Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7920

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
254229/13-1621
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst.

Arbeidszaak.

Dringende reden in bodemzaak aan de orde.

Arbeidsovereenkomst van te korte duur om disfunctioneren te kunnen vaststellen. Verstoorde verhouding werknemer/directeur gegrond op niet melden zwangerschap en dus verbod ex art.7:670BW. Wel verstoorde arbeidsverhouding met andere collega's. Aanbeveling 3.6 niet gevolgd. Slecht werkgeverschap grond voor vergoeding ad €5.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/23
AR-Updates.nl 2013-0918
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/repnr.: 254229/13-1621

beschikking van de kantonrechter d.d. 13 juni 2013

inzake

de besloten vennootschap

[bedrijfsnaam],

gevestigd te [woonplaats],

verzoekende partij,

verder te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: mr. P.A. Visser.

t e g e n :

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

verder te noemen: [verweerster],

gemachtigde: mr. M.N. Vissers,

Het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- brief mr. Visser d.d. 23 april 2013,

- verzoekschrift, ingekomen op 24 april 2013,

- brief mr. Visser d.d. 27 mei 2013,

- verweerschrift,

- mondelinge behandeling d.d. 30 mei 2013.

De beoordeling van de zaak

1.

[verweerster] is krachtens een op 26 november 2012 schriftelijk opgemaakte arbeidsovereenkomst per 1 januari 2013 voor de duur van een jaar in dienst getreden bij [verzoeker]. De mogelijkheid van tussentijdse opzegging van de arbeidsovereenkomst is niet overeengekomen. Haar functie is fysiotherapeut. Tussen partijen is niet in geding dat het voornemen van [verzoeker] was [verweerster] in te zetten op een nieuwe (per 1 maart 2013 overgenomen) praktijk van [verzoeker] in [woonplaats]. [verzoeker] heeft [verweerster] op 18 februari 2013 op staande voet ontslagen. Dit ontslag wordt bevestigd bij brief van 21 februari 2013 (productie 10 bij dagvaarding). Voor de aan dit ontslag ten grondslag gelegde gronden en de overige feiten, verwijst de kantonrechter naar de rechtsoverwegingen 2 tot en met 7 van het vonnis van [vonnisdatum], door de kantonrechter als voorzieningenrechter gewezen in het kort geding tussen [verweerster] en [verzoeker]. Het vonnis is door [verzoeker] als productie 28 in het geding gebracht. De verklaringen bij de mondelinge behandeling geven de kantonrechter geen aanleiding af te wijken van het oordeel van de voorzieningenrechter (rov. 2 en 16) over het overeengekomen salaris. Op dit moment ontvangt [verweerster] een WAZO-uitkering. Bij de mondelinge behandeling is verder gebleken dat [verzoeker] geen uitvoering heeft gegeven aan de door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordeling.

2.

Aan het einde van de mondelinge behandeling zijn partijen in beraad gegaan om te kijken of zij een regeling konden bereiken, waarbij ook betrokken zou worden het ontslag op staande voet en het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding, maar de raadslieden hebben daarna verklaard dat geen overeenstemming bereikt is kunnen worden.

3.

[verzoeker] verzoekt in deze zaak de arbeidsovereenkomst te ontbinden, voor zover die niet reeds is beëindigd wegens het ontslag op staande voet, wegens primair de aanwezigheid van dringende redenen en subsidiair wegens een verandering in de omstandigheden die met zich meebrengen dat de arbeidsovereenkomst niet gecontinueerd kan worden.

4.

[verweerster] verzet zich tegen de inwilliging van het verzoek. Zij stelt daarbij dat de door [verzoeker] aangevoerde redenen niet tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst kunnen leiden.

5.

De kantonrechter overweegt als volgt. Het oordeel over de vraag of het complex van feiten in de kwestie tussen [verzoeker] en [verweerster] een voldoende dringende reden voor ontslag op staande oplevert is voorbehouden aan de rechter die in de bodemprocedure over de nietigheid van het ontslag zal oordelen. De kantonrechter dient het voorwaardelijke verzoek dan ook te beoordelen vanuit de aanname, dat het gegeven ontslag op staande voet geen stand zal houden. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de gronden die tot het ontslag op staande voet hebben geleid is dan ook niet, en [verweerster] heeft dit terecht aangevoerd, toewijsbaar.

6.

De kantonrechter overweegt verder dat voor zover het subsidiaire verzoek verband houdt met (het niet melden van) de zwangerschap van [verweerster] het op die gronden niet toewijsbaar is. Indien [verzoeker] verder beoogd heeft het disfunctioneren ook als separate grond voor het subsidiaire verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst naar voren te brengen wordt dat gepasseerd. Feitelijk heeft [verweerster] gewerkt van 8 januari tot haar ontslag op 18 februari 2013. Die tijd is te kort, zoals ook reeds in het kort geding vonnis overwogen onder rov. 13, om een weloverwogen besluit te kunnen nemen of een persoon in het geheel niet geschikt is voor de bedongen functie, waarbij dan ook nog factoren gaan meespelen als functioneringsgesprekken, verbeter- en/of coachingtraject.

7.

De kantonrechter heeft wel moeten vaststellen dat de verhouding tussen de directeur en [verweerster] ernstig vertroebeld is. Toch kan ook dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet dragen. Het standpunt en de opstelling van de directeur hangen namelijk nauw samen met het feit dat [verweerster] zwanger was bij indiensttreding en dit niet heeft gemeld bij het sollicitatiegesprek. Wat het niet vermelden van de zwangerschap en de eventuele gevolgen van de zwangerschap voor het uitvoeren van de werkzaamheden betreft, verwijst de kantonrechter naar de beslissing van het Hof van Justitie van de EG/EU van 4 oktober 2001, JAR 2001/220 (Tele Danmark). Voor zover het verzoek dus mede is gegrond op het ongenoegen, de onvrede aan de zijde van de directeur van [verzoeker], staat art. 7:670 BW de toewijzing in de weg.

8.

Het verzoek is wel toewijsbaar op basis van de door [verzoeker] mede opgevoerde grond, dat de verhouding tussen [verweerster] en de overige werknemers van [verzoeker] in die mate is vertroebeld dat dat aan een voortzetting van de arbeidsrelatie in de weg staat. Uit de door [verzoeker] in het geding gebrachte verklaringen blijkt dat vele collega’s van [verweerster] geen vertrouwen meer hebben in een samenwerking met [verweerster]. Dit heeft voornamelijk te maken met de wijze waarop [verweerster] zich in de korte tijd dat zij werkzaam is geweest, heeft gemanifesteerd. Ook [verweerster] zelf heeft bij de mondelinge behandeling verklaard dat het gelet op de verklaringen van haar collega’s en de verdere geschiedenis van deze zaak voor haar heel belastend is om terug te keren op de werkvloer. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat er sprake is van een onherstelbaar verstoorde verhouding op de werkvloer die een verdere vruchtbare samenwerking in de weg staat. Om deze reden, die geen verband houdt met een opzegverbod, zal het verzoek wel worden toegewezen.

9.

[verzoeker] heeft geen ontbindingsvergoeding aangeboden en [verweerster] stelt zich op het standpunt dat haar bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding met aanzienlijke hogere factor dan C= 1 toekomt. Zij wijst daarbij mede op Aanbeveling 3.6 sub 2 van de kring van kantonrechters. De kantonrechter acht het echter gelet op alle omstandigheden niet redelijk en billijk die Aanbeveling te volgen. Niet uit het oog mag worden verloren dat [verweerster] feitelijk maar zeer kort heeft gewerkt. Haar komt ook enig verwijt toe wat betreft het ontstaan van de vertrouwensbreuk met haar collega’s. Zij heeft zich als nieuwe werknemer binnen een organisatie niet helemaal gedragen zoals van haar had mogen worden verwacht. Het grootste verwijt in deze zaak valt echter [verzoeker] als werkgever toe te schrijven. [verzoeker], althans haar directeur, heeft er niet voor gezorgd dat [verweerster] in goede harmonie haar nieuwe baan kon beginnen. Vanaf het begin was er sprake van een vijandige sfeer. De directeur van [verzoeker] heeft argwaan jegens [verweerster] gekweekt bij de overige werknemers. Uit het mailverkeer valt ook af te leiden dat [verzoeker] [verweerster] ten onrechte onder druk heeft gezet. [verzoeker] heeft zich dus niet als een goed werkgever laten zien. Die zelfde houding heeft [verzoeker] laten zien na het vonnis in kort geding. [verzoeker] heeft het door de voorzieningenrechter toegewezen loon niet voldaan. Het vonnis laat, in tegenstelling tot wat [verzoeker] heeft willen beweren bij de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek, ter zake niets aan duidelijkheid te wensen over.

10.

Bij de vaststelling van de ontbindingsvergoeding houdt de kantonrechter geen rekening met het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding. Dit beding is een kwestie tussen partijen en zal ook tussen partijen moeten worden opgelost. Bij de mondelinge behandeling leek daar aan de zijde van [verzoeker] ook ruimte voor, maar partijen zijn niet tot een regeling kunnen komen.

11.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en uitgaande van het garantiesalaris acht de kantonrechter in deze zaak een vergoeding van € 5.000,00 bruto billijk en redelijk.

12.

Nu [verzoeker] geen vergoeding heeft aangeboden zal zij in de gelegenheid worden gesteld het verzoek in te trekken. De kantonrechter ziet geen aanleiding af te wijken van het beleid om in ontbindingszaken de proceskosten tussen partijen te verdelen, in die zin dat iedere partij in het voorkomend geval de eigen kosten draagt.

de beslissing

De kantonrechter:

stelt partijen in kennis van zijn voornemen om de arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog bestaat, te ontbinden per 28 juni 2013 onder toekenning aan [verweerster] van een vergoeding van € 5.000,00 bruto;

stelt [verzoeker] in de gelegenheid hun verzoek in te trekken en wel uiterlijk ter terechtzitting van 27 juni 2013 te 10.00 uur;

en voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover deze nog bestaat, per 28 juni 2013;

kent aan [verweerster] in dat geval een vergoeding toe van € 5.000,00 bruto;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

en voor het geval het verzoek wordt ingetrokken:

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.J.C. van Spronssen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

jdk