Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7911

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
18-09-2014
Zaaknummer
C/12/87451 / HA ZA 13-38
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over verklaring van derde beslagene. Aard van het geschil brengt mee dat geen vernietiging van rechtshandeling kan worden gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht


Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/12/87451 / HA ZA 13-38

Vonnis van 9 oktober 2013

in de zaak van

1. de besloten vennootschap naar vreemd recht

[eiser 1] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [adres],

2. [eiser 2],

wonende te [adres],

eisers,

advocaat mr. F.J. Van Eeckhoutte te Amersfoort,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [adres],

gedaagde,

advocaat mr. H.A.C. Klein Hesselink te Terneuzen.

1 De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 mei 2013
- het proces-verbaal van comparitie van 6 augustus 2013.

2 De feiten

2.1.

Op 6 december 2012 is op verzoek van eisers executoriaal derdenbeslag gelegd onder gedaagde. Er is onder andere beslag gelegd op 46 in het beslagrekest genoemde domeinnamen.

2.2.

Voornoemd beslag is gelegd ter verzekering van een gepretendeerde vordering van eisers van ruim € 100.000,-- op [schuldenaar A] en zijn vennootschap [de BV] (verder afzonderlijk aangeduid als: [A] en de BV, en gezamenlijk als: de schuldenaren), wegens het niet voldoen door de schuldenaren aan een arrest van het gerechtshof te s’-Hertogenbosch van 1 mei 2012.

2.3.

Gedaagde is de echtgenote van [A]. Zij zijn op 2 maart 2010 met elkaar gehuwd onder bepaalde uitsluiting van huwelijksgoederengemeenschap.

2.4.

Op 2 januari 2013 heeft gedaagde een zogenaamde verklaring derdenbeslag afgelegd. Zij heeft verklaard “dat er tussen haar en de schuldenaren geen enkele rechtsverhouding bestaat of bestaan heeft, uit hoofde waarvan de schuldenaren op het tijdstip van het beslag nog iets van de derde had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen.”

2.5.

Bij de overgelegde stukken bevindt zich een huurovereenkomst d.d. 1 juli 2011 tussen gedaagde en [A], waarbij [A] van gedaagde, naast diverse kantoorartikelen, de domeinnamen zoals weergegeven op een aan de huurovereenkomst gehechte lijst, huurt. Tevens bevindt zich bij deze stukken een brief van [A] van 1 juli 2012, waarbij hij de huurovereenkomst per 1 oktober 2012 opzegt.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen  samengevat - :
A.
de rechtshandeling waarmee gedaagde zich bij de registry’s als houder van/rechthebbende op de in productie 6 bij de dagvaarding genoemde 151 domeinnamen heeft geregistreerd of heeft laten registreren en de rechtshandeling waarmee zij de huurovereenkomst met [A] d.d. 1 juli 2011 heeft gesloten te vernietigen en voor recht te verklaren dat [A] en/of de BV houder/rechthebbende zijn van de betreffende domeinnamen;
B.
primair:
1. gedaagde te veroordelen een schriftelijke en door haar ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen, met inachtneming van hetgeen eisers in de dagvaarding hebben gesteld met betrekking tot hetgeen gedaagde van [A] en/of de BV onder zich heeft, en/of aan [A] en/of de BV verschuldigd is, en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [A] en de BV zal verkrijgen, en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [A] en de BV verschuldigd zal worden;
2. gedaagde te veroordelen, nadat die verklaring door gedaagde zal zijn afgelegd en door de rechtbank zal zijn bepaald hetgeen zij onder zich heeft en/of aan [A] en/of de BV verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [A] en de BV zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [A] en de BV verschuldigd zal worden, tot het ter ten uitvoerlegging af- en overdragen van zodanige gelden en/of goederen, voor zover deze het totale bedrag dat eisers ingevolge het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 1 mei 2012 van [A] en de BV te vorderen hebben, niet overtreffen;
subsidiair:
gedaagde te veroordelen om aan eisers tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van € 100.087,24, vermeerderd met rente;

C.

gedaagde te veroordelen in de proceskosten, alsmede de nakosten.

3.1.1.

Eisers leggen aan hun vorderingen de volgende stellingen ten grondslag.
Zij betwisten de juistheid van de derden-verklaring van gedaagde om verschillende redenen. Zij betwisten onder meer dat er tussen de echtelieden effectief sprake is van een huurovereenkomst. Daarnaast stellen zij dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de domeinnamen weliswaar geregistreerd staan op naam van gedaagde, maar dat deze in feite eigendom zijn van (één van) de schuldenaren.

Gelet daarop moet het er volgens eisers voor worden gehouden dat de 151 domeinnamen in kwestie van (één van) de schuldenaren zijn en op naam van gedaagde zijn gezet om verhaalsmogelijkheden op de schuldenaren te verhinderen of te beperken.
Dat gedaagde zich bij de registry’s als houder heeft geregistreerd van de betreffende domeinnamen is een onverplichte rechtshandeling waarvan gedaagde wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van eisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn.
Eisers roepen daarom vernietiging van die rechtshandeling in op grond van de artikelen 3:45 tot en met 3:51 BW.
Eisers roepen voorts de vernietiging in van de rechtshandeling waarmee gedaagde de huurovereenkomst is aangegaan met [A], eveneens op grond van voornoemde artikelen.
Van gedaagde mag worden verlangd dat zij afschriften van bescheiden in het geding brengt waaruit blijkt dat zij niets is verschuldigd aan de schuldenaren. Indien gedaagde niet aan deze verplichting voldoet, komt dat neer op een weigering om mee te werken aan het afleggen van een deugdelijke gerechtelijke verklaring. Gedaagde moet op grond van het bepaalde in artikel 477a lid 1 Rv worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor beslag is gelegd, als ware zij daarvan zelf schuldenaar.

3.2.

Gedaagde voert verweer. Zij concludeert dat de vorderingen van eisers als ongegrond en onbewezen dienen te worden afgewezen, met veroordeling van eisers in de proceskosten.
Gedaagde voert aan dat zij geen goederen van haar echtgenoot onder zich heeft, noch vorderingen heeft op hem, noch hem iets verschuldigd is. Er is geen enkele reden te twijfelen aan de registratie van gedaagde als gerechtigde op de door eisers bedoelde domeinnamen. Er is voorts geen enkele grond om rechtshandelingen van gedaagde als paulianeus te vernietigen.

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de huurovereenkomst door [A] is opgezegd.
Nu de huur is opgezegd heeft gedaagde uit dien hoofde niets van [A] onder zich. Bovendien was gedaagde als verhuurster niets verschuldigd aan [A] als huurder.
Nu eisers zelf stellen dat er geen sprake is (geweest) van een huurovereenkomst, ligt het voor de hand om ervan uit te gaan dat er inderdaad geen huurovereenkomst is en heeft gedaagde derhalve ook niets van [A] te vorderen. Er is geen reden om de rechtshandeling waarmee de huurovereenkomst tot stand is gekomen alsnog te vernietigen.

Gedaagde betwist dat [A] eigenaar/rechthebbende is van de betreffende domeinnamen. Hetgeen eisers hiertoe aanvoeren rechtvaardigt niet die conclusie. De betreffende domeinnamen zijn geregistreerd op naam van gedaagde en zij is aldus rechthebbende.
Voor een rechtsgeldig beroep op pauliana dienen eisers eerst aan te tonen welke rechtshandeling van [A] ertoe heeft geleid dat de domeinnamen op naam van gedaagde staan geregistreerd. Aan de registratie is geen rechtshandeling van [A] te pas gekomen.
Eisers hebben bovendien niet aangetoond dat er sprake is van benadeling van schuldeisers van [A]. De betreffende domeinnamen hebben geen financiële waarde.
Tenslotte voert gedaagde aan dat, als er niets is, er ook weinig tot niets met bescheiden valt te onderbouwen.

4 De beoordeling

4.1.

Ten aanzien van de vordering van eisers onder A overweegt de rechtbank als volgt.

Met betrekking tot de vordering tot vernietiging van de rechtshandeling waarmee gedaagde de huurovereenkomst met [A] heeft gesloten, geldt het volgende.
De grondslag van de vorderingen van eisers is artikel 477a Rv. Eisers stellen hiertoe dat gedaagde in strijd met de waarheid heeft verklaard niets van de schuldenaren onder zich te hebben. In geval van de betreffende huurovereenkomst is gedaagde de verhuurster en [A] de huurder. De vraag of de huurovereenkomst al dan niet bestaat, is in dit geval niet relevant, nu gedaagde als verhuurster niets van [A] onder zich heeft, dan wel verschuldigd is aan [A]. De vordering wordt reeds om die reden afgewezen.

Ten aanzien van de vordering tot vernietiging van de rechtshandeling waarmee gedaagde zich bij de registry’s als houder van/rechthebbende op de in productie 6 genoemde 151 domeinnamen heeft geregistreerd of heeft laten registreren overweegt de rechtbank als volgt. Eisers gronden hun vordering op de artikelen 3:45 tot en met 3:51 BW, de zogenaamde pauliana. De pauliana is een middel waarmee een schuldeiser kan opkomen tegen door zijn schuldenaar onverplicht verrichte rechtshandelingen die hem in zijn verhaalsmogelijkheden benadelen. In casu betreft de te vernietigen rechtshandeling echter niet een rechtshandeling van de schuldenaar, zoals eisers zelf stellen, maar een rechtshandeling van gedaagde, niet zijnde de schuldenaar. De vordering, gericht tegen gedaagde, is dan ook gebaseerd op een onjuiste grondslag en dient om die reden te worden afgewezen.

De vordering om voor recht te verklaren dat [A] en/of de BV houder/rechthebbende zijn van de betreffende domeinnamen, vloeit voort uit de vordering tot vernietiging van de rechtshandelingen met betrekking tot de huurovereenkomst en de registratie. Nu de vordering met betrekking tot de vernietiging van de betreffende rechtshandelingen wordt afgewezen, treft de vordering met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht hetzelfde lot. Dit geldt ook voor de vorderingen onder B en C.

4.2.

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten van gedaagde worden tot dusver begroot op
- griffierecht € 75,00

- salaris advocaat € 904,00

Totaal € 979,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van eisers af,

5.2.

veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 979,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2013.1

1 FM