Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7401

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
18-03-2015
Zaaknummer
AWB-13_1862
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Wetsverwijzingen
Loonheffingen, loonheffing, privé-gebruik auto
Zorgverzekeringswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers AWB 13/1862, 13/1863 en 13/1864

uitspraak van 3 oktober 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Landelijk Coördinatiecentrum Auto,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 26 februari 2013 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslagen loonheffingen en Zorgverzekeringswet over de jaren 2010, 2011 en 2012 (aanslagnummers [aanslagnummer], [aanslagnummer], [aanslagnummer]) en de gelijktijdig bij beschikkingen opgelegde boeten.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2013 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Aan belanghebbende is door zijn werkgever over de jaren 2010, 2011 en 2012 een auto ter beschikking gesteld.

2.2.

De inspecteur heeft op verzoek van belanghebbende met dagtekening 26 september 2006 een beschikking ‘Verklaring geen privé gebruik auto’ aan belanghebbende afgegeven.

2.3.

De werkgever heeft over de jaren 2010, 2011 en 2012 ter zake de aan belanghebbende ter beschikking gestelde auto de forfaitaire bijtelling wegens het privé gebruik auto niet toegepast.

2.4.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een vragenbrief gestuurd in verband met het privé-gebruik van de auto. Omdat belanghebbende volgens de inspecteur niet het gevraagde bewijs heeft geleverd van het feit dat hij de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden heeft gebruikt, heeft de inspecteur – na schriftelijke aankondiging daarvan – de volgende naheffingsaanslagen met dagtekening 27 december 2012 opgelegd:

Tijdvak belastingbedrag boete heffingsrente

Jaar 2010 € 7.610 € 7.610 € 390

Jaar 2011 € 7.609 € 7.609 € 185

Jaar 2012 € 7.608 € 3.845 € 0

2.5.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bedragen van de naheffingsaanslagen gehandhaafd en de boetes naar nihil verminderd.

2.6.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende heeft doen blijken dat hij de auto, welke hij in de onderhavige jaren ter beschikking gesteld had gekregen van zijn werkgever, voor niet meer dan 500 kilometer in privé heeft gebruikt. De bedragen van de naheffingsaanslagen zijn niet in geschil.

Vooraf

2.7.

De termijnen van bezwaar en beroep zijn van openbare orde. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of het bezwaar van belanghebbende van 23 november 2012, ontvangen door de inspecteur op 29 november 2012, te vroeg is ingediend.

2.8.

Bij brief van 23 oktober 2012 heeft de inspecteur aan belanghebbende kenbaar gemaakt de onderhavige naheffingsaanslagen met boeten aan hem op te leggen. In deze brief heeft de inspecteur de bedragen van de verschuldigde belasting en boetes vermeld.

2.9.

Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, van de Awb blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening reeds tot stand was gekomen of nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze laatste situatie zich hier voor; belanghebbende kon uit de brief van 23 oktober 2012 redelijkerwijs afleiden dat de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift al tot stand waren gekomen. De bezwaren zijn ontvankelijk.

Materieel

2.10.

Belanghebbende heeft bevestigd dat de door hem overgelegde rittenregistraties over de onderhavige jaren achteraf zijn opgesteld. De rittenregistraties kan hij niet meer sluitend maken, omdat veel data in zijn agenda blank staan en hij dus niet meer met zekerheid kan stellen waar hij op dat moment heeft gereden. Wel weet hij zeker dat hij alleen maar zakelijk met de auto gereden heeft. Belanghebbende stelt dat de strikte wetstoepassing voor hem onredelijk uitpakt, omdat hij dat laatste niet meer kan bewijzen aan de hand van de door hem opgestelde rittenregistratie.

2.11.

De rechtbank overweegt als volgt. De auto is op een aantal dagen in de jaren 2010, 2011 en 2012 op andere plaatsen geweest dan de rittenadministraties van de jaren 2010, 2011 en 2012 aangeven. Derhalve geven belanghebbendes rittenadministraties geen exact overzicht van de door hem verreden zakelijke kilometers in de jaren 2010, 2011 en 2012. Dat belanghebbende op die dagen, ondanks de gebreken in de rittenregistratie, uitsluitend zakelijke kilometers heeft gereden, heeft belanghebbende wel gesteld, maar niet bewezen. Als gevolg daarvan heeft belanghebbende niet overtuigend aangetoond dat per kalenderjaar de auto voor niet meer dan 500 kilometer privé is gebruikt. Dat het voor belanghebbende door de enorme drukte op zijn werk onmogelijk was om dagelijks een rittenadministratie bij te houden dient voor zijn risico te komen.

2.12.

Voor zover belanghebbende heeft bedoeld aan te voeren dat de wettelijke regeling in zijn geval onredelijk uitpakt, moet dit standpunt worden verworpen. De rechtbank is niet bevoegd op grond van redelijkheid en billijkheid een juiste wetstoepassing achterwege te laten. In artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, is immers voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen.

Heffingsrente

2.13.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, BNB 2010/ 52, ECLI:NL:HR:2009:BJ7907). Belanghebbende heeft tegen de heffingsrente geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het is de rechtbank ook overigens niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast.

2.14.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.15.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 3 oktober 2013 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.