Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7492

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
AWB-12_6130
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:722, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting, toepassing verlaagd tarief

Belanghebbendes werkzaamheden, het aanpassen van confectieschoeisel van mensen met bepaalde orthopedische aandoeningen, vallen niet onder een van de posten bedoeld in tabel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Geen schending van het neutraliteitsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-2814
V-N 2013/61.21.10
V-N Vandaag 2013/2510
Brakeboer annotatie in NTFR 2014/828
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 12/6130

uitspraak van 16 oktober 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende]B.V., gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 5 oktober 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer[aanslagnummer].F.01.5501).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2013 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde], vergezeld van [A], [directeur], directeur van belanghebbende, en [B], en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende exploiteert een onderneming op het gebied van de orthopedische schoentechniek. Belanghebbendes werkzaamheden bestaan – naast de levering van orthopedische en semi-orthopedische schoenen - uit het op medisch voorschrift aanpassen van confectieschoenen van mensen met bepaalde orthopedische aandoeningen. Deze schoenen worden door die mensen zelf in speciaalzaken gekocht en aan belanghebbende voor die aanpassingen overhandigd. De werkzaamheden vallen onder de zogenoemde OVAC-regeling (Orthopedische Voorziening aan Confectieschoeisel), op basis waarvan zorgverzekeraars de kosten ervan vergoeden. Belanghebbende heeft voor deze werkzaamheden (hierna: de Ovac-werkzaamheden) steeds het verlaagde btw-tarief van 6% toegepast.

2.2.

De inspecteur heeft bij belanghebbende op 11 maart 2010 een boekenonderzoek verricht naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over 2008. Het rapport daarvan is op 13 december 2010 aan belanghebbende verstrekt. De inspecteur heeft daarbij geconcludeerd dat belanghebbende voor (onder meer) de Ovac- werkzaamheden ten onrechte het verlaagde btw-tarief heeft toegepast. Vervolgens is met dagtekening 28 december 2010 de bestreden naheffingsaanslag opgelegd.

2.3.

In geschil is het antwoord op de vraag of de bedragen die belanghebbende in rekening brengt voor de Ovac-werkzaamheden onder het verlaagde btw-tarief vallen. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend. Over de berekening van de naheffingsaanslag als zodanig bestaat geen verschil van mening.

2.4.

Op grond van artikel 12, derde lid, onder a, van de Zesde BTW-richtlijn (thans artikel 98 in verbinding met bijlage III van de BTW-richtlijn) (hierna voor beide: de Richtlijn) kunnen de lidstaten een verlaagd tarief toepassen voor goederenleveringen en diensten genoemd in de bijlage H van die richtlijn. In die bijlage staat onder 4. vermeld: “Medische uitrusting, hulpmiddelen en andere apparaten, welke gewoonlijk bestemd zijn voor verlichting of behandeling van handicaps, voor uitsluitend persoonlijk gebruik door gehandicapten, met inbegrip van de herstelling daarvan, en kinderzitjes voor motorvoertuigen.”

2.5.

Artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), bepaalt dat het tarief voor leveringen van goederen en diensten, genoemd in de bij deze wet behorende tabel I, 6% is. De tabelposten die hier van belang zijn, zijn:

- Post a-35: (…) orthopedisch schoeisel (…);

- Post b-1: het herstellen van de in de posten a-31 en a-34 tot en met a 37 bedoelde goederen;

- Post b-5: het herstellen van schoeisel en lederwaren;

- Post b-16: de oplevering van roerende zaken bedoeld in onderdeel a door degene die de zaken heeft vervaardigd.

2.6.

Partijen zijn het erover eens dat de Ovac-werkzaamheden niet leiden tot levering van de schoen aan de gebruiker nu die gebruiker reeds eigenaar is van de schoen en dus geen eigendomsoverdracht plaatsvindt. De rechtbank acht dat juist en volgt partijen hierin.

2.7.

De rechtbank stelt voorop dat, gelet op voornoemde richtlijnbepaling, de lidstaten niet verplicht zijn voor alle daar bedoelde prestaties een verlaagd tarief toe te passen. Het staat de wetgever dan ook vrij om toepassing van het verlaagde tarief te beperken tot orthopedisch schoeisel. Nu vaststaat dat in casu geen sprake is van orthopedisch schoeisel valt de in geding zijnde prestatie niet onder post a-35 van de bij de Wet behorende tabel I. Tussen partijen is niet in geschil dat de in het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 27 oktober 2011, nr. BLKB 2011/26M, opgenomen goedkeuring ten aanzien van semi-orthopedisch schoeisel naar de letter niet geldt voor de in geding zijnde prestaties, zodat ook op grond daarvan geen beroep gedaan kan worden op toepassing van post a-35.

2.8.

Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is van oplevering van door haar vervaardigd orthopedisch schoeisel in de zin van post b-16 van tabel I. Immers, aan de bestaande functie van schoenen wordt een wezenlijke functie toegevoegd zodat het schoeisel enkel nog door de patiënt is te gebruiken.

2.9.

Volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) is van vervaardiging in de zin van de omzetbelastingwetgeving sprake als er, naar algemeen spraakgebruik, een nieuw goed wordt voortgebracht. Daarvan is in ieder geval sprake als de functie van het voortgebrachte goed verschilt van de functie van de verstrekte materialen. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet aannemelijk is gemaakt dat de orthopedische aanpassingen, die weliswaar aanzienlijk kunnen zijn, de oorspronkelijke functie van het schoeisel in die mate wijzigen dat gesproken kan worden van vervaardiging van een nieuw goed. Om die reden kan geen sprake zijn van de oplevering van een roerende zaak in de zin van post b-16.

2.10.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Ovac-werkzaamheden gezien kunnen worden als herstelwerkzaamheden als bedoeld in posten b-1 en b-5 van tabel I, omdat daardoor het schoeisel gebruiksklaar wordt gemaakt voor de zieke voet van de patiënt. De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet. In de eerste plaats behoren de door belanghebbende aangepaste schoenen blijkens het vorenoverwogene niet tot de in post b-1 bedoelde goederen. In de tweede plaats moet het begrip herstellen in dit verband naar het oordeel van de rechtbank uitgelegd worden naar het algemeen spraakgebruik. Mede gelet op hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard en gedemonstreerd gaan de Ovac-werkzaamheden veel verder dan wat normaal onder herstellen van goederen wordt verstaan.

2.11.

Uit al het vorenoverwogene volgt dat de onderhavige door belanghebbende verrichte aanpassingen van schoenen niet gerangschikt kunnen worden onder enige post van de bij de Wet behorende tabel I.

2.12.

Belanghebbende heeft, naar de rechtbank begrijpt, voor dat geval gesteld dat sprake is van schending van het neutraliteitsbeginsel. Immers, zo voert belanghebbende aan, het door haar met voornoemde procedure bewerkte schoeisel verschilt uiteindelijk niet van (semi)orthopedische schoenen, waarvan de levering op grond van tabelpost 1 a-35 wel aan het verlaagde tarief onderworpen is.

Van schending van het neutraliteitsbeginsel is sprake als gelijksoortige prestaties, die dus met elkaar concurreren, voor de btw verschillend worden behandeld. Daarvan is hier naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De Ovac-werkzaamheden kunnen feitelijk en rechtens niet gelijk worden gesteld met een levering van orthopedische of semi-orthopedische schoenen, zoals belanghebbende blijkbaar voorstaat. Van schending van het neutraliteitsbeginsel is dan ook geen sprake.

2.13.

Belanghebbende heeft tenslotte nog gesteld dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel omdat de inspecteur bij eerdere onderzoeken geen correctie heeft aangebracht voor de Ovac-prestaties. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het op de onderwerpelijke prestaties toegepaste omzetbelastingtarief ooit als zodanig is beoordeeld en akkoord bevonden of dat bij haar in redelijkheid de indruk kan zijn gewekt dat dat is gebeurd

2.14.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

2.15.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 16 oktober 2013 door mr.drs. M..M. de Werd, voorzitter,
mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. D.B. Bijl, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies.

De griffier, de voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.