Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7544

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
246484 / 12-4845
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:2618
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis

parkbijdrage bungalowpark op grond van ongerechtvaardigde verrijking na einde lidmaatschap parkvereniging

Via een kettingbeding wordt de koper A van een bungalow verplicht lid van de parkvereniging van een bungalowpark. Wegens ongenoegen over tuinonderhoud betaalt A een klein deel van de parkbijdrage niet. De parkvereniging legt A een boete van € 11.300,- op. A zegt zijn lidmaatschap van de parkvereniging op. De parkvereniging vordert de resterende parkbijdrage en de boete en op basis van ongerechtvaardigde verrijking tevens resterende parkbijdragen na de beëindiging van het lidmaatschap door A.

De vorderingen op basis van het lidmaatschap worden afgewezen. Een besluit van de algemene vergadering over de omslag van tuinonderhoud moet beperkt worden uitgelegd. Ook voor A – naast tien anderen – moet een uitzondering gemaakt worden. Wegens tekortschietend tuinonderhoud behoeft A de resterende parkbijdragen van 2010 en 2011 niet te betalen. Daarmee ontbreekt de grond voor de boete.

Niet wordt aanvaard dat A door het kopen van een bungalow met de verplichting om lid te worden van de parkvereniging bij voorbaat moet worden geacht te hebben ingestemd met alles wat in de toekomst over het beheer zal worden besloten. Daarom wordt de verrijking niet vastgesteld op het bedrag van de parkbijdrage. Voor de vorderingen op basis van ongerechtvaardigde verrijking dient in navolging van het arrest hof Den Bosch 19 april 2011, LJN BQ2225 onderscheid te worden gemaakt tussen de basisinfrastructuur en de centrumvoorzieningen. A heeft ingezien dat hij na het einde van zijn lidmaatschap moet betalen voor diverse parkvoorzieningen. Na beoordeling van de diverse posten wordt beslist dat hij voor de parkbijdrage 2012 nog een klein bedrag moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

[Zaaknummer] [Rolnummer]

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 246484 / 12-4845

vonnis van de kantonrechter d.d. 30 oktober 2013

in de zaak van

de vereniging

Vereniging van Eigenaren van Buitenplaats Hof van Zeeland,

gevestigd te Heinkenszand, gemeente Borsele,

eisende partij,

verder te noemen: de parkvereniging,

gemachtigde: mr. P.W. Huitema, advocaat te Groningen,

t e g e n :

[gedaagde],

wonende te [woonplaats], [land],

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. V. Schlegel, advocaat te Düren, Duitsland.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 13 september 2013,

- conclusie van antwoord,

- comparitievonnis,

- akte met produktie van de parkvereniging,

- verschijning van partijen d.d. 19 februari 2013,

- conclusies van repliek en dupliek,

- vonnis d.d. 24 juli 2013,

- akten.

de verdere beoordeling van de zaak

1.

De kantonrechter handhaaft hetgeen is overwogen en beslist bij het vonnis d.d. 24 juli 2013. De inhoud van dat vonnis moet als hier ingelast worden beschouwd. De parkvereniging heeft de factuur voor 2012 in het geding gebracht. Deze is gelijk aan die voor 2011 behalve de post “Beheer niet-verhurende eigenaar”. [gedaagde] is 20 % daarvan, ofwel € 129,57 verschuldigd. Van de parkbijdrage 2012 is [gedaagde] wegens ongerechtvaardigde verrijking € 1.121,86, incl. BTW, aan de parkvereniging verschuldigd.

2.

[gedaagde] heeft aangevoerd en de parkvereniging heeft erkend dat op de parkbijdragen 2011 en 2012 telkens € 140,- in mindering dient te komen wegens “uitbetaling borgfonds”. Dit is in het vonnis d.d. 24 juli 2013 over het hoofd gezien. [gedaagde] heeft voor het hem toekomende bedrag van € 280,- een verrekeningsverklaring uitgebracht. Dit bedrag komt daarom in mindering op het voormelde bedrag van € 1.121,86.

3.

[gedaagde] heeft voorts gesteld dat hij voor het jaar 2012 tweemaal € 368,02 heeft betaald, en wel op 27 januari 2012 en op 8 mei 2012. De parkvereniging heeft meegedeeld dat zij de berekeningen van de advocaat van [gedaagde] heeft gecontroleerd en in orde bevonden. De gestelde betalingen worden daarom eveneens in mindering gebracht. De conclusie is dat [gedaagde] nog zal worden veroordeeld om te betalen: € 1.121,86, verminderd met € 280,- en tweemaal € 368,02 is per saldo € 105,82.

4.

Van de vordering ad € 14.948,12 met rente blijkt uiteindelijk slechts € 669,94 toewijsbaar, terwijl ook de vordering ten aanzien van de satellietschotel is afgewezen. Het is daarom niet billijk dat [gedaagde] incassokosten zou moeten vergoeden. Voorts wordt de parkvereniging beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij en daarom verwezen in de proceskosten.

de beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om wegens ongerechtvaardigde verrijking voor het jaar 2012 per saldo nog een bedrag van € 105,82 aan de parkvereniging te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 13 september 2012 tot de dag van voldoening;

veroordeelt de parkvereniging in de kosten van het geding, welke aan de zijde van [gedaagde] tot op heden worden begroot op € 900,- (3 pt. à € 300,-) wegens salaris van de gemachtigde van [gedaagde];

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd, dan bij dit vonnis en het vonnis d.d. 24 juli 2013 is toegewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.