Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7757

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
STR-12_705776
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dodelijk ongeval matroos; verdenking dood door schuld; meerdere scenario’s denkbaar; vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 12/705776-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 oktober 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1941 te [geboorteplaats]

wonende te [adres],

raadsvrouw mr. J.G. Cabboort, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 oktober 2013, waarbij de officier van justitie mr. G.V. van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

hij op of omstreeks 23 december 2011 te Bruinisse, gemeente

Schouwen-Duiveland, in elk geval in Nederland,

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig

als schipper en/of gezagvoerder van het gekoppeld samenstel-duwstel [schip 1]

en[schip 2]

in de stuurhut (van de [schip 1]) alwaar monitoren aanwezig waren die het

mogelijk maakten om het werk aan dek (van de [schip 2]), te weten de

werkzaamheden van de heer [slachtoffer], die belast was met het losmaken van de

trossen/touwen/het meereind, te volgen en alwaar voldoende

communicatiemiddelen aanwezig waren (te weten marifoon en/of portofoons en/of

porto marifoons) om te communiceren met die [slachtoffer], die over een porto

marifoon, althans een communicatiemiddel, beschikte,

zich er tijdens/bij het uitvaren van de Krammersluis - ondanks de aanwezigheid

van die hulpmiddelen - onvoldoende van heeft vergewist of de matroos op het

voorschip (van de [schip 2]), de heer [slachtoffer], die belast was met het

ontmeren/losmaken van het voorschip, het voorschip daadwerkelijk had

ontmeerd/losgemaakt

en/of is hij, verdachte, weggevaren uit de Krammersluis voordat voornoemde

[slachtoffer] de tros/het touw/het meereind tussen het voorschip en de sluis los had

gemaakt,

waardoor door de voorwaartse kracht van het samenstel-duwstel de tros/het

touw/het meereind is geknapt en (vervolgens) in aanraking is gekomen met het

lichaam van [slachtoffer] voornoemd,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zodanig

letsel, te weten ernstig inwendig letsel (bloedingen borstholte, milt, longen,

breuken), heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

art 307 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 23 december 2011 in de gemeente Bruinisse, gemeente

Schouwen-Duiveland, in elk geval in Nederland, als schipper en/of gezagvoerder

van het gekoppeld samenstel-duwstel [schip 1] en [schip 2], daarmede varende in de

Krammersluis, gelegen tussen het vaarwater Zijpe en Krammer, zijnde (een)

openba(a)r(e) voor de scheepvaart openstaand(e) water(en) in het Rijk gelegen,

terwijl uitdrukkelijke voorschriften in het Binnenvaartpolitiereglement

ontbraken, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goede

zeemanschap en/of door omstandigheden waarin dat schip of dat samenstel zich

bevond in het belang van de veiligheid en/of de goede orde van de scheepvaart

waren geboden, teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd

gebracht en/of de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in

gevaar werd gebracht, immers heeft hij, verdachte,

als schipper en/of gezagvoerder van het gekoppeld samenstel-duwstel [schip 1]

en [schip 2]

in de stuurhut (van de [schip 1]) alwaar monitoren aanwezig waren die het

mogelijk maakten om het werk aan dek (van de [schip 2]), te weten de

werkzaamheden van de heer [slachtoffer], die belast was met het losmaken van de

trossen/touwen/het meereind, te volgen en alwaar voldoende

communicatiemiddelen (marifoon en/of portofoons en/of porto marifoons)

aanwezig waren om te communiceren met die [slachtoffer], die over een porto marifoon,

althans een communicatiemiddel, beschikte,

zich er tijdens/bij het uitvaren van de Krammersluis - ondanks de aanwezigheid

van die hulpmiddelen - onvoldoende van vergewist of de matroos op het voordek

(van de [schip 2]), de heer [slachtoffer], die belast was met het

ontmeren/losmaken van het voorschip, het voorschip daadwerkelijk had

ontmeerd/losgemaakt

en/of is hij, verdachte, weggevaren uit de Krammersluis voordat voornoemde

[slachtoffer] de tros/het touw/het meereind tussen het voorschip en de sluis los had

gemaakt,

waardoor door de voorwaartse kracht van het samenstel-duwstel de tros/het touw

is geknapt en (vervolgens) in aanraking is gekomen met het lichaam van [slachtoffer]

voornoemd;

zijnde de terminologie in deze telastelegging gebezigd in de zin van het

Binnenvaartpolitiereglement;

art 1.04 ahf/ond a Binnenvaartpolitiereglement

art 1.04 ahf/ond b Binnenvaartpolitiereglement

art 1.04 ahf/ond c Binnenvaartpolitiereglement

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat het aan de schuld van verdachte is te wijten dat het slachtoffer is overleden en vordert dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Hij voert daartoe aan dat niet met zekerheid vast te stellen is of verdachte zich er onvoldoende van heeft vergewist dat het schip los was. Het door verdachte ter zitting geschetste alternatieve scenario is niet onaannemelijk. Daardoor kan niet worden gesteld dat verdachte niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen om te voorkomen dat het leven van een persoon in gevaar kon worden gebracht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat het overlijden van het slachtoffer te wijten is aan de schuld van verdachte, nu verdachte geen enkel rechtens relevant verwijt kan worden gemaakt van het feit dat de tros geknapt is, gesteld al dat het letsel van het slachtoffer daardoor is veroorzaakt. Verdachte had niet anders kunnen en moeten handelen dan hij heeft gedaan. Van enige onvoorzichtigheid was geen sprake, laat staan van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen of nalaten. Het slachtoffer heeft aan verdachte via de portofoon bevestigd dat het samenstel los was. Er bestond voor verdachte geen aanleiding te denken dat de tros niet los was. Immers, hij zag op de monitor dat de tros van de scheepsbolder was losgemaakt en het samenstel kwam ook zonder problemen in beweging. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat het slachtoffer zijn verwondingen op een andere wijze heeft opgelopen, bijvoorbeeld doordat hij van de roef is gevallen, op een bolder of op de stackerhengel die in het gangboord lag. Gesteld al dat bewezen kan worden dat verdachte de hulpmiddelen onvoldoende heeft ingezet dan blijkt uit de tenlastelegging niet van bijkomende feiten en omstandigheden waardoor dit handelen niet slechts onvoorzichtig maar aanmerkelijk onvoorzichtig was zodat het bestanddeel ‘schuld’ niet bewezen kan worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte was op 23 december 2011 samen met het latere slachtoffer en vier andere personen aan boord van het binnenvaartschip [schip 1]. De [schip 1]is een duwstel motorvrachtschip met daarvoor een duwbak. Die dag omstreeks 01:15 uur lag het schip afgemeerd in de Krammersluis te Bruinisse en hadden drie personen dienst: verdachte was de schipper en gezagvoerder van het schip, het slachtoffer was als matroos op het voordek belast met het ontmeren van het voorschip en de heer [getuige] was als matroos op het achterdek belast met het ontmeren van het achterschip. De overige personen, waaronder de eigenaar van het schip, waren op dat moment vrij en lagen te slapen. De communicatie aan boord vond plaats door middel van een marifoon. Het visuele contact aan boord was gelet op de afmetingen van het schip en de lading grotendeels afhankelijk van camera’s.

Omstreeks 01:45 uur kwam het slachtoffer zwaargewond de woning op het voorschip binnen. Hij is aan boord gereanimeerd, terwijl het schip is doorgevaren naar de eerstvolgende sluis. Vervolgens is het slachtoffer door een ambulance overgebracht naar het Erasmus ziekenhuis te Rotterdam, alwaar hij vermoedelijk door zuurstofgebrek van de hersenen op 25 december 2011 is overleden.

In de processen-verbaal van bevindingen van de inspectiedienst en de waterpolitie staat dat het meereind (touw/tros) in zijn geheel uit de voorpiek is gekomen. Een in het meereind geknoopt oog zat om een bolderpen van één van de vier bolders op het voordek. Het andere uiteinde van het meereind, dat afgescheurd dan wel gebroken bleek te zijn, hing in het water. Het meereind heeft in de volle lengte overboord gelegen. Het oog waarmee in de Krammersluis aan de kade was afgemeerd is aangetroffen aan één van de bolders in de kademuur van de Krammersluis. Dit kan betekenen dat tijdens het ontmeren in de Krammersluis het meereind niet tijdig van de bolder van de sluismuur is losgehaald. Hierdoor kan de volledige lengte van het meereind vanuit de voorpiek aan dek worden getrokken. Wanneer het andere oog achter de bolder blijft steken komt er dusdanige kracht op het meereind dat dit kan breken.

Verdachte wordt het verwijt gemaakt dat hij uit de Krammersluis is weggevaren alvorens hij zich er - ondanks de aanwezigheid van hulpmiddelen - voldoende van had vergewist dat het slachtoffer het meereind ook daadwerkelijk los had gemaakt. Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtofferdoor de marifoon heeft horen zeggen ‘ist los’. Hij heeft op de camera gekeken en zag geen touw meer om de bolders op het voorschip. Verdachte is er dan ook vanuit gegaan dat het voorschip los was en heeft, aangezien het achterschip daarvoor al los was gemaakt, de motor aangezet. Hij werd bevestigd in zijn oordeel dat het schip los was doordat het schip zich voorwaarts in beweging zette. Als het touw om de bolder op het voordek nog niet los was geweest, was het schip absoluut niet in beweging gekomen, aldus verdachte. In het dossier bevinden zich geen stukken die de lezing van verdachte weerspreken. Verdachte vermoedt achteraf dat het meereind aan de kademuur nog niet los was, dat het gehele meereind bij het wegvaren uit het voordek is getrokken en dat de geknoopte lus in het uiteinde om één van de bolders is geslagen waardoor het meereind bij het wegvaren strak is getrokken en vervolgens is geknapt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het vermoeden bestaat dat het meereind gebroken is en met grote kracht tegen het lichaam van het slachtoffer is geslagen als gevolg waarvan hij is overleden. Dit is echter niet met zekerheid vastgesteld kunnen worden, omdat er geen sectie meer op het lichaam van het slachtoffer heeft kunnen plaatsvinden. Bovendien is gebleken dat er meerdere aannemelijke scenario’s mogelijk zijn waardoor het slachtoffer het letsel heeft kunnen opgelopen. Reeds om die reden komt de rechtbank niet tot een feitenvaststelling van hetgeen op 23 december 2011 kort na middernacht is gebeurd. Nu daardoor niet kan worden vastgesteld of het door het slachtoffer geleden letsel en zijn overlijden het gevolg zijn van enig handelen of nalaten van verdachte, dient verdachte op die grond te worden vrijgesproken van het primair aan hem ten laste gelegde. Gelet op het vorenstaande dient verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, nu ook dit verwijt berust op een lezing van de feiten die niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 19.200,00 ter zake van immateriële schade.

Nu verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

6 De overwegingen omtrent het beslag

De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat het in beslag genomen touw aan de rechthebbende zal worden teruggegeven.

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier weliswaar een beslaglijst bevindt, maar dat de eigenaar van het samenstel-duwstel [schip 1] en[schip 2] en derhalve ook van het in beslag genomen touw, op 29 maart 2012 schriftelijk afstand heeft gedaan van dit voorwerp. Naar het oordeel van de rechtbank behoeft er dan ook geen beslissing te worden genomen met betrekking tot deze vordering.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde], wonende te[adres en woonplaats benadeelde partij], niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Duinhof, voorzitter, mr. R.A. Borm en mr. J.B. Smits, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P.M. Philipsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 oktober 2013.