Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7557

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
STR-12_715429
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging moord op ex-vrouw, bewijs voor voorbedachte raad, voortgezette handeling, eendaadse samenloop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 12/715429-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 oktober 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1949 te [geboorteplaats] (Joegoslavië),

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Middelburg, locatie Torentijd,
Torentijdweg 1, 4337 PE Middelburg,

raadsman mr. N.A. Koole, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 oktober 2013, waarbij de officier van justitie mr. G.V. van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 19 december 2012 te Vlissingen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade[slachtoffer]

, althans opzettelijk, van het leven te beroven, met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet meermalen, althans

eenmaal met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten en

die [slachtoffer] daarbij een of meerma(a)l(en) heeft geraakt, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 19 december 2012 te Vlissingen aan een persoon (te weten

[slachtoffer]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar

lichamelijk letsel –te weten drie verbrijzelde vingers (welke vingers

operatief moesten worden geamputeerd)-, heeft toegebracht,

door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met

een vuurwapen een of meerma(a)l(en) in de richting van (de handen van) die

[slachtoffer] te schieten;

3.

hij op een tijdstip in of omstreeks de maand(en) oktober 2012 en/of november

2012 te Middelburg, althans (elders) in het (toenmalige) arrondissement

Middelburg, in elk geval in Nederland zonder consent een wapen van categorie

III, te weten een centraalvuurwapen in de vorm van een pistool (merk CZ, model

99, kaliber .40 S&W), heeft doen binnenkomen vanuit de republiek Servië;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

4.

hij op of omstreeks 19 december 2012 te Vlissingen en/of op of omstreeks 20

december 2012 te Middelburg een wapen van categorie III, te weten een

centraalvuurwapen in de vorm van een pistool (merk CZ, model 99, kaliber .40

S&W), en/of munitie van categorie III, te weten vijf, in elk geval een of meer

patro(o)n(en) kaliber .40, voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

3 De voorvragen

3.1

De dagvaarding is geldig

3.2

De rechtbank is bevoegd

3.3

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering omdat er door de betrokken opsporingsambtenaren zeer onzorgvuldig en tendentieus is geverbaliseerd ten aanzien van de voor verdachte belastende feiten en omstandigheden voor het bewijs van de voorbedachte raad. Zo is in een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten gerelateerd dat de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij verdachte al lange tijd, sinds vermoedelijk juni 2012, niet meer had gezien en dat hij geen afspraak met verdachte had om de auto te repareren, zonder in dat proces-verbaal te vermelden dat deze getuige welhaast doof is en de Nederlandse taal niet machtig is. Bij de rechter-commissaris heeft genoemde getuige, met bijstand van een tolk, een andere verklaring afgelegd die wèl overeenstemt met de lezing van verdachte over de reden van zijn aanwezigheid op de plaats delict. Een andere verbalisant heeft in een proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat hij uit de mond van getuige [getuige 2] heeft gehoord dat verdachte zou hebben gezegd: “Ik schiet je dood”, terwijl deze getuige daarover in zijn verhoor als getuige bij de politie niets verklaart.

Deze wijze van verslaglegging maakt aannemelijk dat het onderzoek niet gericht was op het voor verdachte ontlastend bewijsmateriaal en doet gegrond vrezen voor de deugdelijkheid en betrouwbaarheid van de rest van het onderzoek. Door deze handelwijze blijft de onzekerheid bestaan of er nog meer van dergelijke – onzichtbare – onzorgvuldigheden hebben plaatsgevonden. Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dan wel tot strafvermindering.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aan de raadsman kan worden toegegeven dat verbalisanten vollediger/zorgvuldiger hadden moeten relateren over hun waarnemingen en bevindingen ter zake van de ‘handicaps’ van de getuige [getuige 1] bij het optekenen van diens verklaring. Hoewel de rechtbank dit onwenselijk acht, is zij van oordeel dat dit geen verzuim oplevert in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Zij overweegt dat geen sprake was van een formeel verhoor als getuige en dat [getuige 1] later, met bijstand van een tolk, als getuige is gehoord door de rechter-commissaris, waarbij de verdediging de gelegenheid heeft gehad de getuige te ondervragen. In zoverre is het gebrek aan informatie over de persoon van de getuige tijdig voor de zitting hersteld. Ook overigens is niet gebleken of aannemelijk geworden dat verbalisanten in deze zaak doelbewust met grove veronachtzaming van en inbreuk op de verdedigingsbelangen van verdachte hebben geverbaliseerd. Het enkele feit dat de getuige [getuige 2] in zijn verklaring niet heeft herhaald dat hij verdachte heeft horen zeggen: “Ik schiet je dood”, zoals de betrokken verbalisant heeft gerelateerd, is daarvoor onvoldoende. Voor het overige heeft de raadsman zijn stelling dat het onderzoek niet gericht was op het voor verdachte ontlastend bewijsmateriaal niet met feiten of omstandigheden onderbouwd.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden gebleken of aannemelijk geworden die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zouden moeten leiden.

De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

3.4

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd om opzettelijk en met voorbedachte raad zijn ex-vrouw [slachtoffer] van het leven te beroven (feit 1) en haar daarbij opzettelijk en met voorbedachte raad zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (feit 2). Voorts acht hij bewezen dat verdachte een centraalvuurwapen (een pistool) zonder consent heeft doen binnenkomen vanuit de republiek Servië (feit 3) en dat hij dit wapen tezamen met daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad (feit 4).

Voor wat betreft het bewijs van de feiten onder 1 en 2 baseert hij zich vooral op de aangifte van [slachtoffer], de bekennende verklaring van verdachte dat hij haar heeft beschoten en het letsel dat bij [slachtoffer] is geconstateerd. Hij acht niet aannemelijk dat verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Evenmin acht hij aannemelijk dat er sprake was van een toevallige ontmoeting tussen verdachte en [slachtoffer] op de plaats delict.

Hij komt op basis van de omstandigheden in de aanloop tot de feiten tot de conclusie dat verdachte vanuit Middelburg in de auto van zijn dochter [dochter 1] naar Vlissingen is gereden met medeneming van zijn geladen pistool en dat hij in de nabijheid van de woning van zijn andere dochter [dochter 2] zijn ex-vrouw heeft opgewacht omdat hij wist dat zij daar op een feest was en dat hij met haar de confrontatie is aangegaan toen zij huiswaarts keerde. Hij acht de verklaring van verdachte dat hij op dat ongebruikelijke uur (circa 23.30 uur) bij een bevriende automonteur langs ging om een afspraak over een reparatie van de auto van zijn dochter te maken ongeloofwaardig.

Voor wat betreft het bewijs van de feiten onder 3 en 4 baseert hij zich vooral op de bekennende verklaring van verdachte en het rapport van het NFI betreffende het onderzoek van het wapen en de munitie.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bestanddeel ‘voorbedachte raad’. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er geen objectieve bewijsmiddelen (getuigen) zijn die aantonen dat verdachte op die avond van plan was om [slachtoffer] te vermoorden dan wel om haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, terwijl dit uit de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] evenmin kan worden afgeleid. Dat verdachte het (geladen) pistool bij zich had is op zichzelf geen aanwijzing voor een dergelijk plan. Het bij zich hebben van een pistool was “normaal” voor verdachte en het past ook in de Servische cultuur. Dat men kogels in een pistool makkelijker meeneemt dan los, verbaast ook niet. Er was sprake van een toevallige ontmoeting tussen verdachte en [slachtoffer]. Verdachte was op weg naar een in de nabijheid van de plaats delict wonende bevriende automonteur om met hem een afspraak te maken over een reparatie van de auto van zijn dochter [dochter 1]. [slachtoffer] liep naar de auto in de veronderstelling dat haar dochter [dochter 1] in de auto zat, omdat deze kennelijk had besloten alsnog naar het Allerheiligenfeest bij [dochter 2] te gaan. Volgens een getuige is er kort voor het schietincident gesproken tussen verdachte en [slachtoffer]. De vrouw zou daarbij een aantal malen hebben gezegd: “Dit is je straf”. Deze communicatie maakt aannemelijk dat [slachtoffer] met haar woorden verdachte (opnieuw) emotioneel heeft proberen te raken en dat verdachte daarop in een emotionele opwelling heeft gereageerd. Ook de eerste verklaring van verdachte bij het inleveren van het wapen op het politiebureau, inhoudende dat hij daar problemen met zijn ex heeft gehad en haar vervolgens heeft neergeschoten, wijst erop dat “de problemen” van die avond ten grondslag liggen aan zijn emotie en het schieten, en dat daartoe zeker geen plan was.

Ten aanzien van het bewijs van de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag en de onder 2 tenlastegelegde zware mishandeling, zonder de zwaardere variant van de voorbedachte raad, heeft de raadsman geen verweer gevoerd. Wel is hij, evenals de officier van justitie, van mening dat deze feiten in eendaadse samenloop zijn begaan.

Ten aanzien van het bewijs van de ‘wapenfeiten’, onder 3 en 4, heeft de raadsman geen verweer gevoerd. Voor wat betreft die feiten is er volgens hem sprake van een voortgezette handeling.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

4.3.1

Inleiding

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

- Op 19 december 2012, omstreeks 23.30 uur, krijgen verbalisanten opdracht van de regionale meldkamer om naar de wijk Bossenburg in Vlissingen te gaan in verband met een schietincident dat even daarvoor heeft plaats gehad op de openbare weg, Lunenburg. Ter plaatse treffen zij een vrouw aan met bloedende wonden, zittend op het trottoir, ondersteund door een andere vrouw. De gewonde vrouw zegt: “Ik ben neergeschoten door mijn ex, het was mijn ex”. De vrouw die haar ondersteunt roept: “Mijn vader heeft het gedaan, het was mijn vader”. Zij verklaart dat haar vader is genaamd [verdachte] (verder: verdachte). Hij zou verblijven bij haar zus in Middelburg en hij is weggereden in een paarse Ford Ka2;

- Op 19 december 2012, omstreeks 23.40 uur, meldt verdachte zich aan de balie van het politiebureau in Middelburg. Hij legt een plastic tas op de balie en deelt de betrokken verbalisant mee dat hij even tevoren problemen heeft gehad in Vlissingen en aldaar zijn

ex-vrouw heeft beschoten. De verbalisant ziet in de tas een zwart gekleurd voorwerp, gelijkend op een vuurwapen. Het voorwerp wordt in beslag genomen3;

- De gewonde vrouw blijkt te zijn genaamd: [slachtoffer], wonende [adres slachtoffer]. Zij is in 2009 gescheiden van verdachte. Uit hun huwelijk zijn twee dochters geboren, te weten [dochter 2] en [dochter 1]4. [dochter 2] woont in [adres dochter 2]5; [dochter 1] in [adres dochter 1]6;

- Bij onderzoek op de plaats delict, in de directe omgeving waar [slachtoffer] is aangetroffen, worden op het trottoir en de openbare weg vier stuks munitie aangetroffen, te weten: vier hulzen met bodemstempelgegevens “.40S&W” met drie Cyrillische tekens, zijnde de fabrieksgegevens van “PVRI Partizan” te Uzice [land van herkomst]. Voor de woning van [dochter 1] wordt een auto, merk en type Ford Ka, aangetroffen. Op de zitting van de bestuurdersstoel van die auto wordt een kogelprojectiel aangetroffen, voorzien van een kogel met afgeplatte punt met dezelfde bodemstempelgegevens als de vier hulzen. Ook deze voorwerpen worden in beslag genomen7;

- Het onder verdachte in beslag genomen voorwerp betreft een centraalvuurwapen in de vorm van een pistool (merk Crvena Zastava, model 99, kaliber .40 S&W) en ontwikkeld in de wapenfabriek Crvena Zastava [land van herkomst]. Met het wapen kan semiautomatisch worden geschoten. Het is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3e gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder ten 1e van de Wet wapens en munitie. Het verkeerde in zeer goede staat van onderhoud. Het vuurwapen is ontwikkeld en bestemd voor munitie van het kaliber .40S&W8. Bij het veilig stellen van het vuurwapen zat er geen scherpe munitie in de kamer van het vuurwapen en in de patronenhouder9;

- Het in beslag genomen pistool en de in beslag genomen hulzen zijn voor vergelijkend hulsonderzoek verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (verder: NFI). De NFI-deskundige wapens en munitie concludeert op grond van zijn bevindingen dat de hypothese dat de hulzen zijn verschoten met het in beslag genomen pistool “zeer veel waarschijnlijker” juist is dan de hypothese dat zij met één of meerdere andere vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool zijn verschoten10;

- Over het letsel van [slachtoffer] is gerapporteerd door D. Botter, forensisch arts Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG), aan de hand van de bevindingen van de radiologen en de beschikbare radiologische beelden. Daaruit blijken de navolgende letsels:

1. Er was een wond achter het rechter oor met twee projectielfragmenten in de weke delen van de hals ter hoogte van de 1e/2e halswervel, nabij de onderkaak. Aangezien er geen tweede huidletsel is bevonden die gerelateerd kon worden aan de genoemde wond en projectieldelen, kan aangenomen worden dat de wond achter het oor een inschotwond betrof. De projectieldelen zijn niet verwijderd.

2. In de rechterhand bevond(en) zich één of meerdere doorschotwonden. Röngenfoto’s toonden verbrijzeling van het middenhandsbeentje van de wijsvinger nabij de basis van de vinger en verbrijzeling van de basiskootjes van de 3e, 4e en 5e vinger. Na enige tijd is de pink geamputeerd door de plastisch chirurg.

3. Aan de voor- en achterzijde van beide bovenbenen waren wonden aanwezig met zwelling en bloeduitstorting. Aangezien bij radiologisch onderzoek geen projectieldelen werden aangetroffen, zal sprake zijn geweest van doorschot. Inwendig was er een perforatieopening in de hals van het rechter dijbeen, die daardoor echter niet geheel gebroken was. Voorts was er prikkeling van de grote beenzenuw aan de rechterzijde11;

- Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het inbeslaggenomen pistool en de munitie langere tijd geleden in voormalig Joegoslavië heeft gekocht en dat hij dit wapen en de munitie (zes bij dat wapen behorende patronen) zonder vergunning van de Nederlandse autoriteiten op 31 oktober 2012 heeft meegenomen vanuit Servië naar Middelburg, naar de woning van zijn dochter [dochter 1]. Verder heeft verdachte erkend dat hij op 19 december 2012 dat wapen, geladen met munitie, vanuit Middelburg in de auto van zijn dochter [dochter 1] heeft meegenomen naar Vlissingen en dat hij aldaar [slachtoffer], op straat, met dat wapen heeft beschoten. Hij zegt dat hij zich van de schiethandeling zelf niets meer kan herinneren vanwege een “black-out”12;

- [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op dat moment wegrende van verdachte en een paar keer hoorde schieten. Zij voelde vervolgens een kogel in haar ene been, een kogel in haar andere been en daarna voelde zij dat zij in haar nek werd geschoten. Toen zij wilde opstaan en haar hand ophief werd ze daarin geschoten13;

- Na het schietincident is verdachte in de auto van [dochter 1] terug gereden naar Middelburg, heeft deze voor de woning van [dochter 1] geparkeerd en is zich gaan melden bij de politie14;

4.3.2

Bewijsoverwegingen feiten 3 en 4

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op een tijdstip in de maand oktober 2012 te Middelburg zonder consent een wapen van categorie III in de zin van Wet wapens en munitie, te weten een centraalvuurwapen in de vorm van een pistool (merk CZ, model 99, kaliber .40 S&W), heeft doen binnenkomen vanuit de republiek Servië en dat hij op 19 december 2012 te Vlissingen en te Middelburg dat wapen en (in elk geval vijf) patronen kaliber .40, voorhanden heeft gehad.

Uit deze bewijsmiddelen blijkt voorts dat de in beslag genomen vier hulzen en de patroon met het in beslag genomen pistool zijn verschoten dan wel bestemd waren om met dat pistool af te schieten, zodat het munitie betreft in de zin van artikel 1 onder 4e van de Wet wapens en munitie en, gelet op artikel 2 lid 2 van die wet, ingedeeld kan worden in categorie III.

Verder zij hier opgemerkt dat de rechtbank niet het standpunt van de raadsman deelt dat ten aanzien van de feiten 3 en 4 sprake is van een voortgezette handeling als bedoeld in artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht. Zij overweegt daartoe dat het doen binnenkomen van het wapen op 31 oktober 2012 en het voorhanden hebben van dat wapen met munitie op 19 december 2012 niet vanuit één ongeoorloofd wilsbesluit tot stand zijn gekomen, mede gelet op het grote tijdsverschil tussen die handelingen, als voorwaarden om de feiten als een voortgezette handeling te beschouwen.
De rechtbank verwerpt daarom dit kwalificatie- c.q. strafmaatverweer.

4.3.3

Bewijsoverwegingen feiten 1 en 2

4.3.3.1 Opzet?

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte vier kogels heeft afgevuurd in de richting van [slachtoffer] op het moment dat zij bij hem wegrende en dat al die kogels haar in haar lichaam hebben getroffen, te weten twee in haar benen, één in haar nek (achter haar oor) en één in haar hand, als gevolg waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Alleen al uit deze feiten kan worden afgeleid dat verdachte meermalen gericht op [slachtoffer] heeft geschoten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gedragingen van de verdachte zozeer gericht waren op het mogelijke gevolg - de dood van [slachtoffer] - dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. De rechtbank oordeelt dan ook dat er sprake is van een voorwaardelijk opzet van de verdachte gericht op de dood van [slachtoffer].

Verder neemt zij hierbij in aanmerking dat bij de vaststelling of sprake is van opzet het in beginsel niet gaat om de psychische gesteldheid van de verdachte. Ook het feit dat verdachte - naar zijn zeggen - geen herinnering achteraf aan de schiethandeling zelf heeft, sluit opzet niet uit.

4.3.3.2 Voorbedachte raad?

4.3.3.2 Juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering, of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

4.3.3.2.2 Feiten voorafgaand aan de uitvoering van het schietincident

Over de feiten en omstandigheden voorafgaande aan het schietincident heeft verdachte als volgt verklaard15.

- Verdachte en [slachtoffer] zijn in 2009 gescheiden. Verdachte was het er niet mee eens, maar heeft erin toegestemd. Hij is later gaan rentenieren in Servië, maar kwam regelmatig terug naar Nederland in verband met zijn gezondheidstoestand. Bij die gelegenheden nam hij zijn pistool en munitie mee als hij in Servië niemand had om daarop te passen.

- In 2011 is [slachtoffer] (in Servië) een procedure gestart tot scheiding en deling van het huis van de ouders van verdachte, dat verdachte had geërfd. Het feit dat [slachtoffer] de helft van (de waarde van) het huis wilde vond hij heel pijnlijk. Ook raakte hij het beu dat zij steeds onwaarheden over hem sprak.

- Op 31 oktober 2012 is verdachte naar Nederland gekomen met medeneming van zijn pistool en daarbij behorende munitie. Hij logeerde in het huis van zijn dochter [dochter 1] in Middelburg. Hij heeft dat wapen en de munitie verstopt onder wat losse planken op de zolder van de woning van zijn dochter, omdat hij niet wilde dat [dochter 1] en haar dochter zouden zien dat hij een wapen bij zich had.

- In november 2012 is verdachte teruggegaan naar Servië, mede in verband met genoemde procedure tot scheiding en deling. Het wapen en de munitie liet hij liggen op de zolder van de woning van [dochter 1].

- Op 5 december 2012 is verdachte door de Servische rechter in het ongelijk gesteld. Hij heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

- Op 16 december 2012 is verdachte opnieuw naar Nederland gekomen en ingetrokken in de woning van [dochter 1].

- Daags voor het schietincident is verdachte rond het middaguur in de auto van [dochter 1] naar een bevriende automonteur ([getuige 1]) in Vlissingen gereden om de lampen van de auto te verwisselen, maar deze was niet thuis. Om bij de woning van [getuige 1] te komen, reed hij gebruikelijk de route via de Lunenburg en kwam dan ook langs het huis van [slachtoffer].

- Op die dag vroeg zijn dochter hem om een kledingrekje van de zolder te halen. Verdachte heeft toen het wapen en de munitie van de zolder weggepakt en meegenomen naar zijn slaapkamer. Zijn bedoeling was om het pistool daar te verbergen. Het lag niet goed op de zolder, want daar was het open. “Als [dochter 1] niet had gevraagd om dat kledingrekje te pakken, had het wapen daar waarschijnlijk nog gelegen”, aldus verdachte.

- Verdachte wist dat zijn dochter [dochter 2] op 19 december 2012 in haar woning aan de [adres dochter 2] Allerheiligenfeest zou vieren, omdat [dochter 1] hem had gezegd dat zij daar niet heen zou gaan.

- Op de avond van 19 december 2012, op een tijdstip na 21.00 uur, toen [dochter 1] en haar dochter sliepen16, is verdachte in de auto van [dochter 1] naar Vlissingen gereden.

- Verdachte besloot om zijn wapen mee te nemen uit vrees dat zijn kleindochter onverwacht zijn slaapkamer binnen zou komen, zoals zij dat wel vaker -en soms ook ‘s-nachts- deed, en dan het wapen zou vinden. Verdachte stopte de patronen in het magazijn en het magazijn in het pistool en legde dit geladen pistool in een plastic zakje op de achterbank van de auto. Het bij zich dragen van een (geladen) wapen is in Servische kringen niet uitzonderlijk. Als hij terug zou zijn gekeerd bij de woning van [dochter 1] zou hij het in zijn slaapkamer verstoppen, “bovenin de kast of zo”.

- Nadat verdachte in Vlissingen eerst een rondje over de Boulevard had gereden besloot hij naar [getuige 1] te gaan om met hem een afspraak te maken over het verwisselen van de banden van de auto. Hoewel het de eerste keer was dat hij zo laat naar [getuige 1] ging, was dat toch niet zo vreemd omdat [getuige 1] een goede kennis is en [getuige 1] overdag niet thuis was.

- Tijdens de route via de Lunenburg zag hij in die smalle straat, waardoor hij zijn snelheid verminderde, een vrouw lopen. Toen deze vrouw in de richting van zijn auto liep zag hij dat het zijn ex-vrouw [slachtoffer] was. Dat was toeval. Hij raakte daardoor in paniek omdat hij het gevoel kreeg dat zij hem zou aanvallen. Hij had immers gehoord dat zij eerder al mensen in Servië had geronseld om hem iets aan te doen.

4.3.3.2.3 Verklaringen [slachtoffer] en verdachte over het schietincident

- [slachtoffer] heeft verklaard17 dat zij op de bewuste avond Allerheiligen had gevierd bij haar dochter [dochter 2] aan de [adres dochter 2] en dat zij lopend op weg was naar huis toen zij een auto, een paarse “Ka”, aan zag komen rijden, die leek op de auto van haar dochter [dochter 1]. Bij het zien van die auto bedacht zij dat [dochter 1] kennelijk had besloten om toch nog naar het feest bij [dochter 2] te komen, waarvoor zij eerder had afgezegd. Zij zag dat de auto stopte en dat het passagiersportier open ging. De ramen van de auto waren beslagen, alsof de auto geparkeerd had gestaan; “Het was mistig”, aldus [slachtoffer]. Zij zag dat verdachte achter het stuur zat en dat hij boos was. Hij zei: “Zal je even met mij mee rijden?” Zij deed dat niet en zei dat zij ging lopen. Verdachte zei verder: “Ik wil je wat laten zien”. Vervolgens hoorde zij iets graaien vanuit de auto en zag zij dat verdachte iets probeerde te pakken. Zij zag dat verdachte uitstapte en hoorde iets repeteren. Zij had zich inmiddels omgedraaid en rende terug in de richting van de woning van haar dochter. Zij hoorde een paar keer schieten en hoorde verdachte schreeuwen. Wat hij schreeuwde weet zij niet. Zij voelde dat een kogel in haar been ging en dan een andere kogel in haar andere been. Zij viel bijna en gilde. Zij voelde daarna dat zij werd beschoten in haar nek. Daarna wilde zij opstaan. Zij deed haar hand omhoog en werd daarin geschoten. Zij zag dat een vinger nog aan een velletje hing.

- Verdachte kan niet aangeven waarom hij heeft geschoten. Hij weet zeker dat hij niets tegen [slachtoffer] heeft gezegd, maar voor de rest weet hij niks meer over het moment van het schieten. Hij kreeg een black-out, zoals hij wel vaker had gehad. Die eerdere black-outs duurden meestal drie seconden, waarna hij zo’n drie kwartier daarna weer tot zichzelf kwam. Naar zijn zeggen komt er op het moment van de black-out een gordijn voor zijn ogen, gaat hij trillen alsof hij op een motor zit en heeft hij geen gehoor meer, alsof hij in een vliegtuig zit dat snel daalt. Hij raakt dan ook zijn stem kwijt. Hij weet zich nog te herinneren dat hij daarna naar Middelburg is gereden. Hij kon na die black-out nog autorijden, maar wel heel langzaam (30 à 40 km/uur).

4.3.3.2.4 Conclusies

De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de reden van het meenemen van zijn geladen wapen naar Vlissingen op 19 december 2012 niet geloofwaardig. Om te beginnen sliepen zowel zijn dochter als zijn kleindochter al toen hij die avond uit de woning vertrok en zou er ook geen enkel gevaar zijn dat het die avond zou worden gepakt als hij het – zoals hij nadien ook van plan was – op zijn slaapkamer had verstopt. Bovendien zou die situatie niet wezenlijk anders zijn dan in de periode van zijn terugkeer naar Servië, in november tot 16 december 2012, toen hij het wapen ook in de woning van zijn dochter had achtergelaten.

Alleen al deze vaststelling doet bij de rechtbank gerede twijfel rijzen over de door verdachte opgegeven reden van zijn aanwezigheid in de directe omgeving van de woning van zijn dochter [dochter 2] omstreeks 23.30 uur (namelijk: het voorgenomen bezoek aan [getuige 1] voor het maken van een afspraak), zeker wanneer daarbij in aanmerking wordt genomen dat verdachte wist dat er die avond in de woning van [dochter 2] een familiefeest werd gevierd en hij nooit eerder zo laat bij [getuige 1] langs was geweest. Dat maakt onaannemelijk dat van een “toevallige” ontmoeting met [slachtoffer] sprake was en past ook bij de verklaringen die verdachte (met bijstand van een tolk) bij de politie heeft afgelegd en ondertekend, te weten: “Eigenlijk ben ik zoveel gepest dat het mij te veel werd. Uiteindelijk ben ik tot deze daad gekomen” en: “Wat ik heb gedaan is het gevolg van het jarenlange terroriseren van mij, door mijn ex. Ik werd er gek van. En zo is het.”18 Dat verdachte ten tijde van het afleggen van die verklaring (een ruime maand na de feiten) nog zo gestrest was door de gebeurtenissen dat aan deze woorden geen betekenis kan worden toegekend, zoals verdachte ter zitting heeft verklaard, legt de rechtbank als niet geloofwaardig ter zijde.

Echter, ook al zou er sprake zijn geweest van een “toevallige” ontmoeting met [slachtoffer] dan nog zijn er voldoende aanwijzingen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Voor het bewijs van voorbedachte raad is immers niet van belang dat verdachte zich daadwerkelijk heeft beraden, maar dat hij hier tijd en gelegenheid toe heeft gehad.

In dit verband stelt de rechtbank vast dat verdachte met een geladen pistool onder zijn directe bereik naar Vlissingen is gereden, dat hij daar eerst nog een rondje in de auto heeft gereden en dat hij vervolgens willens en wetens de route heeft gereden langs de woning van zijn dochter [dochter 2], in de directe omgeving van de woning van [slachtoffer], in de wetenschap dat hij [slachtoffer] in die omgeving zou kunnen ontmoeten terwijl hij met haar een conflict had over de financiële afwikkeling van de echtscheiding, hij vond dat zij onwaarheden over hem sprak en hij ook had gehoord dat zij mensen in Servië had geronseld om hem iets aan te doen. Verder staat vast dat verdachte en [slachtoffer] tussen het moment dat zij elkaar zagen en het moment van het schieten tegen elkaar hebben gesproken19. Daarop heeft verdachte het wapen gepakt en nadat [slachtoffer] zich had omgedraaid heeft verdachte meermalen op [slachtoffer] geschoten.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van contra-indicaties waaraan een dusdanig zwaar gewicht moet worden toegekend dat dit in de weg zou staan aan het oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Het vorenstaande betekent dat de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord en de onder 2 ten laste gelegde zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.3.3.3 Eendaadse samenloop?

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het bij de feiten onder 1 en 2 gaat om één feitelijke gedraging die twee zelfstandige strafbare feiten oplevert en die qua strekking (het menselijk leven) niet uiteen lopen. Het schieten met (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] had tot gevolg dat zij zwaar lichamelijk letsel opliep. Doordat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde aldus in meer dan één strafbepaling valt, dient bij de strafoplegging ingevolge artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht slechts één van die bepalingen te worden toegepast. Omdat artikel 303 van het Wetboek van Strafrecht niet kan worden aangemerkt als een bijzondere strafbepaling ten opzichte van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, dient de strafbepaling te worden toegepast waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld, te weten artikel 289 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 19 december 2012 te Vlissingen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade[slachtoffer]

, althans opzettelijk, van het leven te beroven, met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet meermalen, althans

eenmaal met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten en

die [slachtoffer] daarbij een of meerma(a)l(en) heeft geraakt, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 19 december 2012 te Vlissingen aan een persoon (te weten

[slachtoffer]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar

lichamelijk letsel –te weten drie verbrijzelde vingers (welke vingers

operatief moesten worden geamputeerd)-, heeft toegebracht,

door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met

een vuurwapen een of meerma(a)l(en) in de richting van (de handen van) die

[slachtoffer] te schieten;

3.

hij op een tijdstip in of omstreeks de maand(en) oktober 2012 en/of november

2012 te Middelburg, althans (elders) in het (toenmalige) arrondissement

Middelburg, in elk geval in Nederland zonder consent een wapen van categorie

III, te weten een centraalvuurwapen in de vorm van een pistool (merk CZ, model

99, kaliber .40 S&W), heeft doen binnenkomen vanuit de republiek Servië;

4.

hij op of omstreeks 19 december 2012 te Vlissingen en/of op of omstreeks 20

december 2012 te Middelburg een wapen van categorie III, te weten een

centraalvuurwapen in de vorm van een pistool (merk CZ, model 99, kaliber .40

S&W), en/of munitie van categorie III, te weten vijf, in elk geval een of meer

patro(o)n(en) kaliber .40, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Als strafverhogende omstandigheden voor de door hem bewezen geachte poging tot moord neemt hij onder meer in aanmerking dat [slachtoffer] door het handelen van verdachte voor de rest van haar leven is verminkt en hiervan ernstige lichamelijke hinder en beperkingen en psychische klachten zal ondervinden en dat verdachte zich niet om haar heeft bekommerd nadat hij zijn wapen op haar heeft leeg geschoten. Doordat de schietpartij heeft plaatsgehad op de openbare weg in een woonwijk heeft dit tot reëel gevaar voor de omwonenden geleid. Bovendien is niet ondenkbaar dat verdachte in herhaling zou kunnen vallen bij een nieuwe confrontatie met [slachtoffer].

In het voordeel van verdachte houdt hij bij deze strafeis rekening met de licht (= enigszins) verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, diens blanco strafblad en de omstandigheid dat de feiten onder 1 en 2 in eendaadse samenloop zijn gepleegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is op basis van wat hij te bewijzen acht (poging tot doodslag in eendaadse samenloop gepleegd met zware mishandeling van het slachtoffer en de voortgezette handeling van het doen binnenkomen en het aanwezig hebben van het vuurwapen, alsmede het aanwezig hebben van munitie) van mening dat volstaan kan worden met een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar waarvan een jaar voorwaardelijk. Hij heeft verzocht om bij de straftoemeting als verzachtende omstandigheden er rekening mee te houden dat sprake is geweest van steeds oplopende stress, wanhoop en frustratie bij verdachte in de relatie tussen verdachte en [slachtoffer], waar [slachtoffer] mede debet aan was en met de leeftijd en lichamelijke toestand van verdachte. Verdachte heeft zwaar te lijden onder zijn detentie, mede in verband met zijn hernia en claustrofobie.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf aan verdachte moet worden opgelegd houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voor wat betreft de ernst van het bewezenverklaarde neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft geprobeerd zijn ex-vrouw [slachtoffer], na een korte woordenwisseling op straat, te doden. Hij heeft met zijn semiautomatisch pistool van een zwaar kaliber viermaal in de richting van [slachtoffer] geschoten, terwijl zij bij hem wegrende. Alle vier de kogels hebben haar in haar lichaam geraakt, te weten twee doorschotwonden in haar benen, één in de nek en één in de hand. Dat de kogels geen belangrijke bloedvaten of zenuwbanen hebben geraakt is een gelukkige omstandigheid, die geenszins aan verdachte te danken is. Verdachte is na het schieten weggereden en heeft [slachtoffer], ernstig gewond, op straat achtergelaten zonder zich over haar te bekommeren.

Moord wordt in het Nederlandse strafrechtstelsel beschouwd als één van de ernstigste misdrijven. Zo ook een poging daartoe. Bovendien vond het feit plaats in een drukbevolkte woonwijk, op een tijdstip dat er nog mensen op straat konden lopen. Dergelijk gewelddadig optreden op straat is zeer schokkend voor de omwonenden en het versterkt de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid. Ook het bezit van een (zwaar kaliber) wapen met bijbehorende munitie draagt bij aan die gevoelens van onveiligheid.

Hoe ingrijpend deze gebeurtenis het leven van [slachtoffer] heeft veranderd blijkt uit haar ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring en de daarop gegeven toelichting van haar raadsman. [slachtoffer] dacht op 19 december 2012 dat zij dood zou gaan. Zij heeft vanaf die dag tot 7 januari 2012 in het ziekenhuis gelegen, heeft daar een operatie ondergaan en heeft nog steeds veel pijn. Zij moet nog een operatie ondergaan omdat er nog kogelfragmenten onder haar schildklier zitten. Wegens kruitsporen genezen haar benen niet goed. De vingers van haar rechterhand zijn door de kogel zwaar beschadigd. Door de amputatie van haar pink en de aangebrachte pinnen in drie andere vingers van die hand, kan zij haar hand niet meer gebruiken en is zij niet meer in staat om haar hobby’s van koken, bakken en het maken van suikerbonbons uit te oefenen. Zij kreeg fysiotherapie vanwege haar fysieke problemen als gevolg van de schietpartij. Deze volgt zij niet meer, omdat de kosten ervan niet door de verzekering worden vergoed. Ook psychisch gaat het niet goed met haar. Wat daarbij vooral een rol speelt is de angst dat verdachte haar niet laat leven na het uitzitten van zijn straf. Ook speelt daarbij haar angst voor de veiligheid van haar (klein-)kinderen

Voor wat betreft de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat hij in Nederland een blanco strafblad heeft en er geen aanwijzingen zijn dat hij buiten Nederland wegens strafbare feiten is veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de navolgende rapportages die over de persoon van verdachte zijn uitgebracht:
- Pro Justitie rapportage d.d. 27 maart 2013 van de GZ-psycholoog B.I. Meuwese, en
- Milieurapport d.d. 11 april 2013 van de milieurapporteur E.F. Verwoerd.

De GZ-psycholoog heeft bij verdachte geen aanwijzingen gevonden voor een ziekelijke stoornis. Er is volgens die deskundige wel sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de intellectuele capaciteiten van verdachte. Verder kan gesproken worden van een ernstig partner-relatieprobleem en een ouder-kind probleem, wat invloed heeft op het dagelijkse functioneren van verdachte. Dit was ook het geval ten tijde van het tenlastegelegde. Mede door de zwakbegaafde intellectuele capaciteiten heeft verdachte zijn copingvaardigheden minder ontwikkeld. Hij is geneigd om stress op te lossen door gevoelens, gedragingen en gedachten die horen bij de negatieve gemoedstoestand van woede. Het ernstige relatieprobleem heeft ervoor gezorgd dat hij de laatste jaren steeds meer gevoelens van wanhoop en frustratie is gaan ervaren, waardoor hij niet meer in staat is geweest om de negatieve gevoelens ten opzichte van haar van zich af te zetten. Dit is ook te linken aan de trekken in zijn persoonlijkheid van een verhoogde intolerantie en snellere geïrriteerdheid. De deskundige adviseert om verdachte te zien als licht (= enigszins) verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank neemt dit deskundig oordeel over en maakt het tot het hare.

De GZ-psycholoog heeft verder gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een toegenomen neiging voor het begaan van geweldsdelicten specifiek gericht op zijn

ex-vrouw. Zij acht het belangrijk dat er voor verdachte een duidelijke consequentie volgt op zijn gewelddadige gedrag. Dat lijkt hij duidelijk te krijgen door detentie, die hij als zeer zwaar en in ieder geval als straffend ervaart. Mocht er een vrijer kader volgen, dan adviseert zij om een reclasseringsmaatregel met een contactverbod met zijn ex-partner op te leggen vanwege de hoge recidivekans op gewelddadig gedrag naar zijn ex-partner toe.

Het vorenstaande in ogenschouw genomen komt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Zij houdt daarbij rekening met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Verder houdt zij –evenals de officier van justitie- rekening met de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, diens blanco strafblad en de omstandigheid dat de feiten onder 1 en 2 in eendaadse samenloop zijn gepleegd.

De rechtbank stelt vast dat haar bewijsbeslissingen en de in ogenschouw genomen straftoemetingsfactoren geheel conform het standpunt van de officier van justitie zijn. Zij ziet mede op grond daarvan geen aanleiding om van de strafeis van de officier van justitie af te wijken. Ook in de argumenten van de verdediging ziet de rechtbank geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie dan oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar.

7 De benadeelde partij

7.1

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] (raadsman mr. W.R. Aerts, advocaat te Vlissingen) heeft voor de aanvang van de zitting een vordering ingediend tot vergoeding van EUR 24.401,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 december 2012, waarvan EUR 24.000,00 aan immateriële schade wegens schade geleden door de feiten 1 en 2. Ter zitting heeft de raadsman namens de benadeelde partij de vordering vermeerderd met een bedrag van EUR 1.158,00 wegens buitengerechtelijke kosten en proceskosten in het strafproces. Tevens verzoekt benadeelde de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.2

De visie van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de (ter zitting verhoogde) vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 december 2012 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

De visie van de verdediging

De raadsman is van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Hij stelt daartoe dat verdachte al een reëel bedrag aan (voorschot op het) smartengeld aan de benadeelde partij heeft betaald van EUR 2.000,00 wegens het missen van een pink. Op dit moment is er nog te weinig medische informatie en onvoldoende objectieve onderbouwing van de vordering om de hoogte van de immateriële schade te bepalen. Aanhouding van de behandeling van de strafzaak om over het causaal verband tussen het handelen van verdachte en de schade meer duidelijkheid te verkrijgen zal een onevenredige belasting van dit strafproces vormen. Bovendien is er al een civiele procedure aanhangig gemaakt door de benadeelde partij. De proceskosten hiervan zijn al door verdachte betaald en in verband daarmee er is conservatoir beslag gelegd op het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag. In de civiele procedure dient alleen nog een schadestaat te worden opgemaakt.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij al beschikt over een rechterlijke beslissing uit hoofde van een door de civiele rechter van deze rechtbank gewezen vonnis d.d. 10 april 2013 [zaaknummer]. In dat vonnis is voor recht verklaard dat verdachte zich onrechtmatig heeft gedragen ten opzichte van de benadeelde partij door haar met een vuurwapen ernstig te verwonden. Verdachte is bij dat vonnis veroordeeld tot vergoeding van de voor de benadeelde partij veroorzaakte schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Ter zitting heeft de raadsman van de benadeelde partij verklaard dat de benadeelde partij een schadestaatprocedure aanhangig zal maken tegen verdachte.

De rechtbank overweegt dat het verweer van de raadsman van verdachte over de omvang van de schade en betwisting van het causaal verband tussen het handelen van verdachte en de gestelde schade maakt dat zij die schade in dit strafgeding niet eenvoudig kan bepalen. Nader onderzoek dienaangaande zou een onevenredige belasting van dit strafgeding opleveren. Nu de aansprakelijkheid van verdachte voor de schade al door de civiele rechter is vastgesteld en de civiele rechter over de omvang van de schade verder zal beslissen in de aanhangig te maken schadestaatprocedure, zal de rechtbank de benadeelde partij in dit strafgeding niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en zal zij ook niet overgaan tot het opleggen van de verzochte schadevergoedingsmaatregel. Zij ziet gelet op het bovenstaande ook geen aanleiding om een voorschot op de vordering te bepalen.

8 Het beslag

8.1

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen worden door de rechtbank beschouwd als een gezamenlijkheid van voorwerpen en zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten met betrekking tot deze aan verdachte toebehorende voorwerpen zijn begaan. Verder zijn de voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8.2

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

8.3

Niet in staat

De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat het strafvorderlijk beslag op het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag ad EUR 11.000,00 (beslagnummer 258685) is opgeheven nadat daarop conservatoir derdenbeslag is gelegd. Het restant van het betreffende geldbedrag (ad EUR 7.869,64) staat nog op rekening van justitie.

Gebleken is dat op 29 januari 2013 op verzoek van [slachtoffer] conservatoir derdenbeslag ex artikel 718 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op het geldbedrag is gelegd. De rechtbank zal derhalve niet op dit beslag beslissen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 45, 55, 57, 91, 289 en 303 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 14, 26, 55 en 60 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feiten 1 en 2: Poging tot moord

en:

Zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade,
in eendaadse samenloop begaan;

Feit 3: Handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van
categorie III;

Feit 4: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van
categorie III;

en:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van TIEN (10) JAAR;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

251531 wapen in plastic tas
253198 holster en riem

259028 huls Partizan .40 svo 13

259031 huls Partizan .40 svo 14

259032 huls Partizan .40 svo 15

259033 huls Partizan .40 svo 18

259038 huls Partizan .40 aangetroffen in vtg [kenteken] zitting bestuurder;

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

253197 DA tas;

Benadeelde partij

Feiten 1 en 2:

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] (raadsman mr. W.R. Aerts, advocaat te Vlissingen) niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Duinhof, voorzitter, mr. K.M. de Jager en

mr. B.J.R.P. Verhoeven, rechters, in tegenwoordigheid van P.L. Francke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 oktober 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het procesdossier met het nummer PL193C 2012095398 d.d. 21 februari 2013 van de Regiopolitie Zeeland, divisie recherche, rechercheteam 1 Wal met bijlagen, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 190.

2 Proces-verbaal van bevindingen (p. 17), proces-verbaal van bevindingen (pgs. 79, 80) en proces-verbaal van technisch sporenonderzoek (los stuk -in concept p. 142- met afbeelding plaats delict, foto 1 op p. 154).

3 Proces-verbaal van bevindingen, pgs. 85 en 86.

4 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], p. 44.

5 Proces-verbaal van verhoor [dochter 2], p. 63.

6 Proces-verbaal van verhoor [dochter 1], p. 60.

7 Proces-verbaal van technisch sporenonderzoek (los stuk -in concept pgs. 144, 145 en 150- met afbeeldingen van aangetroffen hulzen -spoornummers 2, 3, 4 en 7, op foto’s 3, 4, 6, 16 en 17, pgs. 155, 156 en 160- afbeeldingen van het kogelprojectiel op foto’s 9, 10, 14 en 15, pgs. 158 en 160)

8 Proces-verbaal betreffende aangetroffen vuurwapen, pgs. 140, 141.

9 Proces-verbaal van technisch sporenonderzoek (los stuk -in concept p. 145-)

10 Rapport NFI d.d. 30 juli 2013, opgemaakt en ondertekend door de deskundige W. Kerkhoff.

11 Rapport NFI d.d. 16 september 2013, opgemaakt en ondertekend door de deskundige D. Botter, forensisch arts KNMG.

12 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 3 oktober 2013.

13 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], p. 46.

14 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 3 oktober 2013.

15 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 3 oktober 2013.

16 Proces-verbaal van verhoor [dochter 1], p. 58.

17 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], pgs. 44 en 45.

18 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], pgs. 132 en 134.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], pgs. 76