Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:7032

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-09-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
02-800605-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks dat verdachte niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn persoon (ook binnen het Pieter Baan Centrum), wordt hem een TBS met dwangverpleging opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800605-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 september 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda

raadsvrouwe mr. Van Fraaijenhove-Van der Maas, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 september 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Huizenga, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

Primair:

heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden;

Subsidiair:

[slachtoffer 1] ernstig letsel heeft toegebracht;

Tweede subsidiair:

heeft geprobeerd [slachtoffer 1] ernstig letsel toe te brengen;

Derde subsidiair:

[slachtoffer 1] heeft mishandeld;

Feit 2:

[slachtoffer 2] heeft mishandeld;

Feit 3:

[slachtoffer 2] heeft bedreigd;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1:

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd zijn moeder om het leven te brengen, zoals primair is tenlastegelegd. Zij gaat daarbij uit van voorwaardelijk opzet.

De officier van justitie baseert zich op de volgende bewijsmiddelen: de aangifte en aanvullende verklaring van [slachtoffer 1], de foto’s van het slachtoffer, de geneeskundige verklaring, de verklaring van getuige [getuige 1] en de verklaring van getuige

[getuige 2].

Feit 2:

Op grond van de aangifte van [slachtoffer 2], de foto’s van het slachtoffer en de verklaring van [slachtoffer 1] kan volgens de officier van justitie de mishandeling van [slachtoffer 2] wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 3:

De officier van justitie heeft gevraagd verdachte vrij te spreken van de bedreiging van [slachtoffer 2], omdat niet duidelijk is geworden of de uitlatingen zijn gedaan jegens verdachtes moeder dan wel jegens [slachtoffer 2].

Feit 4:

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] heeft bedreigd, gezien de aangifte van [slachtoffer 3], de getuigenverklaring van [getuige 3], de getuigenverklaring van [getuige 4] en het proces-verbaal van bevindingen betreffende het aantreffen van een zwaard in de auto van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Feit 1:

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Zij wijst op de mogelijkheid dat de huidige vriend van [slachtoffer 2], [naam], het feit heeft gepleegd. Tevens is door de verdediging aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 2] als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt, evenals de aanvullende verklaring van [slachtoffer 1]. Ook bevinden zich tegenstrijdigheden en onduidelijkheden in de verklaringen van de getuigen, voornamelijk met betrekking tot het signalement van de dader.

De verdediging heeft dan ook voor vrijspraak gepleit van feit 1 primair, de poging tot doodslag.

De verdediging is van mening dat kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van twee fracturen in het gezicht van [slachtoffer 1], gezien de inhoud van de geneeskundige verklaring. Dit met als gevolg dat er geen sprake is van daadwerkelijk toegebracht zwaar lichamelijk letsel. Ook trekt de verdediging in twijfel of het geconstateerde letsel veroorzaakt is door het schoppen of slaan tegen het hoofd. Het subsidiair tenlastegelegde, zware mishandeling, kan dan ook niet worden bewezen.

Tevens wordt om vrijspraak verzocht van het meer subsidiair tenlastegelegde, de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, nu onduidelijk is wat de feitelijke toedracht is geweest alsmede de omstandigheden van het incident.

Het derde subsidiair tenlastegelegde kan volgens de verdediging evenmin worden bewezen.

Feit 2:

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van dit feit. Zij wijst daarbij op de tegenstrijdigheden in de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en op de innerlijke tegenstrijdigheden in de eerste en tweede verklaring van [slachtoffer 2]. Het is volgens de verdediging mogelijk dat [slachtoffer 2] de verkeerde ‘vriend’ als dader heeft aangewezen.

Feit 3:

Om dezelfde reden als de officier van justitie verzoekt de verdediging verdachte vrij te spreken van dit feit, nu onduidelijk is gebleven voor wie de bedreiging was bedoeld.

Feit 4:

Verdachte dient volgens de verdediging ook te worden vrijgesproken van dit feit. Verdachte ontkent de bedreiging van [slachtoffer 3]. Er ligt geen verklaring van een ooggetuige die heeft gezien dat verdachte met een mes achter [slachtoffer 3] zou zijn aangerend.

De getuigenverklaringen in het dossier zien slechts op de situatie dat [slachtoffer 3] zich wederom in zijn woning bevond. [slachtoffer 3] heeft niet verklaard over een bedreiging op dat moment. Bovendien bevinden zich tegenstrijdigheden in de verklaringen van de getuigen en die van de aangever, aldus de verdediging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1, Feit 2, Feit 3 1 :

In het aanwezige proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]2 is opgenomen dat zij op 22 juni 2012 om 00.55 uur door de gemeenschappelijke meldkamer te Tilburg werden verzocht om te rijden naar de [straatnaam] te Breda, alwaar verdachte zijn ex-vriendin zou hebben bedreigd. Ter plaatse gekomen troffen zij [slachtoffer 2] aan, zijnde de bewuste ex-vriendin van verdachte. Zij was geëmotioneerd en zij vertelde de verbalisanten onder meer dat verdachte haar had geslagen en dat hij daarna naar zijn moeder was gegaan.

Vervolgens kregen de voornoemde verbalisanten de melding om te gaan naar de [straatnaam] te Breda. Daar zou een moeder worden bedreigd door haar zoon. Verbalisant [verbalisant 2] wist dat in deze straat de moeder van verdachte woonachtig is.

Ter plaatse gekomen werden de verbalisanten aangesproken door een buurtbewoner die verklaarde dat verdachte achter zijn moeder aan de straat was opgelopen. Zij zagen verdachte daarop lopen in de [straatnaam] te Breda en konden hem aanhouden.

Toen verdachte werd overgebracht naar het politiebureau, zag [verbalisant 1] een persoon op het fietspad liggen aan de [straatnaam] te Breda. [verbalisant 1] stapte uit zijn dienstvoertuig en nam waar dat daar een kleine vrouw met een tenger postuur op de grond lag. Bij het hoofd van de vrouw lag bloed. Tevens had zij bloed bij haar mond. De vrouw zei dat zij [slachtoffer 1] heette. Zij zei ook dat zij overal pijn had en dat zij was geslagen.

De verbalisanten vermelden voorts in het proces-verbaal bevindingen dat de locatie waar de gewonde vrouw zich bevond ongeveer 300 meter was verwijderd van de locatie waar verdachte was aangehouden.

Uit een aanvullend proces-verbaal van bevindingen3 blijkt dat eveneens de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] betrokken zijn geweest bij de bovenomschreven meldingen. [verbalisant 3] herkende het vrouwelijke slachtoffer als de moeder van verdachte. Deze verbalisanten zijn naar het ziekenhuis Amphia Molengracht te Breda gereden, alwaar zij foto’s hebben gemaakt van het aangezichtletsel van [slachtoffer 1]. Zij merken op dat haar ogen waren opgezwollen en geheel dichtzaten. Toen de vrouw werd gevraagd wie haar het letsel had toegebracht antwoordde zij tot drie maal toe “[verdachte]”.

De rechtbank heeft de foto’s aanschouwd van het letsel in het gezicht van [slachtoffer 1]4.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de medische informatie5 die de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 5] van de behandelend kaakchirurg Van Gemert hebben verkregen op 22 juni 2012 omstreeks 11.30 uur. [slachtoffer 1] heeft volgens deze chirurg een fractuur aan het linker jukbeen en een fractuur aan de linker onderkaak opgelopen.

De moeder van verdachte ([slachtoffer 1]) heeft aangifte6 gedaan tegen haar zoon. Zij heeft bevestigd dat verdachte degene is geweest die haar heeft geschopt en geslagen.

Uit de aanvullende verklaring van [slachtoffer 1]7 is af te leiden dat verdachte en [slachtoffer 2] zich in de avond van 21 juni 2012 op de eerste verdieping in de woning van [slachtoffer 1] aan de [straatnaam] bevonden en dat zij op enig moment ruzie hadden. [slachtoffer 1] hoorde [slachtoffer 2] gillen en hoorde dat zij riep “au, au m’n kop” of woorden van gelijke strekking. Enkele ogenblikken later kwam verdachte samen met [slachtoffer 2] naar beneden. [slachtoffer 1] zag dat [slachtoffer 2] huilde en dat haar gezicht onder de bulten en blauwe plekken zat. [slachtoffer 1] zegt daarover ook: “Je kon zien dat ze kennelijk klappen in haar gezicht had gehad.” Volgens [slachtoffer 1] rende [slachtoffer 2] later die avond langs de voordeur de woning uit. Verdachte ging haar achterna. Aansluitend liep ook [slachtoffer 1] het huis uit en zij belde onderweg de politie. Zij zag op enig moment dat haar zoon terugliep en achter haar aan kwam rennen. Verdachte wist haar in te halen en pakte haar van achteren om haar nek beet. [slachtoffer 1] zag dat hij haar met kracht tegen de linkerzijde van haar hoofd sloeg. Zij weet nog dat zij daardoor op de grond viel. Wat er daarna gebeurde kan zij zich niet herinneren, omdat zij kennelijk bewusteloos raakte. Toen zij bij kennis kwam voelde zij pijn aan haar hoofd, armen, borst en rug. Deze pijn had zij nog niet toen zij op de grond was gevallen.

Getuige [getuige 1]8 zag vanuit zijn balkon een vrouw op de kruising [straatnaam] lopen die werd gevolgd door een man. [getuige 1] zag dat de man de vrouw op de kruising met de [straatnaam] vastpakte. De man trok haar terug in de richting van het fietspad. De man begon vervolgens de vrouw te slaan. Volgens [getuige 1] sloeg hij haar meermalen met kracht. “De man beukte op haar in”, aldus [getuige 1].

[getuige 1] zag tevens dat de vrouw viel en dat de man tegen haar gehele lichaam trapte, terwijl zij op de grond lag. Even later zag [getuige 1] dat de man die hij had zien schoppen en slaan werd gearresteerd door de politie. Hij herkende de man aan zijn postuur en kleding.

Naast de verklaring van [getuige 1] ligt er een getuigenverklaring van [getuige 2]9 die had gezien dat een vrouw met een bebloed gezicht op het fietspad langs de [straatnaam] lag en dat een man naast de vrouw stond die naar haar een schoppende beweging maakte.

Zoals hierboven is beschreven, heeft [slachtoffer 1] in haar aanvullende verklaring gerefereerd aan een incident, een ruzie, tussen haar zoon en [slachtoffer 2]. Door [slachtoffer 2]10 is hiervan aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij door verdachte in de avond van 21 juni 2012 op een slaapkamer in de [straatnaam] te Breda werd mishandeld. Verdachte zou volgens [slachtoffer 2] op enig moment kwaad op haar zijn geworden. Hij gooide haar op het bed, ging op haar zitten en begon haar met gebalde vuist op haar hoofd en gezicht te slaan. Zij ondervond daardoor pijn en liep blauwe plekken en een bult op haar hoofd op. Zij zag omstreeks 00.30 uur kans om de woning via de voordeur te verlaten en zich te begeven naar de woning van haar oom gelegen aan de [straatnaam].

Op grond van de aangehaalde feiten en omstandigheden, lijdt het naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel dat verdachte de persoon is geweest die zijn moeder heeft gestompt en geschopt/getrapt. De rechtbank heeft daarvoor met name in ogenschouw genomen dat aangeefster [slachtoffer 1] meermalen haar zoon als de dader heeftaangewezen. De rechtbank gaat er van uit dat zij zich als moeder niet vergist in de persoon, nu de dader haar eigen zoon betreft en geen willekeurige voorbijganger. Daarnaast heeft getuige [getuige 1] aangegeven dat de man die hij een vrouw zag slaan en trappen, dezelfde man was als die kort daarna door de politie werd aangehouden.

Het scenario dat [naam] (de vriend van [slachtoffer 2]) de dader zou zijn, zoals door de verdediging is opgeworpen, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig.

Er zijn onvoldoende gegevens voorhanden om te kunnen bewijzen dat verdachte zijn moeder heeft geprobeerd te doden, nu uit de diverse verklaringen niet duidelijk naar voren komt dat verdachte zijn moeder dodelijk wilde raken, zoals door haar tegen het hoofd te schoppen. Uit de aangifte, de verklaring van [getuige 1], de foto’s en de medische informatie kan weliswaar worden afgeleid dat verdachte heeft gestompt tegen het hoofd van zijn moeder, maar de kans dat daardoor de dood intreedt is beduidend kleiner dan in het geval dat hij haar tegen het hoofd zou hebben geschopt. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, de poging tot doodslag.

Door zijn moeder meermalen met kracht te stompen en te schoppen/trappen heeft verdachte evenwel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard, dat hij haar zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Dat er sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel blijkt uit de informatie van de kaakchirurg die kenbaar heeft gemaakt dat het slachtoffer een tweetal breuken in het gezicht heeft opgelopen.

De rechtbank acht dan ook het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan feit 2 wettig en overtuigend worden bewezen. Dit gelet op de aangifte van [slachtoffer 2], de melding met betrekking tot het voorval tussen verdachte en zijn ex-vriendin, en de aangetroffen situatie door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. De aangifte wordt bovendien ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 1]. Zij hoorde immers [slachtoffer 2] gillen en roepen “au, au m’n kop” en nam bij haar blauwe plekken en bulten waar.

Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank het volgende.

[slachtoffer 2] heeft aangegeven dat verdachte - nadat hij haar had mishandeld - tegen haar had gezegd: “als je aangifte doet dan snij ik je strot door en dan begraaf ik je in de tuin bij mijn twee honden.”

Uit de verklaring van [slachtoffer 1] leidt de rechtbank af dat verdachte op enig moment, doch voordat hij haar begon te stompen, tegen [slachtoffer 1] zei dat hij haar in de achtertuin naast de hond zou begraven.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze verklaringen kan worden vastgesteld dat verdachte bewoordingen heeft uitgesproken als “ik begraaf je in de tuin bij de hond” (zoals ook genoemd in de tenlastelegging). Het is echter onduidelijk aan welk adres deze bedreigende uitingen waren gericht, aan [slachtoffer 2] dan wel aan [slachtoffer 1]. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat de uitingen, blijkens de beide aangehaalde verklaringen, in hetzelfde tijdsbestek hebben plaatsgevonden.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 3.

Feit 4 11 :

[slachtoffer 3] 12 heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 9 juni 2012, omstreeks 21.30 / 22.00 uur, zijn hond uitliet op de hoek van de [straatnaam] en de [straatnaam] te Breda. Hij zag toen de voor hem bekende verdachte uit een grijze Saab stappen en naar hem toelopen. [slachtoffer 3] liep hem tegemoet. Toen zij elkaar op vijf meter waren genaderd, liep verdachte volgens [slachtoffer 3] terug naar zijn auto en pakte daaruit een groot mes. Verdachte begaf zich met het mes in zijn rechterhand voor zijn borst met het lemmet omhoog richting [slachtoffer 3]. [slachtoffer 3] rende daarop weg. Hij zag dat verdachte achter hem kwam aanrennen met het mes voor zich met het lemmet omhoog. [slachtoffer 3] rende vervolgens naar huis en zag dat verdachte enkele minuten later voor de voordeur van zijn woning stond met het mes nog in zijn hand.

Een vriendin van verdachtes dochter, [getuige 4], was ten tijde van deze gebeurtenis in de woning van [slachtoffer 3] aanwezig. Zij zag vanaf de eerste verdieping verdachte uit een lichtgrijze Saab stappen en zag dat hij een soort zwaard of groot mes in zijn hand hield. Zij ging naar beneden en zag dat verdachte dreigend met het mes op het tuinpad stond. Volgens [getuige 4] stond [slachtoffer 3] op dat moment bij de voordeur.

Verbalisant [verbalisant 6]13 kreeg op 9 juni 2012 omstreeks 22.07 uur de melding om samen met zijn collega [verbalisant 7] te gaan naar de [straatnaam] te Breda alwaar ene [verdachte] zijn ex-partner zou bedreigen en een mes van ongeveer 30 à 40 cm zou vasthouden. Op de [straatnaam] zag [verbalisant 6] een lichtgrijze Saab rijden, welke uit de richting van de [straatnaam] reed. [verbalisant 6] zette zijn dienstvoertuig schuin voor de Saab. Hij zag dat de bestuurder de hem ambtshalve bekende verdachte betrof. Verdachte boog volgens [verbalisant 6] voorover en leek iets weg te leggen voor de bijrijdersstoel. [verbalisant 6] zag dat [verbalisant 7] vervolgens een samoeraizwaard vanaf de bijrijderszijde uit de auto haalde.

Uit de verklaring van verdachte14 kan worden opgemaakt dat hij op 9 juni 2012 bij de voordeur van de betreffende woning aan de [straatnaam] te Breda heeft gestaan.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door hem een zwaard met het lemmet omhoog te tonen en hem daarmee achteraan te rennen.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1:

Subsidiair:

hij op of omstreeks 22 juni 2012 te Breda aan een persoon genaamd [slachtoffer 1]

(moeder van verdachte), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een jukbeen

fractuur en/of een onderkaak fractuur), heeft toegebracht, door opzettelijk

(meermalen) met kracht op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan

en/of te stompen en/of (vervolgens nadat die [slachtoffer 1] ten val was gekomen)

(meermalen) met kracht op en/of tegen haar lichaam te schoppen en/of te

trappen;

Feit 2:

hij op of omstreeks 21 juni 2012 te Breda opzettelijk mishandelend een persoon

(te weten [slachtoffer 2]), (meermalen) met kracht op en/of tegen haar gezicht

in elk geval op en/of tegen haar hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waardoor

deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Feit 4:

hij op of omstreeks 09 juni 2012 te Breda [slachtoffer 3] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 3] een mes in elk geval hard

en scherp voorwerp met het lemmet omhoog getoond/voorgehouden en/of

(vervolgens) is verdachte met dat voorwerp voor zich en het lemmet omhoog achter

die [slachtoffer 3] aangerend en/of aldus heeft verdachte door houding, gebaren

en/of woorden (van gelijke dreigende aard en/of strekking) een bedreigende

situatie en/of sfeer doen ontstaan.

De rechtbank heeft, gelet op de context van het tenlastegelegde, onder feit 4 in de vijfde regel het woord ‘mes’ gewijzigd in het woord ‘voorwerp’. Naar haar oordeel is hier sprake van een kennelijke verschrijving. Verdachte wordt met deze aanpassing niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 2 jaar met aftrek van voorarrest, alsmede de TBS-maatregel met dwangverpleging.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht een TBS-maatregel niet geïndiceerd, nu door de rechtbank niet kan worden geconcludeerd tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Verdachte erkent een alcoholverslavingsproblematiek te hebben en is gemotiveerd om verplicht contact met Novadic-Kentron te aanvaarden. Indien verdachte ten aanzien van

feit 1 voor het primair dan wel het subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld, acht de verdediging de straf die verdachte thans in voorlopige hechtenis heeft uitgezeten afdoende.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van zijn moeder [slachtoffer 1], mishandeling van zijn ex-vriendin [slachtoffer 2] en bedreiging van [slachtoffer 3] zijnde de huidige echtgenoot van een andere voormalige partner.

De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan, met name de zware mishandeling van zijn moeder. Verdachte heeft zich zonder een evidente aanleiding buitensporig agressief gedragen jegens zijn moeder. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring volgt dat [slachtoffer 1] door dit gewelddadige voorval tien dagen in het ziekenhuis moest verblijven en vervolgens ruim een maand lang thuis aan haar bed gekluisterd was om te herstellen. Zij was daarbij afhankelijk van hulp. [slachtoffer 1] heeft ook aangegeven dat zij gevoelens van angst heeft ondervonden, ook in haar eigen woning. Zij vreest dat haar zoon haar iets zal aandoen als hij vrijkomt.

Opvallend is dat de slachtoffers van de mishandelingen en de verbalisanten die waren betrokken bij de bedreiging hebben opgemerkt dat verdachte onder invloed van alcohol verkeerde.

Verdachte heeft een uitgebreid strafblad van 26 pagina’s, waaruit onder meer blijkt dat hij reeds meermalen eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten en in het bijzonder ook huiselijk geweld.

De rechtbank heeft kennis genomen van de persoonlijkheidsrapportage over verdachte

d.d. 8 april 2013, welke is opgemaakt naar aanleiding van zijn opname in het Pieter Baan Centrum (PBC). Uit deze rapportage blijkt dat verdachte heeft geweigerd op enigerlei wijze aan het persoonlijkheidsonderzoek mee te werken, zodat een volledig gedragskundig onderzoek niet heeft kunnen plaatsvinden. Psychiater H.A. Gerritsen en psycholoog

M. van Heteren geven in dit rapport aan dat zij niettemin middels het beoordelen van het observatieverslag over verdachtes verblijf in het PBC en de beschikbare collaterale informatie conclusies kunnen trekken met betrekking tot een aantal persoonlijkheidskenmerken van verdachte. Deze collaterale informatie is afkomstig van referenten (het milieuonderzoek) en dossiergegevens (waaronder eerdere rapportages ter zake van de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte, het strafdossier en het strafblad).

Psychiater H.A. Gerritsen schrijft in deze rapportage dat verdachte in voormalig Joegoslavië is geboren en rond zijn negende jaar in Nederland is komen wonen. Hij is tijdens zijn kinder- en tienerjaren volgens Gerritsen fors affectief en pedagogisch verwaarloosd. Verdachte heeft geen schooldiploma behaald en hij heeft in beperkte mate deelgenomen aan het arbeidsproces. Vanaf (ongeveer) zijn vijftiende jaar bouwt hij een strafblad op.

Gerritsen geeft aan dat de manier waarop verdachte intieme relaties onderhoudt opvallend en afwijkend is. Hij ziet een relationeel patroon van verdachte, die in de loop der jaren relaties heeft gehad met diverse vrouwen. Zijn relaties voldoen telkens aan een aantal kenmerken. Zo noemt Gerritsen een uitermate dominante houding van verdachte naar zijn partners, waarbij zij het gevoel hebben alsof zij zijn bezit zijn. Als de partners niet doen wat verdachte eist, worden zij (ernstig) mishandeld. Verdachte vertoont in dit verband een sterke jaloezie en soms ook achterdocht naar zijn partners.

Daarnaast geeft Gerritsen aan dat bekend is geworden dat bij verdachte sprake is van veelvuldig gebruik van cannabis, cocaïne en alcohol. Uit meerdere bronnen, te weten zijn moeder en voormalige partners, komt volgens Gerritsen duidelijk naar voren dat verdachte sterk agressief kan reageren onder invloed van alcohol, al dan niet in combinatie met cocaïne.

Volgens Gerritsen kan worden gesteld dat er bij verdachte geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een ernstige psychiatrische stoornis, een stemmingsstoornis dan wel een angststoornis. Op grond van de aanwezige collaterale informatie kan evenwel bij verdachte gesproken worden van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis. Dit gezien de omstandigheid dat verdachte al jaren lang structureel vastloopt op verscheidene leefgebieden, zoals intieme relaties, opleiding en werk. In het bijzonder kan naar de mening van Gerritsen een antisociale persoonlijkheidsstoornis worden vastgesteld vanwege verdachtes gebrekkige gewetensfunctie. Gerritsen baseert zich daarbij op het strafblad waaruit een structureel patroon van vermogensdelicten is af te leiden en een chronisch patroon van liegen, alsmede op de gedragsproblemen van voor het vijftiende levensjaar. Gebleken is dat verdachte, voornamelijk onder invloed van middelen en specifiek in intieme relaties, structureel agressief kan reageren. Gerritsen vermeldt dat het hem niet helder is geworden of zijn structureel agressief reageren voortvloeit uit het (overmatig) gebruik van middelen en/of onderdeel is van de antisociale persoonlijkheidsstoornis en/of gezien kan worden als narcistische woede als zijn voormalige partners niet doen wat hij wil. Gerritsen concludeert dat bij verdachte een antisociale persoonlijkheidsstoornis aan de orde is met narcistische trekken. Daarnaast is er sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van alcoholmisbruik/afhankelijkheid, cannabismisbruik en een sterk vermoeden van cocaïnemisbruik.

Van Heteren constateert dat verdachte, gezien zijn strafrechtelijke gegevens in de puberteit, een gedragsstoornis heeft ontwikkeld, welke stoornis mogelijk al in de kindertijd zijn oorsprong heeft. Van Heteren beschrijft dat verdachte heftig geëmotioneerd kan raken - met name onder invloed van middelen - naar aanleiding van ogenschijnlijk kleine gebeurtenissen. Hij is dan jaloers en wantrouwend en lijkt de consequenties van zijn gedrag niet meer voor ogen te hebben. Van Heteren vermeldt, evenals Gerritsen, dat verdachte problemen heeft met het contact met anderen en voornamelijk met ex-partners. Dit gedrag doet volgens Van Heteren vooral als narcistisch krenkbaar aan. Ook zij spreekt van een patroon in de relaties van verdachte, waarbij hij zijn partner als zijn bezit beschouwt, sterk controleert en lichamelijk geweld niet schuwt (vooral als hij gedronken heeft).

Van Heteren onderschrijft ten aanzien van zijn justitiële documentatie tevens een patroon van ontkennen van de delicten waarvan hij wordt beschuldigd. Voorts geeft Van Heteren aan dat verdachte niet is staat is gebleken verantwoordelijkheid te dragen voor onder meer inkomsten uit werk. Hij heeft voorts ontbrekende spijtgevoelens en is ongevoelig voor het feit dat hij anderen heeft gekwetst of mishandeld.

Evenals Gerritsen concludeert Van Heteren op basis van de beschikbare informatie dat bij verdachte gesproken kan worden van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken, alsmede van middelenmisbruik, mogelijk van middelen afhankelijkheid.

Gerritsen en Van Heteren geven beiden ten aanzien van de onderzoeksvragen aan dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken en een ziekelijke stoornis in het kader van alcohol- en cannabisgebruik. Zij achten aannemelijk dat er een samenhang bestaat tussen enerzijds de antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken en het misbruik van middelen en anderzijds het agressief reageren zoals in de tenlastegelegde feiten is opgenomen. Zij zijn van mening dat onduidelijk is in hoeverre verdachte vanwege zijn problematiek is beperkt in zijn vermogens om keuzes en inschattingen te maken in de aanloop tot het tenlastegelegde. Ook is onduidelijk in hoeverre de agressieve component is terug te voeren op zijn persoonlijkheid of dat vooral verdachtes alcoholmisbruik hierin een rol speelt. De mate van doorwerking van de stoornis in het tenlastegelegde is daarom niet goed te beoordelen, zodat Gerritsen en Van Heteren geen advies kunnen geven over de mate waarin verdachte de feiten kunnen worden toegerekend. De deskundigen kunnen evenmin een onderbouwd uitsluitsel geven aangaande het recidiverisico. Gedragskundige aanbevelingen ontbreken dan ook in de rapportage.

Psycholoog Van Heteren heeft ter zitting van 23 mei 2013 haar bevindingen mondeling toegelicht. Zij heeft benadrukt dat er een bepaalde mate van doorwerking van het alcoholmisbruik en de persoonlijkheidsproblematiek ten aanzien van het tenlastegelegde aanwezig is en dat deze mate niet nul is. Doch verder dan dit kan zij niet concluderen. Over een eventuele TBS-maatregel kan zij evenmin uitspraken doen.

Psychiater Gerritsen heeft ter zitting van 19 september 2013 een mondelinge toelichting op de rapportage gegeven. Hij vermoedt dat er doorwerking van het alcoholmisbruik en de persoonlijkheidsproblematiek aanwezig is, maar verbindt hier geen conclusies aan.

De rechtbank kan zich verenigen met de bevindingen van Van Heteren en Gerritsen.

Op basis van de conclusies van deze deskundigen is de rechtbank van oordeel dat verdachte lijdende is aan zowel een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, als een ziekelijke stoornis in het kader van alcohol- en cannabisgebruik. De rechtbank acht een direct verband aanwezig tussen de gebrekkige ontwikkeling/ziekelijke stoornis en de bewezenverklaarde feiten. Zij verwijst daarbij naar de opmerking van Van Heteren ter zitting dat in ieder geval sprake is van een bepaalde mate van doorwerking van het alcoholmisbruik en de persoonlijkheidsproblematiek. Hoewel de rechtbank – evenals de deskundigen – geen zicht heeft kunnen krijgen op de mate waarin verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat bij verdachte sprake zou zijn van het ontbreken van toerekenvatbaarheid. Zij heeft daarvoor in aanmerking genomen het strafblad van verdachte, in samenhang bezien met de verschillende patronen die hij reeds jaren lang vertoond, zoals het stelselmatig liegen ter zake van strafbare feiten, het delictpatroon in (voornamelijk) zijn intieme relaties, alsmede het langdurige patroon van middelengebruik. De rechtbank overweegt ook dat de aard van de delicten passen bij de genoemde persoonlijkheidsstoornis. De rechtbank stelt aldus vast dat enige mate van ontoerekeningsvatbaarheid aan de orde is. In de genoemde gedragspatronen ligt tevens het recidivegevaar besloten.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de maatschappij bescherming behoeft en zij acht het noodzakelijk dat verdachte wordt behandeld voor zijn persoonlijkheidsproblematiek en zijn alcohol-en drugsgebruik. De rechtbank heeft daarbij in ogenschouw genomen dat een antisociale persoonlijkheidsstoornis niet geheel kan worden weggenomen, maar dat wel instrumenten kunnen worden aangeboden om deze stoornis af te bakenen. Nu verdachte onvoldoende heeft meegewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek, resteert naar het oordeel van de rechtbank geen alternatieve behandeling die minder ingrijpend is dan een terbeschikkingstelling met een bevel tot dwangverpleging.

Aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de maatregel TBS met dwangverpleging is voldaan. Het bewezenverklaarde onder feit 1 subsidiair betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, zodat is voldaan aan het vereiste van artikel 37a, eerste lid onder sub 1 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van TBS eist. De rechtbank bepaalt voorts dat het bewezenverklaarde onder feit 1 subsidiair een misdrijf betreft gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zoals bedoeld in artikel 38e, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Gezien de ernst van de feiten en de straffen die in vergelijkbare situaties worden opgelegd,

acht de rechtbank een gevangenisstraf naast een TBS met dwangverpleging passend en geboden. Nu de rechtbank ten aanzien van feit 1 tot een andere bewezenverklaring concludeert dan de officier van justitie, zal zij de gevorderde straf matigen en verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 464 dagen met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1], [adres slachtoffer] heeft op

3 augustus 2012 een vergoeding ter zake van materiële schade gevorderd van € 1.744,00 voor feit 1. Daarbij is vermeld dat een aanvraag is ingediend bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Op 12 september 2013 heeft zij een vordering ingediend ter hoogte van € 3.710,00, waarvan

€ 3.570,00 ter zake van immateriële schade en € 140,00 ter zake van materiële schade. Deze materiële schade omvat een daggeldvergoeding voor het ziekenhuis. De rechtbank vat beide posten op als immateriële schade. Nu de kosten van materiële schade, zoals gevorderd op

3 augustus 2012, niet meer terugkomen in de meest recente vordering van

12 september 2013, zal de rechtbank de eerste vordering buiten beschouwing laten.

De rechtbank is van oordeel dat, met het oog op de redelijkheid en billijkheid, de schade tot een bedrag van € 1.500,00 ter zake van immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 57, 63, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1 primair en feit 3;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 subsidiair: zware mishandeling;

Feit 2: mishandeling;

Feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 464 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], [adres slachtoffer], van € 1.500,00 ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; (BP.09)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1], [adres slachtoffer] (feit 1 subsidiair), € 1.500,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. (BP.04)

Dit vonnis is g ewezen door mr. Van de Wetering, voorzitter, mr. Kok en mr. Van Schaik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 september 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Feit 1:

Primair:

hij op of omstreeks 22 juni 2012 te Breda ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te

beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] (meermalen) met kracht op/tegen haar

hoofd in elk geval op/tegen haar lichaam heeft geslagen en/of gestompt

(vervolgens nadat die [slachtoffer 1] ten val was gekomen) (meermalen) met kracht

op/tegen haar hoofd in elk geval haar lichaam heeft geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij op of omstreeks 22 juni 2012 te Breda aan een persoon genaamd [slachtoffer 1]

(moeder van verdachte), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een jukbeen

fractuur en/of een onderkaak fractuur), heeft toegebracht, door opzettelijk

(meermalen) met kracht op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan

en/of te stompen en/of (vervolgens nadat die [slachtoffer 1] ten val was gekomen)

(meermalen) met kracht op en/of tegen haar lichaam te schoppen en/of te

trappen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Tweede subsidiair:

hij op of omstreeks 22 juni 2012 te Breda ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] (moeder

van verdachte), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet (meermalen) met kracht op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft

geslagen en/of gestompt en/of (vervolgens nadat zij ten val was gekomen)

(meermalen) met kracht op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft

geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Derde subsidiair:

hij op of omstreeks 22 juni 2012 te Breda opzettelijk mishandelend een persoon

(te weten [slachtoffer 1] (moeder van verdachte)),(meermalen) met kracht op/tegen

het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt en/of

(vervolgens nadat zij ten val was gekomen) (meermalen) met kracht op/tegen het

lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of getrapt, tengevolge waarvan

deze zwaar lichamelijk letsel (een onderkaak fractuur en/of een jukbeen

fractuur), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Feit 2:

hij op of omstreeks 21 juni 2012 te Breda opzettelijk mishandelend een persoon

(te weten [slachtoffer 2]), (meermalen) met kracht op en/of tegen haar gezicht

in elk geval op en/of tegen haar hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waardoor

deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Feit 3:

hij op of omstreeks 21 juni 2012 te Breda [slachtoffer 2] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 2] de volgende woorden

toegevoegd: "Als je aangifte doet dan snij ik je strot door en dan begraaf ik

je in de tuin bij mijn twee honden" althans woorden van soortgelijke dreigende

aard en/of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Feit 4:

ij op of omstreeks 09 juni 2012 te Breda [slachtoffer 3] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 3] een mes in elk geval hard

en scherp voorwerp met het lemmet omhoog getoond/voorgehouden en/of

(vervolgens) is verdachte met dat mes voor zich en het lemmet omhoog achter

die [slachtoffer 3] aangerend en/of aldus heeft verdachte door houding, gebaren

en/of woorden (van gelijke dreigende aard en/of strekking) een bedreigende

situatie en/of sfeer doen onstaan;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL202E 2012132650 van politie Midden- en West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 100.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 18.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 21.

4 Foto’s van [slachtoffer 1], pagina 22 tot en met 24.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 44.

6 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], pagina 35.

7 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], pagina 41 en 42.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], pagina 56 en 57.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 61.

10 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], pagina 66 en 67.

11 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL202M 2012122145 van politie Midden- en West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 39.

12 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3], pagina 22 en 23.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 31.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 16.