] op zijn knieën gaan zitten en zijn excuses aan [getuige 1] aanbieden, waarna aangever toen hij weer opstond een klap in het gezicht van verdachte [medeverdachte 1] kreeg6, 7, 8. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen er bij de woning van [getuige 1] gebeurde er mede op duidt hoe de verhoudingen op dat moment lagen tussen aangever enerzijds en [medeverdachte 1] en [verdachte] anderzijds. Hierin ziet de rechtbank mede een bevestiging van hetgeen in de aangifte is vermeld over de mishandelende bejegening die aangever van de zijde van de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kort daarvoor had ondergaan.

Aangever was daardoor kennelijk zozeer geïmponeerd dat hij zich liet welgevallen wat eer gebeurde bij de woning van [getuige 1].
Vervolgens is verdachte [medeverdachte 2] gebeld waarna deze zich bij de anderen voegde en verdachten met een angstige en geintimideerde aangever naar het huis van verdachte [medeverdachte 1] zijn gegaan. Daar moest aangever zich wederom uitkleden en werd hij gedwongen zich te kleden in een roze lingeriesetje9, 10, 11, 12. Vervolgens heeft verdachte [medeverdachte 1] foto’s van aangever, gekleed in het roze lingeriesetje, gemaakt, heeft hem enige minuten voor de webcam gefilmd en vervolgens is aangever bij een gay internetsite aangemeld. Er is een profiel aangemaakt en op de betreffende site is een advertentie met foto van aangever geplaatst. Hierna werd aangever wederom door verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] mishandeld en is men naar het huis van verdachte [verdachte] waar aangever zich opnieuw moest uitkleden en klappen kreeg13, 14.

Verdachte [verdachte] verbleef tijdens genoemde gebeurtenissen in de woning aan de [plaats delict 1] op zijn eigen kamer en toen verdachte [medeverdachte 2] na enige tijd naar huis ging bleven aangever en verdachte [medeverdachte 1] alleen in de kamer van aangever achter. Verdachte [medeverdachte 1] heeft aangever hierna verkracht waarbij aangever waarschuwde dat indien hij niet mee zou werken hij verdachte [medeverdachte 2] terug zou roepen.

Aangever diende zich vervolgens gedeeltelijk uit te kleden en werd vervolgens in een kast in zijn kamer opgesloten en heeft hierin onder dreiging van nieuwe mishandelingen nog gedurende geruime tijd verbleven. Verdachte [medeverdachte 2] kwam regelmatig langs om verdachte een pak slaag te geven waarbij hij naast zijn handen soms ook een plank als slagwapen gebruikte. Verdachte [medeverdachte 1] heeft zich na de verkrachting van aangever niet meer in de kamer van aangever laten zien en verdachte [verdachte] kreeg de opdracht kreeg om op aangever te passen. Op 17 januari 2013, nadat aangever hoorde dat verdachte [verdachte] het pand aan de [plaats delict 1] verliet, heeft aangever de voordeur van de woning aan de binnenkant afgesloten en heeft via de rond de flat staande steigers het pand verlaten. Aangever is naar zijn tante gevlucht die vervolgens de politie belde15, 16, 17, 18, 19.

De verdediging heeft aangevoerd dat aangever een groot aantal mogelijkheden om te vluchten onbenut heeft gelaten. De verdediging beoogt daarmee duidelijk te maken dat niet valt uit te sluiten dat aangever, anders dan hij heeft verklaard, niet onvrijwillig in het pand verbleef. De rechtbank leidt uit deze stelling van de verdediging, wat daarvan overigens ook zij, niet af dat aangever vrijwillig bij verdachten verbleef. Eerder ziet de rechtbank hierin steun voor het relaas van aangever, waarin zit besloten dat aangever onder uit angst voor nieuwe mishandelingen door de geregeld terugkomende verdachte [medeverdachte 2], geïmponeerd door het eerdere geweld, waaronder de verkrachting, en de mate en wijze ervan, de al enige tijd durende vrijheidsberoving en het fysieke voorkomen van verdachte [medeverdachte 2], niet de moed heeft gehad om eerder de kamer en het huis aan de [plaats delict 1] te verlaten.

Uit het onderzoek ter zitting is niet onomstotelijk duidelijk geworden dat er geprobeerd is aangever door deze bij de keel/hals te grijpen, te wurgen.

Verdachten verklaren dat zij aangever niet geslagen hebben, alleen verdachte [medeverdachte 1] verklaart ter zitting van 21 oktober 2013 dat hij aangever voor de woning van getuige [getuige 1] in het gezicht heeft geduwd.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de aangifte, de nadere verklaring van aangever en de aangehaalde getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 5] en [getuige 3] vast staat dat verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het slachtoffer [slachtoffer] meerdere malen hebben mishandeld. De rechtbank acht, gelet op de beschrijving van de aard en de hoeveelheid vastgestelde verwondingen, aannemelijk dat er buiten het vastgestelde geweld meer geweld door verdachten is gebruikt. De rechtbank acht, gelet op hetgeen hiervoor over het uitgeoefende geweld is vastgesteld, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachten geprobeerd hebben aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank acht, bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, de tenlastegelegde bedreigingen evenmin bewezen.

Wat betreft de rol van verdachte in het geheel van de gebeurtenissen is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte daadwerkelijk heeft meegedaan aan de mishandelingen van aangever; eerder volgt uit de aangifte en nadere verklaring van aangever dat het op aangever toegepaste geweld door verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werd gepleegd en dat verdachte [verdachte] aangever niet heeft mishandeld. Verdachte zal daarom van het hem onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de hem onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 3 primair, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten samen en in vereniging met de medeverdachten heeft gepleegd. Uit vorenstaande blijkt dat er op deze onderdelen van de telastelegging geen sprake is geweest van enige samenwerking of overleg tussen verdachte [verdachte] en de medeverdachten en ook dat verdachte geen geweld tegen aangever heeft gebruikt. Zij zal hem dan ook van deze feiten vrijspreken. Er is ook geen wettig en overtuigend bewijs voor de heling als tenlastegelegd onder feit 1 aangezien aangever bij verdachte inwoonde en aannemelijk is dat aangever ook goederen in de woning had liggen. Het enkele aantreffen van goederen van aangever in de woning van verdachte is dan onvoldoende om van heling te kunnen spreken.

De rechtbank is van oordeel dat de onder 2 ten laste gelegde vrijheidsberoving wettig en overtuigend bewezen is. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van dit feit sprake van medeplegen. Hoewel niet is komen vast te staan dat de verdachten voor het bewezenverklaarde feit hiertoe voorafgaand een afspraak hebben gemaakt, leiden de feitelijke gedragingen van verdachten als hiervoor omschreven tot de conclusie dat er sprake was van een nauwe feitelijke samenwerking, onder welke omstandigheden verdachten zich van het plegen van dit feit bewust moeten zijn geweest en dat ook moeten hebben aanvaard. In dit verband kent de rechtbank betekenis toe aan de volgende feiten en omstandigheden:

  • -

    verdachte de mishandeling van aangever bij de woning van [getuige 1] zag gebeuren;

  • -

    verdachte aanwezig was bij het gebruik van de computer en het roze lingeriesetje;

  • -

    een groot deel van het gebeuren zich in zijn woning heeft afgespeeld;

  • -

    verdachte ook bij andere geweldsuitingen aanwezig was;

  • -

    verdachte op geen enkel moment heeft ingegrepen en

  • -

    verdachte zijn woning heeft afgesloten wetende dat aangever daar verbleef en dat deze geen sleutel had.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2 .

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 17 januari 2013 te Middelburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet:

- die [slachtoffer] met geweld en/of bedreiging met geweld gedurende enige tijd in een woning aan de [plaats delict 1] gehouden/ingesloten, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] met geweld of bedreiging met geweld

meegenomen/meegebracht/geleid naar een woning gelegen aan de [plaats delict 2], en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] gedurende enige tijd in de woning aan de [plaats delict 2]

gehouden/ingesloten, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] met geweld of bedreiging met geweld

meegenomen/meegebracht/geleid naar de woning gelegen aan de [plaats delict 1], en/of

- (wederom) gedurende enige tijd in de woning gelegen aan de [plaats delict 1] ingesloten/gehouden, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] in een kast (in de woning aan de [plaats delict 1]) geduwd/gestopt/ingesloten en/of gedurende enige tijd in die kast gehouden/ingesloten, althans in de woning gelegen aan de [plaats delict 1].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voor hetgeen hij wettig en overtuigend bewezen acht - het onder 1 meer subsidiair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde - aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaar en de bijzonder voorwaarde van reclasseringstoezicht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gelet op de door hem verzochte vrijspraken voor de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten de rechtbank verzocht geen straf of maatregel op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf of maatregel aan verdachte moet worden opgelegd houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Bij de beslissing over de straf(-fen) heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met de ernst van alle bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt het medeplegen van vrijheidsberoving, een feit dat in ons strafrechtstelsel als een ernstig misdrijf wordt beschouwd. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van delicten als het onderhavige nog geruime tijd lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Te verwachten valt dat het slachtoffer nog geruime tijd met de nadelige gevolgen van deze ernstig traumatiserende gebeurtenis zal worden geconfronteerd. Het slachtoffer ondervindt daarvan ook thans nog de gevolgen zoals blijkt uit zijn voegingformulier. Verdachte en de medeverdachten hebben hier kennelijk in het geheel niet bij stilgestaan.

De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij bij de politie, de rechter-commissaris en ter zitting geen volledige openheid van zaken heeft gegeven.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met het 4 pagina’s tellende uittreksel uit het justitieel documentatiesysteem van 18 juni 2013 van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor onder meer opzetheling en gekwalificeerde diefstal. De rechtbank is, gelet op het feit dat verdachte niet aan persoonsrapportages wenste mee te werken, niet in staat bij het bepalen van de strafmaat tevens rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Nu de rechtbank slechts het onder 2 ten laste gelegde bewezen acht, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 350 dagen noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 176 dagen, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering Nederland mogelijk en beoogd tevens verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partij

7.1

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer] en wonende te[adres slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 10.644,00 voor de ten laste gelegde feiten van verdachte en zijn medeverdachten.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering kan worden toegewezen met uitzondering van de onder 2 verzochte vergoeding voor de mobiele telefoon en heeft hiertoe aangevoerd dat het resterende deel van de vordering onderbouwd, redelijk en passend is. De officier van justitie heeft de rechtbank tevens verzocht de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen en de wettelijke rente toe te wijzen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering te verklaren aangezien de vordering te ingewikkeld is en een te grote belasting is om in het strafproces mee te nemen.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde feit en acht verdachte mede aansprakelijk voor die schade.

Het slachtoffer heeft verklaard op grove wijze te zijn aangetast in zijn persoon waarbij een grote inbreuk is gemaakt op zijn lichamelijke integriteit, persoonlijke levenssfeer en persoonlijke bewegingsvrijheid.

De rechtbank is van oordeel dat het materiële deel van de vordering tot een bedrag van

€ 194,02 voldoende aannemelijk is gemaakt, zodat dit deel van de vordering kan worden toegewezen.

De onder 2 gevorderde € 150,00 voor de mobiele telefoon is niet met bewijsstukken aangetoond, de rechtbank zal de vordering met betrekking tot de mobiele telefoon in redelijkheid en billijkheid vast stellen op een bedrag van € 50,00.

De onder 3 gevorderde vergoeding voor kleding, sieraden en schoeisel, de onder 4 gevorderde medische kosten en de onder 5 gevorderde reiskosten zijn voldoende aannemelijk gemaakt, zodat deze gedeelten van de vordering kunnen worden toegewezen. De onder 6 gevorderde vergoeding voor telefoonkosten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet reëel en niet onderbouwd. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor dit gedeelte afwijzen. De onder 7 gevorderde vergoeding voor kamerhuur zal worden afgewezen nu deze niet onderbouwde schade geen schade is als gevolg van de strafbare feiten.

Met betrekking tot het immateriële gedeelte van de vordering is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, in redelijkheid en billijkheid tot een bedrag van € 4.000,00 kan worden toegewezen. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit is gepleegd.

De rechtbank zal, gelet op het feit dat het bewezenverklaarde feit tezamen en in vereniging is gepleegd, de hoofdelijkheid bepalen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het onder 2 bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 350 (driehonderdvijftig) dagen, waarvan 176 (honderdzesenzeventig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht niet ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland te Middelburg, ook als inhoudt het meewerken aan gedragsinterventies en begeleiding door een instelling begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat als algemene voorwaarde wordt toegevoegd:

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer] en wonende te [adres slachtoffer] van € 4.194,02, waarvan € 194,02 ter zake van materiële schade en € 4.000,00 ter zake van immateriële schade;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij voor zover het de materiële kosten betreft, voor het overige af;

verklaart de benadeelde partij voor zover het de immateriële kosten betreft, voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer] en wonende te[adres slachtoffer], € 4.194,02 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 50 dagen hechtenis en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 16 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. J.J.A. Groen en mr. B.J.R.P. Verhoeven, rechters, in tegenwoordigheid van Buijze, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 november 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar een paginanummer wordt daarmee bedoeld een pagina opgenomen in het dossier van de Regiopolitie Zeeland, divisie recherche, rechercheteam 1 Walcheren, registratienummer PL193C 2013004159 d.d. 6 april 2013, doorlopende paginanummering inclusief aanvullend dossier 1 t/m 824. In de bewijsredenering is de inhoud van de gebezigde wettige bewijsmiddelen zakelijk samengevat (zie Hoge Raad 11 oktober 2011, LJN BT 7270).

2 De aangifte en het nader verhoor van [slachtoffer] d.d. 18 januari en 22 januari 2013 met bijlagen, zie dossierpagina’s 426 - 442 en 514 - 525.

3 Het 5e verhoor van verdachte [medeverdachte 2], zie dossierpagina’s 273 - 278.

4 Het verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 21 januari 2013, dossierpagina’s 478 - 482.

5 Het verhoor van getuige [getuige 6] d.d. 14 maart 2013, dossierpagina’s 509 - 510.

6 De aangifte en het nader verhoor van [slachtoffer] d.d. 18 januari en 22 januari 2013 met bijlagen, zie dossierpagina’s 426 - 442 en 514 - 525.

7 Het verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 21 januari 2013, dossierpagina’s 478 - 482.

8 Het verhoor van getuige[getuige 2] d.d. 21 januari 2013, dossierpagina’s 483 - 486.

9 De aangifte en het nader verhoor van [slachtoffer] d.d. 18 januari en 22 januari 2013 met bijlagen, zie dossierpagina’s 426 - 442 en 514 - 525.

10 Het verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 7 februari 2013 met bijlagen, zie dossierpagina’s 405 - 412.

11 Het 5e verhoor van verdachte [medeverdachte 2], zie dossierpagina’s 273 - 278.

12 De processen-verbaal bevindingen in beslagname en onderzoek van de computer en gsm’s, zie dossierpagina’s 146 - 170.

13 Het verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 7 februari 2013 met bijlagen, zie dossierpagina’s 405 - 412.

14 Het verhoor van getuige [getuige 5] d.d. 20 januari 2013, zie dossierpagina’s 472 - 477.

15 De aangifte en het nader verhoor van [slachtoffer] d.d. 18 januari en 22 januari 2013 met bijlagen, zie dossierpagina’s 426 - 442 en 514 - 525.

16 Het rapport van het NFI met betrekking tot onder meer de plank, zie dossierpagina’s 564 - 577.

17 Het verhoor van getuige [getuige 5] d.d. 20 januari 2013, zie dossierpagina’s 472 - 477.

18 Het proces-verbaal bevindingen met foto’s betreffende het in de kast in de [plaats delict 1] aangetroffen bloed, urine en feces, zie dossierpagina’s 844 - 848.

19 Het aanvullend rapport van het NFI van 10 juni 2013 betreffende het DNA-onderzoek naar het bloed uit de kast en op het shirt van aangever.