Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7500

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
AWB-13_15
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2014:3609, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting aan belanghebbende opgelegd ter zake van een zogenoemde integratielevering van een verpleegtehuis. In verband met een belaste levering heeft belanghebbende op grond van de herzieningsregeling verzocht om teruggaaf van de aan haar in verband met de bouw van het verpleegtehuis in rekening gebrachte voorbelasting. De inspecteur heeft deze teruggaaf verleend ervan uitgaande dat sprake was geweest van een integratielevering.

De rechtbank heeft vervolgens de naheffingsaanslag vernietigd, omdat belanghebbende een beroep kon doen op een goedkeuring van de Staatssecretaris. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende slechts recht heeft op teruggaaf van het daadwerkelijk betaalde bedrag aan voorbelasting ter zake van het verpleegtehuis en niet op het hogere (uiteindelijk niet geheven) bedrag aan integratieheffing.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2460
V-N 2013/61.21.11
FutD 2013-2737
NTFR 2015/367 met annotatie van Mr. P.F. Zijlstra
NTFR 2014/827 met annotatie van Mr. E.H.A.M. Thijssen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/15

uitspraak van 16 oktober 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 23 november 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 29 februari 2008 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting (aanslagnummer [aanslagnummer].F.01.8502).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2013 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigden]
, verbonden aan [kantoornaam gemachtigden] te Arnhem, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende vormt het bestuur van een rooms-katholiek religieus instituut. Belanghebbende heeft op eigen grond een nieuw verpleeghuis laten bouwen. Het verpleeghuis is verhuurd aan een zorginstelling en in mei 2006 voor het eerst in gebruik genomen. De verhuur was vrijgesteld van omzetbelasting.

2.2.

De inspecteur heeft op 24 april 2008 een naheffingsaanslag in omzetbelasting van € 151.745 aan belanghebbende opgelegd ter zake van de levering van genoemde onroerende zaak op grond van artikel 3, eerste lid, letter h, (tekst tot 2007) van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB; de integratielevering) .

2.3.

Het verpleeghuis is bij notariële akte van [datum] 2008 geleverd aan de zorginstelling. Deze levering was op grond van artikel 11, eerste lid, letter a, ten eerste, Wet OB van rechtswege belast met omzetbelasting. Belanghebbende heeft met een beroep op de herzieningsregeling (artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, hierna ook: de Uitvoeringsbeschikking) verzocht om teruggaaf van de aan haar in verband met de bouw van het verpleeghuis in rekening gebrachte voorbelasting. Op 18 april 2008 is een teruggaaf verleend van € 1.333.465. Deze teruggaaf is door de inspecteur berekend uitgaande van de ter zake van de integratieheffing zoals vermeld in 2.2 verschuldigde omzetbelasting. Op dat moment stond die heffing nog niet onherroepelijk vast.

2.4.

Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 juli 2010, nr. 08/4546, ECLI:NL:RBBRE:2010:BN2814, de onder 2.2 vermelde naheffingsaanslag vernietigd, omdat belanghebbende ter zake van de ingebruikneming van het verpleeghuis in mei 2006 een beroep kon doen op de goedkeuring van de staatssecretaris van Financiën van 30 november 1994, nr. VB94/3619 (Mededeling 26). Die goedkeuring hield in dat de integratieheffing achterwege kon blijven, mits werd afgezien van de aftrek van de op de bouw betrekking hebbende omzetbelasting. De inspecteur heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de teruggaaf van 18 april 2008 op een te hoog bedrag was vastgesteld omdat die was gebaseerd op het bedrag van de integratieheffing. Nu de rechtbank had beslist dat belanghebbende mocht afzien van die integratieheffing en belanghebbende dat ook heeft gedaan, heeft de inspecteur de teruggaaf nader berekend uitgaande van het bedrag van de omzetbelasting dat belanghebbende in rekening is gebracht ter zake van de leveringen en diensten met betrekking tot de bouw van het verpleeghuis en heeft om die reden een naheffingsaanslag van € 118.867 opgelegd.

2.5.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Hetgeen partijen verdeeld houdt is of ingeval belanghebbende ervoor kiest de integratielevering buiten toepassing te laten en aldus de op de desbetreffende onroerende zaak drukkende omzetbelasting wordt beperkt tot de niet in aftrek gebrachte omzetbelasting op levering en diensten met betrekking tot de bouw, belanghebbende bij de toepassing van de onderhavige herzieningsregeling nochtans mag uitgaan van de situatie als zou een integratielevering hebben plaatsgevonden,

2.6.

Belanghebbende stelt dat voor de herziening van de op het verpleeghuis drukkende omzetbelasting uitgegaan moet worden van het wettelijk systeem, derhalve van heffing met toepassing van artikel 3, eerste lid, onderdeel h, Wet OB. Daarvan uitgaande is de teruggaafbeschikking juist. De inspecteur stelt dat uitgegaan moet worden van de daadwerkelijk ter zake van de bouw in rekening gebrachte c.q. betaalde omzetbelasting nu belanghebbende gebruik heeft van de mogelijkheid toepassing van genoemde wetsbepaling achterwege te laten. Voor het geval de inspecteur in het gelijk wordt gesteld, is niet in geschil dat de naheffingsaanslag op het juiste bedrag is berekend.

2.7.

De herzieningsregeling van artikel 13 van de Uitvoeringsbeschikking heeft als doel en strekking dat de aftrek van voorbelasting met betrekking tot een onroerende zaak in de negen jaren na dat van de ingebruikneming ervan kan worden herzien. Daartoe voorziet die bepaling, in aansluiting op artikel 11 van de Uitvoeringsbeschikking in een wijziging van het verhoudingsgetal (pro rata) van aftrekbare en niet-aftrekbare voorbelasting als een wijziging van het gebruik ten opzichte van het jaar van ingebruikneming daartoe aanleiding geeft. Doel en strekking van deze herziening is niet een wijziging van de grondslag die voor de oorspronkelijke aftrek in aanmerking is genomen. Een andere opvatting zou ook tot ongerijmde resultaten leiden, zowel ten voordele als ten nadele van de belastingplichtige. Een en ander geldt mutatis mutandis ook voor het bepaalde in artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking, dat een aanvulling op de regeling van artikel 13 vormt.

2.8.

Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van de in Mededeling 26 neergelegde goedkeuring, inhoudend dat zij ter zake van de aanwending van het verpleeghuis voor de van omzetbelasting vrijgestelde verhuur geen omzetbelasting behoefde te voldoen ter zake van de in de Wet OB voorziene integratielevering. De voorwaarde daarvoor is dat belanghebbende afzag van de aftrek van de voorbelasting die betrekking had op de totstandkoming van het verpleeghuis. Het gevolg van een en ander is dat de op de onroerende zaak drukkende omzetbelasting niet is die welke ingevolge artikel 3, eerste lid, onderdeel h, van de Wet OB verschuldigd is, maar de omzetbelasting die op de kosten van de totstandkoming van de onroerende zaak drukt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende door gebruik te maken van de goedkeuring aanvaard dat als grondslag voor de aftrek van omzetbelasting zou gelden de op de kosten van de totstandkoming van het verpleeghuis drukkende omzetbelasting. Gelet op het onder 2.7 overwogene bieden de herzieningsbepalingen niet de gelegenheid om in latere jaren c.q. ter zake van de levering van de onroerende zaak van een andere grondslag uit te gaan.

2.9.

Gelet op het onder 2.7 en 2.8 overwogene kan belanghebbende zich in het onderhavige geval door het aanvaarden van de aan de goedkeuring gestelde voorwaarde niet beroepen op een hogere teruggaaf dan die berekend op basis van de oorspronkelijke grondslag voor de aftrek van voorbelasting. Daaraan doet niet af dat met betrekking tot de herzieningsregeling geen specifieke bepaling in Mededeling 26 is opgenomen. Met de interpretatiemethode van belanghebbende zou ook kunnen worden verdedigd dat op grond van Mededeling 26 in het geheel geen herziening mag plaatsvinden.

2.10.

De rechtbank merkt in dit verband nog op dat belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat de goedkeuring niet de strekking had aan de tegemoetkoming met betrekking tot de omzetbelasting op de totstandkoming van het verpleeghuis te verbinden een recht om in voorkomend geval van herziening meer omzetbelasting terug te ontvangen dan met toepassing van de goedkeuring uiteindelijk is betaald. Belanghebbende kan in redelijkheid niet gemeend hebben dat gebruikmaking van de goedkeuring haar de gelegenheid bood om in een geval als het onderhavige misbruik van die goedkeuring te maken.

2.11.

Belanghebbende heeft zich beroepen op de invloed die in de jurisprudentie wordt toegekend aan de verschuldigdheid van omzetbelasting ter zake van een integratielevering, ook als die omzetbelasting in feite niet wordt geheven. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in bedoelde jurisprudentie om de vaststelling van het pro rata voor de kosten van gemengd gebruikte goederen en diensten en niet, zoals in dit geval, om de vaststelling van de grondslag van de omzetbelasting waarop de herzieningsregels worden toegepast. In zoverre leidt die jurisprudentie de rechtbank niet tot een ander oordeel.

2.12.

Uit het vorenoverwogene volgt dat bij de herziening van de aftrek in een geval als het onderhavige niet kan worden uitgegaan van de omzetbelasting die verschuldigd is ter zake van een integratielevering van het verpleeghuis. Nu de inspecteur bij de berekening van de herziening is uitgegaan van alle op de totstandkoming van het verpleeghuis betrekking hebbende voorbelasting, inclusief die op de in dat kader verleende diensten, heeft de inspecteur de teruggaaf in elk geval niet tot een te laag bedrag vastgesteld.

2.13.

Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel door de inspecteur. Belanghebbende heeft daartoe gewezen op de brief van 3 april 2008 waarin de inspecteur heeft aangekondigd dat hij de in 2.2 genoemde naheffingsaanslag zou gaan opleggen alsmede dat hij de in 2.4 genoemde teruggaafbeschikking zou gaan vaststellen en het ontbreken van enig voorbehoud in het geval van een correctie bij later onderzoek.

2.14.

Gelet op de inhoud van de brief van 3 april 2008 moest het voor belanghebbende duidelijk zijn dat de inspecteur zowel bij de aankondiging van de in 2.2 genoemde naheffingsaanslag als de in 2.4 genoemde teruggaafbeschikking uitging van de toepassing van de integratieheffing en derhalve van de in verband daarmee verschuldigde omzetbelasting. Belanghebbende, die nadien bezwaar en beroep heeft gemaakt tegen die heffing, kan in redelijkheid uit deze brieven niet hebben begrepen dat de inspecteur ook zijn standpunt had bepaald voor de situatie dat geen integratieheffing verschuldigd was. Van in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen is dan geen sprake.

2.15.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.16.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 16 oktober 2013 door mr. D.B. Bijl, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr.drs. M.M. de Werd, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van Es-Hinnen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.