Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7914

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-06-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
246502 / 12-4846
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad.

Formele rechtskracht van beslissingen van de bestuursrechter.

Art 6:162 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

[Zaaknummer] [Rolnummer]

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 246502 / 12-4846

vonnis van de kantonrechter d.d. 17 juni 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

verder te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. J.A. de Waard,

t e g e n :

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Middelburg,

gevestigd te Middelburg,

gedaagde partij,

verder te noemen: de Gemeente,

gemachtigde: mr. Drs. B.E.G. Wiskerke.

het verdere verloop van de procedure

Na het tussenvonnis van 10 december 2012 is de procedure als volgt verlopen:

- mondelinge behandeling van 6 februari 2013,

- conclusies van repliek en dupliek.

de beoordeling van de zaak

1.

[eiser] is de eigenaar van de woning aan de [adres] in [woonplaats]. [eiser] heeft een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een garage. Op 9 februari 2007 heeft de Gemeente de vergunning verleend. Het is voor [eiser] onmogelijk om de garage te bereiken met haar auto omdat de enige manier voor [eiser], om haar garage te bereiken, loopt via het pad achter de [adres] en dat pad is afgesloten voor autoverkeer. De reden voor afsluiting van dat pad voor autoverkeer is dat in ieder geval één bewoner van de [adres], de heer [naam], wonende aan de [adres] 30, niet wil dat er auto’s over dat pad rijden. [naam] had grond van de gemeente in gebruik. De Gemeente wilde de grond overdragen aan Stichting Woongoed Middelburg (verder te nomen Woongoed) in verband met door Woongoed te bouwen seniorenwoningen aan de [adres] te [woonplaats]. De grond, waaronder de strook grond aan de achterzijde van de percelen aan de [adres] is op 28 december 2006 door de gemeente overgedragen aan Woongoed. Volgens artikel 9 lid 11 onder c en d van de akte van levering, moet er in ieder geval een pad komen van minimaal anderhalve meter breed achter de achtertuinen van de woningen aan de [adres]. De Gemeente en Woongoed zullen over dat achterpad nog nader overleg voeren met de bewoners. Indien uit dat overleg blijkt dat het pad breder moet worden om daaroverheen ook met auto’s te gaan, is het Woongoed toegestaan om met de eigenaren ten aanzien van eigendom of het onderhoud van het achterpad afspraken te maken. In het kader van onderhandelingen over afstand van die grond door [naam] aan de Gemeente, heeft de Gemeente met [naam] afspraken gemaakt over onder meer het pad achter de woningen aan de [adres]. De gemeente heeft het gesprek en de afspraken bevestigd bij brief van 14 februari 2007. In die brief staat onder meer het volgende: “U stemt niet in met de aanleg van een brede brandgang langs de achterzijde van uw perceel die geschikt is voor het berijden door auto’s.”. De gemeente heeft [eiser] niet op de hoogte gebracht van dit standpunt van [naam]. [eiser] heeft een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de Gemeente. In haar advies van 7 mei 2010 komt de klachtencommissie tot de conclusie dat de Gemeente heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De commissie is van mening dat de Gemeente niet actief en adequaat de informatie aan [eiser] en de andere bewoners heeft verstrekt, waardoor er gedurende één jaar onduidelijkheid was over de gemaakte afspraken en de privaatrechtelijke consequenties daarvan.

2.

[eiser] vordert voor recht te verklaren dat de Gemeente zich jegens haar onrechtmatig heeft gedragen en zij vordert om de Gemeente te veroordelen om de door haar geleden schade ad € 24.500,00 te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van de Gemeente in de kosten van de procedure. [eiser] stelt dat zij schade heeft geleden doordat de Gemeente haar niet heeft geïnformeerd over de met [naam] gemaakte afspraken. Indien [eiser] van die afspraken op de hoogte was geweest, had zij afgezien van de bouw van de garage, omdat het doel van die garage, het parkeren van de eigen auto in de garage, niet bereikt kon worden. Nu staat er een garage die niet gebruikt kan worden voor het beoogde doel. De schade bestaat volgens [eiser] uit de kosten van de bouw van de garage ad € 18.600,00, buitengerechtelijke kosten ad € 833,00, kosten met betrekking tot bestuursrechtelijke procedures ad € 2.622,00 en wettelijke rente ad € 2.445,00.

3.

De Gemeente heeft de vordering bestreden. Primair stelt de Gemeente dat [eiser] niet ontvankelijk is in haar vordering omdat de bestuursrechter een bindende eindbeslissing heeft gegeven ten aanzien van de vraag of aan [eiser] dusdanige informatie is verstrekt dat zij daaraan een gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat het voor auto’s geschikte achterpad er zou komen. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 5 augustus 2009 geoordeeld dat [eiser] er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat het College eerst zou instemmen met het thans aan de orde zijnde bouwplan, indien daarbij was voorzien in de aanleg van een weg die toegankelijk is voor gemotoriseerd verkeer. Subsidiair stelt de gemeente dat het verstrekken van onvolledige informatie niet hoeft te leiden tot het aannemen van een onrechtmatige daad. Voorts stelt de Gemeente dat zij wel voldoende informatie aan [eiser] heeft verstrekt; volgens de gemeente heeft zij steeds laten weten dat zij bereid was om planologische medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een voor auto’s toegankelijk achterpad, maar dat zij steeds daarbij heeft gewezen op de voorwaarde dat alle bewoners daarmee akkoord moesten gaan. De gemeente wijst er op dat er wel een achterpad van 2,5 meter breed is gerealiseerd. Het pad is door middel van een paaltje afgesloten voor auto’s, aangezien niet alle bewoners instemden met het gebruik van het achterpad door auto’s. De Gemeente heeft geen afspraken gemaakt met [naam], anders dan over de grond die bij hem in gebruik was en het plaatsen van een muur op de kadastrale erfafscheiding. De Gemeente heeft slechts kennis genomen van het standpunt van [naam] dat hij niet wilde dat er auto’s van het achterpad gebruik zouden maken. Voorts betwist de Gemeente het causaal verband tussen eventueel onrechtmatig handelen en de beweerdelijk geleden schade. De auto van [eiser], een Porsche Cayenne, zou volgens de gemeente, gelet op de afmetingen en de plaatsing van de garage op het perceel, ook bij een wel voor auto’s toegankelijk achterpad niet in de garage kunnen komen. Ook betwist de Gemeente de hoogte van de schade. Door de bouw van de garage is de waarde van de onroerende zaak vergroot, zodat niet de gehele bouwsom voor vergoeding in aanmerking komt. Het door [eiser] betaalde griffierecht voor de bestuursrechtelijke procedures komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat de rechtbank en de Raad van State reeds over de griffiekosten en de kostenvergoeding voor rechtsbijstand hebben geoordeeld. Dergelijke kosten kunnen niet langs civiele weg worden gevorderd.

4.

De kantonrechter overweegt als volgt. Allereerst dient de vraag beantwoord worden of [eiser] ontvankelijk is in haar vordering. Indien voor [eiser] een administratieve rechtsgang heeft opengestaan die voldoende rechtsbescherming biedt, zal zij in deze procedure niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. In deze procedure gaat het -kort samengevat- om de vraag of de gemeente, door [eiser] niet, althans onvoldoende te informeren onrechtmatig heeft gehandeld. In de procedure bij de bestuursrechter ging het om de vraag of de Gemeente in redelijkheid vrijstelling en een bouwvergunning heeft kunnen verlenen aan Woongoed voor het bouwen van seniorenappartementen aan de [adres]. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat een andere vraag dan waarover het in deze procedure gaat. De kantonrechter is van oordeel dat door de beslissing van de bestuursrechter nog geen bindende eindbeslissing is gegeven op de vraag of de gemeente zich in civielrechtelijke zin onrechtmatig jegens [eiser] heeft gedragen. Er is dus geen sprake van formele rechtskracht van beslissingen van de bestuursrechter met betrekking tot een al dan niet onrechtmatige overheidsdaad. Het verweer van de Gemeente strekkende tot het niet ontvankelijk verklaren van [eiser] faalt daarom.

5.

Vervolgens gaat het om de vraag of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door haar niet, althans niet tijdig op de hoogte te brengen van de door de Gemeente met [naam] gemaakt afspraken.

Vast staat dat de gemeente [eiser] niet heeft geïnformeerd over de met [naam] gemaakte afspraken. Uit de aard van die afspraken en de door [naam] gedane mededelingen volgt dat vast stond dat [eiser] het achterpad niet kon gebruiken om met de auto de te bouwen garage te bereiken. Dat het niet informeren van een burger door een overheidsorgaan per definitie niet onrechtmatig zou zijn, zoals door de Gemeente betoogd, volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet uit de door de Gemeente aangehaalde jurisprudentie. In deze zaak heeft de Gemeente kennis genomen van het standpunt van een burger en met hem civielrechtelijke afspraken gemaakt. De kantonrechter is van oordeel dat het niet, althans niet tijdig informeren van [eiser] over het standpunt van [naam] en de met hem gemaakte afspraken, mede gelet op de omstandigheid dat de Gemeente wist dat de inhoud daarvan van belang was voor [eiser], in strijd is met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt. Door na te laten [eiser] te informeren heeft de Gemeente [eiser] in de veronderstelling gelaten dat een voor auto’s toegankelijk achterpad nog een mogelijkheid was. De kantonrechter kwalificeert dit nalaten van de Gemeente als onrechtmatig handelen.

6.

De volgende vraag die beantwoord moet worden is of er een causaal verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen van de Gemeente en de schade die [eiser] stelt te hebben geleden. Het moet [eiser] bekend zijn geweest dat de Gemeente steeds heeft gesteld dat zij bereid was in planologische zin mee te werken aan de totstandkoming van een achterpad, maar dat het achterpad alleen door auto’s gebruikt kon worden indien geen van de bewoners daartegen bezwaar had. Door de garage te bouwen, terwijl [eiser] niet met zekerheid wist of alle bewoners akkoord gingen met gemotoriseerd vervoer over het achterpad, heeft [eiser] een zeker risico genomen. Anderzijds wist de gemeente na het gesprek met [naam] met zekerheid dat het pad niet gebruikt kon worden voor gemotoriseerd verkeer en heeft ze van die wetenschap geen mededeling gedaan aan [eiser]. Indien [eiser] dat tijdig had geweten had zij de garage niet laten (af)bouwen, in die zin is er condicio sine qua non-verband.

7.

De gemeente heeft de hoogte van de gestelde schade betwist. Dat verweer treft deels doel. De totale bouwkosten van de garage zijn niet als de schade aan te merken omdat de waarde van het perceel met nieuwe garage hoger moet worden geacht dan de waarde van het perceel met een oud schuurtje. Bovendien bestaat in de toekomst de mogelijkheid dat de garage alsnog gebruikt zal kunnen worden om er een auto in te stallen. Ook is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van medeschuld aan de zijde van [eiser]. Door te beginnen met de bouw van de garage, zonder daarbij de zekerheid te hebben dat alle bewoners wier tuin grensde aan het achterpad, instemden met het gebruik van dat achterpad door auto’s, heeft [eiser] zelf ook een zeker risico genomen dat de garage niet gebruikt kon worden om de auto in te stallen. Het verweer van de Gemeente dat [eiser] ook bij een wel voor auto’s toegankelijk achterpad haar auto niet in de garage had kunnen parkeren gezien de afmetingen van de auto, heeft de Gemeente, na betwisting door [eiser] onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter verwerpt dat verweer dan ook. Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt de kantonrechter die medeschuld vast op 50%. Aangezien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal de kantonrechter de schade overeenkomstig artikel 6:97 BW schatten en wel, rekening houdende met de hiervoor genoemde omstandigheden, op een bedrag van € 6.000,00. Aangezien er sprake is van medeschuld, zal de kantonrechter de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.000,00. De rentevordering zal worden toegewezen vanaf de dagvaarding.

8.

De vordering tot vergoeding van het griffierecht dat betaald is in de bestuursrechtelijke procedures vindt geen steun in het recht. Over deze kosten is reeds een bindende eindbeslissing genomen door de bestuursrechter. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden toegewezen tot een bedrag van € 544,50, omdat die vordering onvoldoende gemotiveerd is betwist en voldoende gebleken is dat [eiser] deze kosten heeft gemaakt. Voor wat betreft de hoogte van deze vordering heeft de kantonrechter aansluiting gezocht bij de toegewezen hoofdsom.

9.

De Gemeente dient als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

de beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt de Gemeente om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2012 tot de dag der voldoening;

veroordeelt de Gemeente om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 544,50;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding, welke aan de zijde van [eiser] tot op heden worden begroot op € 1.052,64, waaronder begrepen een bedrag van € 525,00 wegens salaris van de gemachtigde van [eiser];

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.J.C. van Spronssen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.