Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7104

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
269855HA RK 13-210
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking in bestuurszaak met procedurenummer 269855 HA RK 13-210 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

Procedurenummer: 269855HA RK 13-210

Beslissing van 25 september 2013 inzake het wrakingsverzoek, ex artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van:

[verzoeker],

wonende te Lieshout,

hierna te noemen verzoekster.

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    het op 22 augustus 2013 in de hierna te noemen zaak ingekomen wrakingsverzoek, met producties;

  • -

    de schriftelijke reactie op dit verzoek van mr. W.A.P. van Roij, rechter in deze rechtbank, en gedateerd 30 augustus 2013;

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het zaaksdossier van de hierna te noemen procedure, waarin verzoekster heeft gewraakt, en

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer op 18 september 2013, waarbij zijn verschenen verzoekster en mr. Van Roij, voornoemd. Ofschoon daartoe in de gelegenheid gesteld, is de inspecteur van de Belastingdienst te Apeldoorn, verweerder in na te noemen procedure, niet verschenen.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Van Roij, voornoemd, hierna te noemen de rechter, belast met de behandeling van het door verzoekster ingestelde beroep, procedurenummer BRE AWB 12/3825 BK.

2.2.

De rechter berust niet in het verzoek tot haar wraking.

3 De feiten

3.1.

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de inspecteur van de Belastingdienst te Apeldoorn, gegeven op haar bezwaarschrift tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag/boetebeschikking ingevolge de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.

3.2.

De behandeling van het beroepschrift ter zitting was aanvankelijk vastgesteld op 19 april 2013 en is op namens verzoekster gedaan verzoek uitgesteld, aan welk verzoek ten grondslag werd gelegd dat verzoekster kort voor die zitting was getroffen door een herseninfarct.

3.3.

Verzoekster is vervolgens opgeroepen voor de zitting van 9 augustus 2013, waarna zij bij faxbrief van 5 augustus 2013 andermaal heeft verzocht om uitstel, waarbij zij als reden heeft opgegeven dat zij enkele dagen eerder weer was getroffen door een herseninfarct.

3.4.

Namens de rechter is aan verzoekster op 6 augustus 2013 verzocht om een doktersverklaring over te leggen, waarin wordt bevestigd dat zij een herseninfarct heeft gehad en daardoor niet in staat is op de zitting te verschijnen.

3.5.

Omdat daarop geen reactie van verzoekster werd ontvangen, is aan haar bij e-mail van 8 augustus 2013 (14.39 uur) bericht, dat het verzoek om uitstel is afgewezen en dat de zitting doorgang zal vinden.

3.6.

Bij e-mail van 8 augustus 2013 (21.32 uur), verzonden vanaf het e-mailadres van verzoekster, is door [naam 1] meegedeeld dat verzoekster op 6 augustus 2013 is opgenomen in het ziekenhuis en daarom nog niet in staat is geweest een dokterverklaring te laten opstellen.

3.7.

De behandeling van het beroepschrift heeft vervolgens ter zitting van 9 augustus 2013 buiten aanwezigheid van verzoekster plaatsgevonden.

3.8.

Bij e-mail van 9 augustus 2013 (16.45 uur) is namens de rechter op de hiervoor onder 3.6. genoemde e-mail gereageerd. Daarbij is meegedeeld dat de mondelinge behandeling op 9 augustus 2013 heeft plaatsgevonden en dat het onderzoek is gesloten. Daaraan is toegevoegd dat verzoekster in de gelegenheid wordt gesteld om (alsnog) binnen één week een doktersverklaring over te leggen en dat het onderzoek in de zaak zal worden heropend, indien de rechter van oordeel is dat het verzoek om uitstel van de zitting terecht is gedaan.

3.9.

Als reactie hierop is op 16 augustus 2013 een faxbrief ontvangen van [naam 2], waarin onder meer is meegedeeld dat de behandelend artsen van verzoeksters evenals haar huisarts de afgifte van een doktersverklaring hebben geweigerd met een beroep op de richtlijnen van de KNMG.

3.10.

Bij brief van 19 augustus 2013 is verzoekster namens de rechter bericht dat haar belang bij uitstel moet worden afgewogen tegen het belang dat de inspecteur evenals de rechtbank heeft bij de voortgang van de procedure. Verder is vermeld dat de rechter uit de onder 3.8 vermelde reactie opmaakt, dat verzoekster problemen ondervindt ten aanzien van de bewijslevering dat het uitstelverzoek op grond van zwaarwichtige redenen is gedaan. Voorts is vermeld dat bij gebrek aan enig ander bewijs, in de vorm van objectieve en verifieerbare gegevens, niet kan worden vastgesteld dat het uitstelverzoek op grond van zwaarwichtige redenen is gedaan, zodat geen aanleiding wordt gezien het verzoek in te willigen. Verzoekster is voorts in de gelegenheid gesteld om vóór 23 augustus 2013, zijnde de aangezegde uitspraakdatum, alsnog enig bewijs te leveren.

3.11.

Bij faxbrief van 21 augustus 2013 heeft [naam 2] als reactie op de

onder 3.9. genoemde brief (onder meer) bericht dat onduidelijk is welk bewijs, naast de al genoemde doktersverklaring, nog kan worden geleverd.

3.12.

Zowel bij brief als bij e-mail van 21 augustus 2013 (15.18 uur) is namens de rechter bericht, dat deze geen aanleiding ziet het verzoek tot heropening in te willigen.

3.13.

Een door Verhaegh nogmaals per e-mail op 21 augustus 2013 (15.38 uur) namens verzoekster gedaan dringend verzoek het heropeningsverzoek in te willigen, is bij e-mail van diezelfde dag (17.04 uur) afgewezen, waarna verzoekster op 22 augustus 2013 haar wrakingsverzoek heeft ingediend.

4 De gronden van het wrakingsverzoek

4.1.

Verzoekster voert aan dat zij op 6 augustus 2013 in het ziekenhuis was opgenomen met een aandoening die later een hersenbloeding bleek te zijn en geen herseninfarct, zoals de griffier in zijn correspondentie aangeeft.

4.2.

Volgens verzoeksters hebben zowel haar behandelend artsen als haar huisarts de afgifte geweigerd van de door de rechter gewenste doktersverklaring. De afgifte daarvan is immers in strijd met de richtlijnen van de beroepsorganisatie van artsen, de Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunde (KNMG). Zij verwijst daarvoor naar door haar overgelegde producties, waaronder een uitdraai van de website van de KNMG.

4.3.

De rechter heeft dan ook naar de mening van klaagster om iets gevraagd dat niet afgegeven kan worden en dus niet uitvoerbaar is. Zij vreest dan ook dat rechter in haar zaak partijdig is. Haar belangenafweging is volgens klaagster ondeugdelijk. De inspecteur noch de rechtbank heeft geen zwaarwegend belang bij de zaak, terwijl het voor haar buitengewoon belangrijk is, dat zij haar standpunt mondeling kan toelichten. Nu de rechter het verzoek heeft afgewezen, is daarmee geen recht gedaan het beginsel van hoor en wederhoor. Verzoekster kan daardoor evenmin door haar recent ontvangen stukken, waaronder foto’s, overleggen. Ondanks dat de rechter hiervan op de hoogte is, heeft zij het verzoek om heropening geweigerd. Met dit alles heeft zij in de opvatting van verzoekster op zijn minst de schijn van partijdigheid gewekt. Verzoekster stelt dan ook dat zij de objectief gerechtvaardigde vrees heeft dat de rechter niet onpartijdig is.

4.4.

Ter gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoekster nog aangevoerd, dat de vooringenomenheid van de rechter wordt versterkt door de omstandigheid dat zij in haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek (onder 3.4) heeft aangegeven, dat zij -verzoekster- maar hoger beroep dient in stellen. Daarmee laat zich volgens verzoekster de beslissing in haar beroepszaak raden.

5 Het standpunt van de rechter

Met verwijzing naar het hiervoor vermelde procedureverloop voert de rechter het volgende aan.

5. 1 . De door of namens verzoekster gedane uitstelverzoeken op grond van ziekte zijn door haar niet met enig bewijs onderbouwd. Het vragen naar een dergelijk bewijs is in belastingzaken gebruikelijk, zeker wanneer om uitstel wordt gevraagd. De omstandigheid dat naar een dergelijk bewijs is gevraagd kan naar de opvatting van de rechter niet duiden op enige vooringenomenheid van haar zijde in de beroepszaak van verzoekster.

5.2.

Noch uit de fiscale jurisprudentie, noch uit haar eigen praktijkervaring is de rechter bekend met gevallen waarin het overleggen van een doktersverklaring ter onderbouwing van een verzoek om uitstel niet mogelijk blijkt te zijn. Omdat niettemin verzoekster heeft gesteld dat zij een dergelijke verklaring niet kan overleggen, is haar de gelegenheid geboden op andere wijze bewijs te leveren, waarvan zij geen gebruik heeft gemaakt. Volgens de rechter is verzoekster ruimschoots de gelegenheid gegeven om aannemelijk te maken dat zij niet in staat was te verschijnen. Niet valt in te zien waaruit de door verzoekster gestelde schijn van vooringenomenheid zou blijken.

5.3.

Daarnaast kan de in eerste instantie gevraagde doktersverklaring naar de mening van de rechter niet leiden tot de conclusie dat sprake zou zijn van enige vooringenomenheid met betrekking tot de beroepszaak van verzoekster. Dit geldt eveneens voor de omstandigheid dat niet specifiek is benoemd op welke andere wijze bewijs kan worden geleverd.

5.4.

Buiten dit alles is het volgens de rechter niet aan de wrakingskamer om haar processuele beslissing tot afwijzing van het uitstel- respectievelijk heropeningsverzoek te toetsen. Dit is voorbehouden aan de appèlrechter.

6 De beoordeling en de gronden daarvoor

6.1.

Ingevolge artikel 8:15van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2.

Daarbij moet voorop worden gesteld dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt dient, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.3.

Naar het oordeel van de wrakingskamer doet zich een dergelijke omstandigheid in het onderhavige geval niet voor.

6.4.

De enkele omstandigheid dat de rechter het door of namens verzoekster gedane uitstel- respectievelijk heropeningsverzoek niet heeft gehonoreerd levert, naar objectieve maatstaven bezien, anders dan verzoekster meent, geen schijn van partijdigheid op. Dit betreft immers een beslissing van processuele aard, die alleen dan grond van wraking kan opleveren wanneer die beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat de schijn wordt gewekt dat zij door vooringenomenheid is ingegeven. Daarvan is naar het oordeel van de wrakingskamer hier geen sprake.

6.5.

Integendeel, het standpunt van verzoekster dat de door de rechter gevraagde doktersverklaring volgens de KNMG-richtlijnen niet door een behandelend arts of huisarts mag worden afgegeven, gaat geheel voorbij aan het feit, dat verzoekster ofwel een dergelijke verklaring van een onafhankelijk arts had kunnen verkrijgen, dan wel een kopie van haar patiëntendossier, of van een deel daarvan, had kunnen overleggen. In die KNMG-richtlijnen wordt ook op die mogelijkheid gewezen. Verzoekster heeft, hoewel zij daartoe meermalen de gelegenheid heeft gehad, van die mogelijkheid, waarvan zij, gelet op die door haar zelf overgelegde richtlijnen, op de hoogte behoorde te zijn of kon zijn, geen gebruik gemaakt. De rechter treft dan ook geen verwijt, dat zij niet heeft aangegeven op welke andere wijze verzoekster het verlangde bewijs diende te leveren. Enige vooringenomenheid kan daaruit niet worden afgeleid.

6.6.

Verder is het standpunt van verzoekster onjuist, dat de rechter in haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek is vooruitgelopen op haar beslissing in de beroepszaak door haar te verwijzen naar de appèlrechter. De betreffende passage waarop verzoekster doelt heeft geenszins deze door haar geïnterpreteerde strekking. De rechter heeft daarmee uitsluitend -en overigens op juiste grond- bedoeld, dat het niet aan de wrakingskamer is, maar aan de appèlrechter om uiteindelijk de juistheid van de onderhavige processuele beslissing te toetsen.

6.7.

Dit alles leidt tot slotsom dat, nu door verzoekster geen andere gronden aan haar wrakingsverzoek ten grondslag zijn gelegd, dit verzoek dient te worden afgewezen.

7 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de behandeling van de zaak met procedurenummer BRE AWB 12/3825 BK zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 25 september 2013, door mrs. G.J.E. Poerink, D. Hund en B.F.Th. de Roos, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van A.C.L.M. de Jong, griffier.

--