Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7606

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-10-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
02-800294-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van twee overvallen c.q. berovingen. Hij heeft onder dreiging met een neppistool medewerkers van twee casino’s gedwongen hem geld te geven. Op verdachte werd het jeugdstrafrecht toegepast, gelet op zijn persoonlijkheid. Verdachte kreeg een PIJ-maatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800294-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 oktober 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda,

raadsman mr. Loevendie, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 oktober 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Gimbrère, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 01 april 2013 te Breda met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 1390 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [casino], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat verdachte met gestrekte arm met in zijn hand een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] is afgelopen en/of dat vuurwapen/ voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "geld, geld" en/of "schiet op man, doe nou niet zo moeilijk, schiet op",

althans woorden van soortgelijke aard en strekking;

(artikel 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Feit 2

hij op of omstreeks 26 maart 2013 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 2395 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [casino 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn hand heeft gehouden en/of dat vuurwapen/voorwerp aan die [slachtoffer 2] heeft getoond en/of (daarbij) die [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "geld, geld, geld" en/of "move move move", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

(artikel 317 lid 1 en artikel 312 lid 2 aanhef, sub 2, Wetboek van Strafrecht).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 1 april 2013 te Breda [casino] heeft overvallen met behulp van een balletjespistool (feit 1) en daarbij een bedrag van € 1.390,= heeft buitgemaakt. Zij baseert zich daarbij onder meer op de aangifte van het casino, de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 1], de beschikbare camerabeelden, de verklaringen van diverse getuigen, het onderzoek van de politie en de bekennende verklaring van verdachte.

De officier van justitie acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een aantal dagen eerder, op 26 maart 2013 te Roosendaal, samen met een ander casino [casino 2] heeft overvallen met behulp van eenzelfde balletjespistool (feit 2). Bij deze overval werd door hen een bedrag van € 2.395,= buitgemaakt. Zij baseert zich daarbij onder meer op de aangifte van het casino, de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 2], de camerabeelden, de verklaringen van diverse getuigen, het onderzoek van de politie, de resultaten van het onderzoek naar het sproeibeeld op de jas van verdachte (SDNA-spray) en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen en heeft ten aanzien van het bewijs geen verweer gevoerd. Verdachte heeft beide feiten op de tenlastelegging ter zitting bekend.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:

Feit 1

- de aangifte namens [casino]1;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting2;

Feit 2

- de aangifte namens [casino 2]3;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting4.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

hij op of omstreeks 01 april 2013 te Breda met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 1390 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [casino], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat verdachte met gestrekte arm met in zijn hand een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] is afgelopen en/of dat vuurwapen/voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "geld, geld" en/of "schiet op man, doe nou niet zo moeilijk, schiet op", althans woorden van soortgelijke aard en strekking;

(artikel 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 26 maart 2013 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 2395 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [casino 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de hand hebben gehouden en/of dat vuurwapen/voorwerp aan die [slachtoffer 2] hebben getoond en/of (daarbij) die [slachtoffer 2] de woorden hebben toegevoegd: "geld, geld, geld" en/of "move, move, move", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

(artikel 317 lid 1 en artikel 312 lid 2 aanhef, sub 2, Wetboek van Strafrecht).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat, gelet op de onrijpe persoonlijkheid van verdachte, het jeugdstrafrecht op hem moet worden toegepast.

De officier van justitie heeft bij haar strafeis enerzijds rekening gehouden met de ernst van de feiten en de traumatische ervaringen voor de slachtoffers. Anderzijds heeft zij rekening gehouden met de persoon van verdachte, de inhoud van de rapportages van de deskundigen, het recidivegevaar en het feit dat verdachte als (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Zij vordert de plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: ‘PIJ-maatregel’).

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich volledig vinden in de eis van de officier van justitie. De oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is, gelet op het recidiverisico en de persoon van verdachte, passend en noodzakelijk, aldus de raadsman.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich -in vereniging- schuldig gemaakt aan het plegen van twee overvallen c.q. berovingen. Hij heeft onder dreiging met een neppistool medewerkers van twee casino’s gedwongen hem geld te geven. Eén van de slachtoffers verklaart dat hij ervan overtuigd was dat het een echt vuurwapen was. Verdachte is hierbij berekend te werk gegaan. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij geen tankstation maar een casino heeft overvallen, omdat daar meer geld te halen was. Slachtoffers van dergelijke overvallen ondervinden daarvan vaak nog gedurende lange tijd de nadelige gevolgen. Eén van de slachtoffers heeft aangegeven door het gebeuren slecht te slapen, hoofdpijn te hebben en zich onrustig en gejaagd te voelen. Bovendien veroorzaken dergelijke feiten grote onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van zeer ernstige feiten, die in beginsel een aanzienlijke straf rechtvaardigen.

De rechtbank neemt tevens in aanmerking dat verdachte al eerder voor soortgelijke delicten met politie en justitie in aanraking is geweest.

Bij de bepaling van de soort en de hoogte van de straf alsmede bij de afweging om ondanks de leeftijd van verdachte een jeugdsanctie toe te passen, heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoon van verdachte.

De rechtbank heeft in dit kader kennis genomen van de bevindingen van mevrouw G.A. Ameling, GZ-psycholoog, d.d. 20 augustus 2013. Ameling stelt dat zij aanwijzingen heeft voor een Foetaal alcohol spectrum disorder, hetgeen nader onderzocht zou moeten worden. Verder is er onder meer sprake van een gokverslaving, die een ontwrichtende invloed op verdachte lijkt te hebben. Hoewel er sprake is van een gemiddelde intelligentie, beschikt verdachte over een disharmonieus intelligentieprofiel wat het maken van een goede inschatting van zijn capaciteiten bemoeilijkt. Ameling adviseert om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Zij acht een gedwongen behandeling in een gesloten setting noodzakelijk om de kans op recidive te verkleinen en de ontwikkeling van verdachte te bevorderen. Zij geeft in overweging om verdachte volgens het jeugdstrafrecht te bestraffen gezien zijn gedragsproblematiek en de onrijpe sociaal-emotionele en autonomie ontwikkeling. Dit maakt behandeling in een PIJ-instelling mogelijk. Ondanks dat de problematiek van verdachte ernstig is en zijn ontwikkelingsmogelijkheden beperkt zijn, pleit Ameling ervoor dat de kwaliteiten van verdachte benut en verstrekt worden, waardoor hij zelf, met aandacht voor zijn valkuilen, een rustiger, evenwichtiger en gezonder leven kan opbouwen. Zij acht derhalve een onvoorwaardelijk PIJ-maatregel geïndiceerd.

De heer G.H.E van Hoecke, psychiater, heeft verdachte eveneens onderzocht en concludeert op 23 augustus 2013 dat verdachte aan een ziekelijke stoornis lijdt, te weten een ontwikkelingsstoornis van zijn zenuwstelsel ten gevolge van prenatale blootstelling aan alcohol. Daarnaast is verdachte gokverslaafd en misbruikt hij cannabis. Van Hoecke acht verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Gezien de aanwezigheid van een ernstige ontwikkelingsstoornis is Van Hoecke van mening dat het ontwikkelingsniveau van verdachte zich nog niet op een volwassen niveau bevindt. Daarom wordt geadviseerd om verdachte overeenkomstig het jeugdstrafrecht te berechten. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Verdachte heeft door zijn stoornis behoefte aan een duidelijke, overzichtelijke, gestructureerde setting. Zodra deze context wegvalt, vertoont hij volgens Van Hoecke delictgedrag. Van Hoecke is tevens van mening dat verdachte voldoet aan het gevaarcriterium en er ook hulpverlening nodig is. Deze dient aanvankelijk klinisch te worden ingezet om de ontwikkeling van verdachte gunstig te beïnvloeden. Van Hoecke adviseert eveneens tot het opleggen van een PIJ-maatregel, aangezien er noodzaak bestaat om het gedrag van verdachte in een gedwongen kader te beïnvloeden.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen over en acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de door de reclassering op 3 juli 2013 en 20 september 2013 uitgebrachte adviezen, waaruit volgt dat verdachte is gediagnosticeerd met ADHD en aan een gokverslaving lijdt. Ook de reclassering acht verdachte gebaat bij een langdurige gestructureerde (aanvankelijk) klinische behandeling. Een PIJ-maatregel vormt hiervoor een geschikt kader. Het risico dat verdachte zich niet langdurig aan een voorwaardelijk kader (zoals een reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden dan wel een TBS met voorwaarden) kan houden is volgens de reclassering aanzienlijk.

Toepassing jeugdstrafrecht

Zowel de officier van justitie als de raadsman van verdachte heeft verzocht om toepassing van het jeugdstrafrecht. Toepassing van het jeugdstrafrecht is op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht mogelijk indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Op basis van de deskundigenadviezen van Ameling en Van Hoecke ziet ook de rechtbank in de persoonlijkheid van verdachte grond tot toepassing van het jeugdstrafrecht.

Maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

Gelet op de inhoud van de deskundigenrapportages is de rechtbank van oordeel dat de zorgen over verdachte zeer groot zijn. Beide deskundigen concluderen dat er sprake is van een ontwikkelingsstoornis en dat verdere ontwikkeling van de persoonlijkheid van verdachte ernstig bedreigd is. Behandeling van die bedreigde ontwikkeling is van primair belang. Een kortdurende behandeling zal te weinig zoden aan de dijk zetten.

Beide deskundige adviseren een behandelvorm waaraan verdachte zich niet zal kunnen onttrekken. De rechtbank ziet in de adviezen voldoende grond om verdachte een intensieve behandeling op te leggen in een gedwongen strafrechtelijk kader. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel te weinig continuïteit in de behandeling en derhalve in de ontwikkeling biedt.

Intensieve behandeling is noodzakelijk met het oog op een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte en ter voorkoming van recidive. Verdachte heeft er ter zitting blijk van gegeven dat hij voldoende gemotiveerd is om deze intensieve behandeling te ondergaan. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is daarvoor het passende kader.

Gelet op het voorgaande en mede aangezien de bewezen feiten misdrijven zijn waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte, zal de rechtbank verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opleggen.

7 De benadeelde partijen

[slachtoffer 1] (feit 1)

Door de benadeelde partij [slachtoffer 1] is weliswaar een voegingsformulier ingediend, maar hij heeft uiteindelijk geen schadebedrag gevorderd. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

[casino 2] (feit 2)

De benadeelde partij [casino 2] vordert een schadevergoeding van € 2.395,=. Het gevorderde bedrag betreft materiële schade, zijnde het bij de overval weggenomen geldbedrag.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is ook overigens voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Zij zal daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van in totaal € 450,=. Het gevorderde bedrag ziet op geleden materiële schade in verband met een feit gepleegd op 8 december 2012 te Roosendaal. Dit feit staat niet op de tenlastelegging van verdachte, zodat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 77c, 77g, 77h, 77s, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: afpersing;

feit 2: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- beveelt de plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1) niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering nog wel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [casino 2] (feit 2) van € 2.395,= aan materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering nog wel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het hierna te noemen slachtoffer, het daarbij vermelde bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen jeugddetentie:

[casino 2] (feit 2) € 2.395,= (30 dagen jeugddetentie);

met dien verstande dat toepassing van vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben, voorzitter, mr. Kok en mr. Batenburg-Van Rijswijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Schilt, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 oktober 2013.

Mr. Kok is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL202M 2013064062 van regiopolitie Midden- en West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 134 (hierna te noemen: proces-verbaal 1) of het eindproces-verbaal met dossiernummer PL201M 2013060541 van regiopolitie Midden- en West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 196 (hierna te noemen: proces-verbaal 2). Het proces-verbaal van aangifte van [casino], pagina 55 en 56 van proces-verbaal 1.

2 De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 oktober 2013.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [casino], pagina 56 en 57 van proces-verbaal 2.

4 De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 oktober 2013.