Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7910

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-06-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
242787 / 12-3465
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Verhuurder vordert jegens twee huurders ontbinding huurovereenkomst n.a.v. vete tussen buren. Verhuurder stelt dat de ene huurder aansprakelijk is voor de misdragingen van de andere huurder. Niet voldoende daarvoor is de stelling dat de ene huurder niet bereid is daarvan afstand te nemen. Toepassing van HR 22 juni 2007 NJ 2008, 352. De uit art. 7:219 BW voortvloeiende zorgplicht gaat niet zover dat een huurder jegens de verhuurder verplicht is de houding en het gedrag van de levenspartner tegenover buren af te keuren. Een morele verplichting, die mogelijk wel zou kunnen worden aangenomen, is nog geen rechtsplicht ten opzichte van de verhuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

[Zaaknummer] [Rolnummer]

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 242787 / 12-3465

vonnis van de kantonrechter d.d. 10 juni 2013

in de zaak van

de stichting

Stichting l’Escaut,

gevestigd te Vlissingen,

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in reconventie,

verder te noemen: l’Escaut,

gemachtigde: mr. M.W. Dieleman,

t e g e n :

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen A] en

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen B] ,

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

verder te noemen: [A] en [B],

gemachtigde: mr. J. van de Watering.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 17 augustus 2012,

- conclusies van antwoord, repliek en dupliek in conventie, respectievelijk tevens van eis, antwoord en repliek in reconventie,

- conclusie van dupliek in reconventie.

de beoordeling van de zaak

in conventie en in reconventie:

1.1. [A] en [B] huren sinds 23 februari 2006 de woning aan de[adres] te [woonplaats] van l'Escaut. Hun buurvrouw op nummer [huisnummer] is [buurvrouw] en hun overbuurvrouw op nummer [huisnummer] is [overbuurvrouw]. Zij wonen al 46 jaar in de [adres]. Al enkele jaren zijn er ernstige problemen tussen [A] enerzijds en [buurvrouw] en [overbuurvrouw] anderzijds. Hiervan zijn politiemutaties bekend vanaf juli 2011.

1.2. l'Escaut heeft in kort geding ordemaatregelen gevorderd jegens [A] om te komen tot de-escalatie. [A] heeft die vorderingen bestreden en van zijn kant een bevel gevorderd om ervoor te zorgen dat [buurvrouw] en [overbuurvrouw] hem geen overlast bezorgen. Bij vonnis in kort geding van 3 september 2012 zijn deze vorderingen over en weer afgewezen. Daarbij is overwogen dat er in de [adres] duidelijk wat aan de hand is en dat daar geen normale woonsituatie is, maar dat niet kan worden vastgesteld wie de onruststoker is, terwijl bovendien de gevorderde maatregelen niet zullen leiden tot de-escalatie, integendeel. Voorts zijn in het vonnis buurtbemiddeling en vrijwillige verhuizing aangedragen als mogelijke oplossingen.

2.1. Tegelijk met de dagvaarding in kort geding heeft l'Escaut doen dagvaarden in deze bodemprocedure. l'Escaut heeft de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning gevorderd. Daartoe heeft l'Escaut aangevoerd:

[buurvrouw] en [overbuurvrouw] worden al ruim een jaar door [A] geterroriseerd. Dat bestaat eruit dat [A] hen beiden bedreigt, hard tegen hen schreeuwt, vloekt en tiert en hen uitscheldt en valse aangiften tegen hen doet. Het gebeurt met een zekere regelmaat dat [A] zichzelf verwondt en dan de schuld geeft aan [buurvrouw] of [overbuurvrouw] en hun kinderen. Voorts komt het voor dat [A] vernielingen aanricht in zijn woning en dan ook weer de schuld geeft aan de buren of hun kinderen. Bovendien schijnt [A] soms met groot licht in de woning van [buurvrouw] en maakt hij opnamen van hen met een camera. [A] heeft vele malen klachten geuit over [overbuurvrouw] en [buurvrouw] bij de politie en bij l'Escaut. De politie en l'Escaut hebben deze klachten onderzocht en daarbij is naar voren gekomen dat [A] zelf de overlast veroorzaakt.

De overlast wordt vooral veroorzaakt door [A], maar [B] is niet bereid om enige afstand van het gedrag van [A] te nemen en zij is niet bereid of in staat om te voorkomen dat [A] overlast veroorzaakt. Zij is daarvoor mede verantwoordelijk.

[A] en [B] gedragen zich niet als een goed huurder. Hun tekortkomingen zijn gezien hun aard zo ernstig dat deze een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen.

2.2. [A] en [B] hebben ontkend en bestreden dat zij overlast veroorzaken. Zij stellen dat [buurvrouw] en [overbuurvrouw] aan hen ernstige overlast veroorzaken en hebben daarom in reconventie de veroordeling – op straffe van een dwangsom – van l'Escaut gevorderd tot het treffen van rechtsmaatregelen tegen [buurvrouw] en [overbuurvrouw] in verband met de overlast die zij jegens [A] en [B] veroorzaken. Die overlast bestaat volgens hen uit tal van onrechtmatige gedragingen:

Vanuit de woning van [overbuurvrouw] is een camera gericht op de woning van [A] en [B]. Ook worden zij sinds jaar en dag bedreigd door voornamelijk de kinderen van [buurvrouw] en [overbuurvrouw]. Deze bedreigingen lopen steeds meer uit de hand. De dochter van [overbuurvrouw] heeft de deur van de woning van [A] en [B] ondergespuugd en daar vervolgens haar sigaret in uitgedrukt. Dit is meermalen voorgekomen. Op 12 juli 2012 heeft [overbuurvrouw] met haar auto ingereden op de moeder van [A]. De overlast bestaat voorts uit vernieling van de woning en mishandeling. Regelmatig wordt er met groot licht in de slaapkamer van [A] en [B] geschenen.

Na het kort geding is de situatie nauwelijks veranderd. Bijna iedere dag wordt er glas, afval en andere voorwerpen bij [A] en [B] in de tuin gegooid. Zij voelen zich machteloos en niet veilig in hun eigen woning. Zij zijn op zoek naar een nieuwe woning, maar het is moeilijk een vervangende woning te vinden voor een vergelijkbare prijs. Zij zijn beiden arbeidsongeschikt en aangewezen op een uitkering. Hun urgentieaanvraag is op 4 september 2012 afgewezen.

3.1. [B] is als huurster binnen de grenzen van art. 7:219 BW jegens l'Escaut aansprakelijk voor gedragingen van [A] als medehuurder. Deze bepaling brengt echter niet mee dat een vordering tot beëindiging van een huurovereenkomst reeds toewijsbaar is op de enkele grond dat personen die met goedvinden van de huurder het gehuurde gebruiken of zich daarop bevinden, gedragingen hebben verricht die weliswaar niet tot schade aan het gehuurde hebben geleid, maar die, als zij zouden zijn verricht door de huurder, in strijd zouden zijn met diens verplichting zich als een goed huurder te gedragen en bovendien voldoende ernstig zijn om beëindiging van de opgezegde huurovereenkomst te rechtvaar-digen. Beslissend is of geoordeeld moet worden dat de huurder zich, in het licht van die gedragingen, zelf niet als een goed huurder heeft gedragen. Bij de beantwoording van de vraag of hiervan sprake is, dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de vraag of er een voldoende verband bestaat tussen die gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Daarvan is in elk geval sprake indien de huurder van (het voornemen tot) die gedragingen op de hoogte was, of daarmee ernstig rekening had te houden, maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs van hem te verlangen maatregelen te treffen. (Hoge Raad 22 juni 2007, NJ 2008, 352)


3.2. Niet kan worden geoordeeld dat [B] zelf zich niet als een goed huurder heeft gedragen. Van de toelating van [A] tot het gehuurde kan [B] geen enkel verwijt worden gemaakt, aangezien [A] daarop als huurder een eigen recht heeft. Voorts zijn de gedragingen van [A], zoals door l'Escaut beschreven, niet voorspelbaar. Daarom valt niet in te zien welke maatregelen [B] zou moeten treffen om wangedrag van [A] vanuit de gehuurde woning te voorkomen. Daar komt nog bij dat [B], naar l'Escaut zelf stelt, niet in staat is om te voorkomen dat [A] overlast veroorzaakt. Het door l'Escaut gestelde feit dat [B] niet bereid is om enige afstand van het gedrag van [A] te nemen, is geen feit dat een beëindiging van de huurovereenkomst zou kunnen rechtvaardigen. Voorts kan vooralsnog worden aangenomen dat het op het gedrag van [A] niet van invloed zou zijn, wanneer [B] zijn gedrag tegenover buren zou afkeuren. Daarbij moet overigens bedacht worden dat de uit art. 7:219 BW voortvloeiende zorgplicht niet zover gaat dat een huurder jegens de verhuurder verplicht is de houding en het gedrag van de levenspartner tegenover buren in het algemeen af te keuren. Een morele verplichting, die mogelijk wel zou kunnen worden aangenomen, is nog geen rechtsplicht ten opzichte van de verhuurder. De conclusie is dat de vorderingen in conventie jegens [B] op de aangevoerde grond van ontoelaatbare overlast niet kunnen worden toegewezen.

4.1. In de dagvaarding heeft l'Escaut melding gemaakt van een aanzienlijke huurachter-stand van € 3.750,-. Bij conclusie van repliek in conventie heeft l'Escaut meegedeeld dat zij de huurachterstand niet ten grondslag heeft gelegd aan de vordering tot ontbinding. l'Escaut is van mening dat de huurachterstand wel een rol kan spelen bij de beoordeling of de tekortkoming ernstig genoeg is om de ontbinding te rechtvaardigen. Hierin volgt de kantonrechter l'Escaut niet. Nu l'Escaut de huurachterstand niet ten grondslag heeft gelegd aan de vordering tot ontbinding, staat deze thans niet ter beoordeling, ook niet in het kader van de vraag of er ontoelaatbare overlast wordt veroorzaakt aan buren.

4.2. Gelet op het voorgaande zal de kantenrechter aan l'Escaut gelegenheid geven om zich te bezinnen op haar standpunt omtrent de huurachterstand. [A] en [B] mogen reageren.

de beslissing

De kantonrechter:

in conventie en in reconventie:

verwijst deze zaak naar de rolzitting van woensdag 10 juli 2013 te 10.00 uur, opdat l'Escaut gelegenheid heeft zich bij akte uit te laten als onder 4.2. overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.