Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:6796

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-09-2013
Datum publicatie
27-09-2013
Zaaknummer
2133162-AZ-VERZ 13-115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke ontbinding van arbeidsovereenkomst tussen woningbouwvereniging en haar directeur financiën en vastgoed wegens niet integer handelen van directeur, bestaande uit bevoordeling van zichzelf en mededirecteuren, en wegens onvoldoende nemen van verantwoordelijkheden behorende bij de functie, waaronder een onvoldoende kritische houding.

Woningbouwvereniging heeft onzorgvuldig en onbehoorlijk gehandeld bij onderzoek naar gedragingen directeur en heeft directeur zeer lang in onzekerheid gelaten.

Vergoeding toegekend rekeninghoudende met de norm voor bezoldiging van topfunctionarissen (WNT).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2014/10
AR-Updates.nl 2013-0756
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Breda

zaak/rolnr.: 2133162 AZ VERZ 13-115

beschikking van 27 september 2013

inzake

de vereniging[verzoeker 2],

gevestigd te[woonplaats 1],

verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van het zelfstandig tegenverzoek van verweerder,

gemachtigde: mr. A.P.J.M. Verbeek, advocaat te Amsterdam,

tegen:

[naam 1] [verweerder 2],

wonende te [woonplaats 2],

verweerder, tevens verzoeker in een zelfstandig verzoek,

gemachtigde: mr. J.L.G.M. Verwiel, advocaat te Breda.

Partijen worden hierna aangeduid met respectievelijk [verzoeker 1]en [verweerder 2].

1 Het verloop van het geding

1.1

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het op 1 juli 2013 ter griffie ontvangen verzoekschrift van [verzoeker 1]met producties;

b. de bij brieven van 11 en 12 juli 2013 door de gemachtigde van [verzoeker 1]toegezonden aanvullende producties;

c. het op 19 augustus 2013 ter griffie ontvangen verweerschrift van [verweerder 2] met producties, tevens houdende een zelfstandig verzoek.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2013. Ter zitting waren aanwezig namens [verzoeker 1]mevrouw K. [naam 2], interim bestuurder (hierna: “[naam 2]”), en de heer [naam 3], manager wonen, bijgestaan door mr. Verbeek voornoemd, alsmede [verweerder 2] in persoon, bijgestaan door mr. Verwiel voornoemd. Mr. Verbeek en mr. Verwiel hebben ter gelegenheid van de zitting hun pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

2 De verzoeken

2.1

[verzoeker 1]heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voorwaardelijk, voor zover wordt vastgesteld dat het ontslag op staande voet op 23 oktober 2012 niet rechtsgeldig is gegeven, te ontbinden zonder toekenning van een vergoeding aan [verweerder 2], primair en subsidiair op grond van een dringende reden en meer subsidiair op grond van verandering van omstandigheden die volledig aan [verweerder 2] te verwijten is. [verzoeker 1]verzoekt voorts [verweerder 2] te veroordelen tot betaling van € 97.253,75 aan onderzoekskosten en € 20.000,00 ex btw aan kosten rechtsbijstand.

2.2

[verweerder 2] concludeert primair tot afwijzing van het voorwaardelijke verzoek van [verzoeker 1]en subsidiair, bij toewijzing ervan, tot toekenning van een vergoeding met correctiefactor C = 2. Voorts verzoekt hij [verzoeker 1]te veroordelen tot betaling van € 18.500,00 inclusief btw aan kosten rechtsbijstand. Tot slot verzoekt [verweerder 2], bij wijze van zelfstandig tegenverzoek, de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van gewichtige redenen, te weten een verstoorde arbeidsrelatie welke aan [verzoeker 1]is te verwijten, zulks eveneens met toekenning aan hem van een vergoeding met correctiefactor C = 2 en met veroordeling van [verzoeker 1]tot betaling van € 18.500,00 inclusief btw aan kosten rechtsbijstand.

3 De beoordeling

Vaststaande feiten

3.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

  1. [verzoeker 1]is een woningbouwvereniging.

  2. [verweerder 2], geboren op [geboortedatum], is op 1 mei 1981 bij [verzoeker 1]in dienst getreden en was daar laatstelijk werkzaam als (titulair) directeur financiën en vastgoedprojecten.

  3. Het directieteam van [verzoeker 1]werd gevormd door de statutair bestuurder, [verweerder 2] en de (titulair) directeur klant en markt.

  4. Het maandsalaris van [verweerder 2] bedraagt € 10.056,00 bruto, exclusief vakantiegeld, eindejaarsuitkering, een variabele beloning en een onkostenvergoeding. Voorts heeft [verzoeker 1]een leaseauto aan [verweerder 2] ter beschikking gesteld. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Woondiensten van toepassing.

  5. Vanwege haar financiële situatie is [verzoeker 1]in januari 2012 onder verscherpt toezicht van het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) gesteld en is voorts in april 2012 een extern toezichthouder aangesteld.

  6. Op 21 mei 2012 is de statutair bestuurder van [verzoeker 1]gearresteerd op verdenking van onder meer fraude en oplichting. Op 25 juni 2012 heeft [verzoeker 1][naam 2] benoemd als interim-bestuurder.

  7. Naast het justitieel onderzoek van het OM en de IOD, is in juli 2012 in opdracht van [verzoeker 1]en op verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een forensisch onderzoek gestart (uitgevoerd door [naam 5], hierna: “de forensisch onderzoekers”) naar onder meer verschillende vastgoedprojecten en/of -transacties van[verzoeker 2].

  8. Op 20 september 2012 heeft [verzoeker 1][verweerder 2] en de andere titulair directeur geschorst en hen een contactverbod opgelegd.

  9. Op 24 september 2012 heeft [verzoeker 1]opdracht gegeven voor een persoonsgericht integriteitsonderzoek, gericht op het handelen en nalaten van onder anderen [verweerder 2] en uitgevoerd door een ander bureau [naam 4], hierna: “de integriteitsonderzoekers”) dan het forensisch onderzoek.

  10. Bij vonnis van 10 oktober 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda [verzoeker 1]veroordeeld om [verweerder 2], die zijn schorsing had aangevochten, toe te laten tot zijn werkzaamheden als directeur financiën en vastgoedprojecten.

  11. Op vrijdag 19 oktober 2012 heeft [verzoeker 1]aan [verweerder 2], die op dat moment op Bali op vakantie was, bericht dat zij van de integriteitsonderzoekers heeft vernomen:

[…] dat meerdere medewerkers zich tot haar hebben gewend met de meldingen van onbehoorlijk, waaronder begrepen: intimiderend en manipulerend, gedrag van u. […] Daaruit volgt (onder meer) dat u (i) uw (machts)positie hebt misbruikt, (ii) het forensisch onderzoek hebt gefrustreerd, althans hebt geprobeerd te frustreren, en (iii) de ernst van de huidige situatie en noodzaak van de ingestelde onderzoeken miskent.[…]

[verzoeker 1]heeft daarbij bericht dat deze omstandigheden voor haar voldoende grond zouden kunnen zijn voor ontslag op staande voet, maar dat zij [verweerder 2] eerst in de gelegenheid wilde stellen om zijn reactie te geven. [verweerder 2] heeft daartoe de eerst mogelijke vlucht vanaf zijn vakantie terug naar Nederland genomen. [verzoeker 1]is echter, nu [verweerder 2] geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om per e-mail te reageren noch van de (twee maal) door [verzoeker 1]geboden mogelijkheid om telefonisch te worden gehoord, overgegaan tot het geven van ontslag op staande voet bij brief van 23 oktober 2012, terwijl [verweerder 2] op dat moment in het vliegtuig naar Nederland zat.

[verzoeker 1]heeft in de ontslagbrief medegedeeld:

[…] Zoals [verzoeker 1]bij brief van 19 oktober jl. ook aangaf, neemt zij de bevindingen uit de vijf verklaringen zeer hoog op. Uit die verklaringen volgt (onder meer) dat u (i) uw (machts)positie hebt misbruikt, (ii) werknemers van [verzoeker 1]door uw handelen en woorden hebt geïntimideerd en gemanipuleerd, (iii) werknemers van [verzoeker 1]op een zodanige wijze hebt benaderd die zij (zelfs) als bedreigend en beangstigend hebben ervaren, en (iv) het forensisch onderzoek hebt gefrustreerd, althans hebt geprobeerd te frustreren, door werknemers voor te houden hoe zij zich bij gesprekken met de forensisch onderzoekers dienden op te stellen en wat zij wel en niet zouden mogen zeggen.

Hieruit volgt niet slechts dat u de ernst van de huidige situatie binnen [verzoeker 1]en de noodzaak van de ingestelde onderzoeken miskent, maar ook dat u de op u als directielid, Directeur Financien en Vastgoed en derhalve leidinggevende rustende verplichten grovelijk hebt veronachtzaamd. Los daarvan hebt u (ernstig) in strijd gehandeld met het goed werknemerschap en bovendien de binnen [verzoeker 1]geldende – en u bekende – integriteitsregels op grovelijke wijze geschonden. Hier komt bij dat u met uw handelwijze uw positie binnen [verzoeker 1]onmogelijk hebt gemaakt omdat u werknemers een reden hebt gegeven u niet meer te vertrouwen. Tot slot hebt u met uw handelwijze de algemene fatsoensnormen met voeten getreden. De hiervoor genoemde redenen vormen – zowel ieder voor zich als in onderlinge samenhang beschouwd – (een) dringende reden(en) die aan het ontslag op staande voet ten grondslag worden gelegd. […]

[verweerder 2] heeft de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen en betaling van loon gevorderd. De voorzieningenrechter van de rechtbank Breda heeft de loonvordering bij vonnis van 17 december 2012 afgewezen. [verweerder 2] is daartegen in hoger beroep gegaan. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 19 maart 2013 de loonvordering van [verweerder 2] vanaf 23 oktober 2013 toegewezen, waarna [verzoeker 1]de loonbetaling heeft hervat.

Op 30 januari 2013 hebben de integriteitsonderzoekers de resultaten van het integriteitsonderzoek aan [verzoeker 1]gepresenteerd. [verweerder 2] is in het kader van het integriteitsonderzoek niet gehoord door de integriteitsonderzoekers. [verzoeker 1]heeft op 6 februari 2013 een ontbindingsverzoek ingediend – dat zij naar aanleiding van het verweer van [verweerder 2] heeft ingetrokken – en daarbij het rapport van de integriteitsonderzoekers aan [verweerder 2] beschikbaar gesteld.

Ontbinding

3.2

Enerzijds heeft [verweerder 2] verweer gevoerd tegen de door [verzoeker 1]verzochte voorwaardelijke ontbinding en heeft hij de daarvoor gestelde gronden betwist, maar anderzijds heeft hij zelf, op andere gronden, ook om ontbinding verzocht. Hoewel [verweerder 2] daartoe een onvoorwaardelijk verzoek tot ontbinding heeft gedaan, kan dat vanzelfsprekend uitsluitend worden ingewilligd voor zover de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog bestaat. Naast de door beide partijen gedane verzoeken is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gebleken dat beide partijen het er over eens zijn dat een vruchtbare samenwerking niet meer tot de mogelijkheden behoort en dat de arbeidsovereenkomst ontbonden moet worden. Op basis van het door partijen gestelde staat voorts vast dat geen verband bestaat tussen de indiening van het verzoekschrift en de in artikel 7:685 BW bedoelde opzegverboden. Nu partijen het er over eens zijn dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden per 16 oktober 2013.

Vergoeding

3.3

Thans dient beoordeeld te worden of vanwege de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding aan [verweerder 2] dient te worden toegekend, zoals door hem is verzocht, en, zo ja, wat de hoogte van de vergoeding is. Hiertoe dient hetgeen partijen aan hun (voorwaardelijke) verzoek/verweer ten grondslag hebben gelegd – voor zover relevant – te worden beoordeeld.

Verklaringen van medewerkers van [verzoeker 1]

3.4

Ter onderbouwing van haar stelling dat aan [verweerder 2] geen vergoeding toekomt, stelt [verzoeker 1]primair dat sprake is van een dringende reden voor ontbinding, gelegen in het gedrag van [verweerder 2] waarover de vijf medewerkers hebben verklaard, zoals verwoord in de ontslagbrief en hiervoor aangehaald onder 3.1 sub m, kort gezegd bestaande uit machtsmisbruik, intimidatie, manipulatie, bedreigende en beangstigende bejegening en (poging tot) frustratie van het forensisch onderzoek. Aan de vraag of daarvan sprake is, hetgeen [verweerder 2] betwist, en aan de vraag of dat een dringende reden oplevert, komt de kantonrechter niet toe gelet op het voorwaardelijke karakter van het verzoek van[verzoeker 2]. [verzoeker 1]verzoekt immers ontbinding voor zover wordt vastgesteld dat het ontslag op staande voet op 23 oktober 2012 niet rechtsgeldig is gegeven. In de onderhavige ontbindingsprocedure dient thans dan ook te worden uitgegaan van die hypothese; er dient dus van te worden uitgegaan dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven omdat de vijf verklaringen geen dringende reden opleveren. Het is aan de bodemrechter om te beoordelen of dat daadwerkelijk zo is.

3.5

Dat is slechts anders indien sprake is van (nieuwe) feiten of omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde (eerdere) feiten of omstandigheden een dringende reden opleveren. [verzoeker 1]heeft wel nadere verklaringen van de medewerkers overgelegd, maar daarin wordt uitsluitend een nadere uitleg gegeven van de eerder afgelegde verklaringen, waarbij wordt ingegaan op verklaringen die [verweerder 2] heeft afgelegd tegenover de eerdere verklaringen van de medewerkers. De nadere verklaringen van de medewerkers leveren daarom geen nieuwe feiten of omstandigheden op waarvan thans dient te worden beoordeeld of deze op zichzelf of in samenhang met de eerdere verklaringen een dringende reden opleveren. De bodemrechter zal daarover oordelen, zo nodig na nadere bewijsvoering.

3.6

De kantonrechter overweegt wel dat uit de verklaringen van de medewerkers en hetgeen [verweerder 2] daarover in deze procedure heeft gesteld, in ieder geval blijkt dat [verweerder 2] tegen medewerkers heeft gezegd dat zij niet meer tegen de onderzoekers zouden moeten verklaren dan hun gevraagd werd en waarvan zij zeker waren. Naar het oordeel van de kantonrechter had [verweerder 2] de medewerkers niet aldus mogen trachten te beperken in hetgeen zij zouden kunnen gaan verklaren. Dat [verweerder 2], zoals hij aanvoert, in de hectische en onzekere situatie bij [verzoeker 1]als gevolg van de arrestatie van de statutair directeur van [verzoeker 1]en de lopende onderzoeken, waarbij volgens [verweerder 2] de onderzoekers bovendien onvoldoende deskundig waren op het werkgebied van[verzoeker 2], de medewerkers op het hart heeft willen drukken om uitsluitend datgene te verklaren waarvan zij zeker waren en niets te insinueren, is op zichzelf wel te begrijpen, maar dat levert, mede gelet op de positie van [verweerder 2] bij[verzoeker 2], (ten minste) een vorm van beïnvloeding op en daarvan had hij zich dienen te onthouden. [verweerder 2] heeft dat (destijds) klaarblijkelijk onvoldoende onderkend.

Integriteitsschendingen

3.7

[verzoeker 1]stelt dat subsidair sprake is van een dringende reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, gelegen in de resultaten van het integriteitsonderzoek.

3.8

[verweerder 2] heeft daartegen in de eerste plaats aangevoerd dat [verzoeker 1]geen beroep kan doen op het rapport van het integriteitsonderzoek, gelet op de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. Hij stelt daartoe dat 1) hij niet vooraf is geïnformeerd over wat het integriteitsonderzoek inhield en wat zijn positie zou zijn, 2) hij niet is gehoord, 3) niet is aangegeven hoe het integriteitsonderzoek is verricht, 4) is nagelaten om aan te geven door wie, wanneer en op welke wijze de integriteitsmeldingen zouden zijn gedaan, 5) de conclusies vaak gekleurd, slecht onderbouwd, kort door de bocht en niet duidelijk zijn en 6) op verzoek van [verzoeker 1]geen hoor en wederhoor is toegepast. [verweerder 2] stelt voorts dat [verzoeker 1]heeft nagelaten om vervolgens zelf hoor en wederhoor toe te passen.

3.9

De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder 2] door de integriteitsonderzoekers gehoord had moeten worden omtrent hun bevindingen. Door dat – op instructie van [verzoeker 1]– na te laten, is sprake van een eenzijdig rapport. Het rapport van de integriteitsonderzoekers is daardoor evenwel niet onbruikbaar, maar heeft daardoor wel een beperkte waarde. De integriteitsonderzoekers hebben immers geen nader onderzoek kunnen doen om eventueel verweer van [verweerder 2] tegen de bevindingen in het rapport te weerleggen. De overige vijf punten die [verweerder 2] heeft aangevoerd als bezwaar tegen de wijze waarop het integriteitsonderzoek is uitgevoerd, maken het rapport evenmin onbruikbaar.

3.10

Nu [verweerder 2] niet door de integriteitsonderzoekers is gehoord, had hij in ieder geval naar aanleiding van het door hen uitgebrachte rapport door [verzoeker 1]moeten worden gehoord dan wel in staat moeten worden gesteld om zijn reactie op het rapport te geven. Ook dat is echter nagelaten. Als gevolg daarvan heeft [verweerder 2] eerst in zijn verweerschrift in deze procedure een inhoudelijke reactie op het integriteitsonderzoek kunnen geven, van welke gelegenheid hij ook uitgebreid gebruik heeft gemaakt. De handelswijze van [verzoeker 1]is in strijd met goed werkgeverschap. Bovendien heeft[verzoeker 2], geconfronteerd met het verweer van [verweerder 2] naar aanleiding van het eerste door haar ingediende ontbindingsverzoek, haar verweer ingetrokken omdat zij nader onderzoek wenste te doen gelet op het gevoerde verweer. Dat had nu juist voorkomen kunnen worden door hoor en wederhoor toe te passen tijdens het onderzoek, althans na het gereedkomen daarvan en in ieder geval voorafgaand aan deze procedure. Nu in het kader van deze procedure geen bewijslevering mogelijk is, komen relevante feiten mogelijk niet vast te staan omdat in de voorfase onvoldoende bewijs is verzameld.

3.11

[verzoeker 1]stelt dat uit het integriteitsonderzoek blijkt dat tientallen meldingen zijn gedaan van integriteitsschendingen door [verweerder 2] en dat deze meldingen, zowel afzonderlijk als gezamenlijk, een dringende reden voor ontbinding opleveren. [verzoeker 1]heeft vijf meldingen uitgewerkt in haar verzoekschrift. Deze zullen hierna worden beoordeeld. De overige meldingen zullen buiten beschouwing worden gelaten nu [verzoeker 1]daaromtrent in haar verzoekschrift niet meer heeft gesteld dan dat zij daar nadrukkelijk op wijst en deze ernstig acht.

Integriteitsschending: aanschaf camera

3.12

[verzoeker 1]stelt dat [verweerder 2] in mei 2012 op kosten van [verzoeker 1]maar ten behoeve van zichzelf een fotocamera met toebehoren heeft aangeschaft voor in totaal € 3.600,00. [verzoeker 1]stelt dat [verweerder 2] deze camera heeft gekregen in plaats van een extra bonus die de statutair directeur hem had toegezegd voor zijn inzet bij de afronding van een project, maar waarvan [verweerder 2] had afgezien. Zij stelt dat hij daarbij de gebruikelijke financiële afhandeling heeft omzeild.

3.13

[verweerder 2] stelt dat hij de camera heeft aangeschaft omdat[verzoeker 2], nadat haar gehele woningbestand door een professionele fotograaf zou zijn gefotografeerd, zelf haar portfolio actueel zou gaan houden en de statutair directeur had besloten dat [verweerder 2] in het vervolg de foto’s zou gaan verzorgen. [verweerder 2] stelt dat hij vervolgens aan de statutair directeur heeft gevraagd om de camera privé te mogen gebruiken tijdens vakanties en dat de statutair directeur daartoe toestemming heeft gegeven en daarbij heeft kenbaar heeft gemaakt het leuk te vinden toch iets voor [verweerder 2] te kunnen doen nu deze van de extra bonus had afgezien. [verweerder 2] betwist dat de financiële afhandeling van de aankoop van de camera niet op de gebruikelijke wijze heeft plaatsgevonden.

3.14

[verzoeker 1]betwist het verweer van [verweerder 2] door erop te wijzen dat de professionele fotograaf nog niet eens was begonnen aan zijn opdracht om het woningbestand vast te leggen, zodat onbegrijpelijk en ongeloofwaardig is dat reeds een dure camera werd aangeschaft om dat nog niet bestaande bestand in de toekomst actueel te gaan houden, terwijl [verweerder 2] dan wel reeds de camera tijdens vakanties mocht gebruiken. Voorts stelt zij dat haar afdeling communicatie reeds over een camera beschikte en dat de manager en de medewerkers van die afdeling hebben verklaard dat nimmer over de aanschaf van een camera is gesproken. Zij stelt voorts dat de camera verstopt in een kast op het kantoor van [verweerder 2] werd aangetroffen.

3.15

[verweerder 2] heeft daartegenover zijn verweer niet nader onderbouwd. De kantonrechter is van oordeel dat, zoals [verzoeker 1]stelt, de camera klaarblijkelijk op het moment van aanschaf alleen voor privégebruik door [verweerder 2] zou gaan dienen nu uit de verklaringen van alle betrokkenen, ook die van de statutair directeur en de andere titulair directeur, blijkt dat de camera bedoeld was voor het actueel houden van een bestand terwijl vast staat dat de opdracht voor het maken van dat bestand nog niet eens gegeven was. De verklaring dat de camera reeds voor dat beoogde zakelijke gebruik werd aangeschaft, is daarom ongeloofwaardig. Voor zover dat wel het geval is, moet worden geoordeeld dat, gelet op de financiële situatie waarin [verzoeker 1]verkeerde, een dergelijke handelswijze (het aankopen van een camera voor € 3.600,00 voor zakelijk gebruik terwijl daarvan vooralsnog geen sprake zal zijn, maar vooralsnog uitsluitend privégebruik zal plaatshebben) niet integer is en een medewerker op een positie als die van [verweerder 2] onwaardig is.

Integriteitsschending: aanschaf computer en LCD scherm

3.16

[verzoeker 1]stelt dat [verweerder 2] in het kader van een regeling op grond waarvan een werknemer op fiscaal gunstige wijze een computer kan aanschaffen, een computer inclusief monitor en daarbij tevens, ongeoorloofd, een LCD televisie heeft gekocht, terwijl hij bovendien niet de voorgeschreven wijze van financieel-administratieve verwerking heeft gevolgd en het aankoopbedrag niet heeft terugbetaald.

3.17

[verweerder 2] heeft daartegen aangevoerd dat de LCD televisie met toestemming van de statutair directeur is aangeschaft met de bedoeling om twee beeldschermen naast elkaar te kunnen gebruiken tijdens het thuiswerken. [verweerder 2] stelt dat dit in de praktijk echter niet goed bleek te werken en dat hij daarom de LCD televisie uitsluitend privé als televisie heeft gebruikt. Voors stelt hij dat het werken met twee beeldschermen later alsnog bij [verzoeker 1]is ingevoerd.

3.18

Naar het oordeel van de kantonrechter moet het handelen van [verweerder 2] ten minste worden gekwalificeerd als het opzoeken van de grenzen van de regeling, is het niet integer en voorts een medewerker op een positie als die van [verweerder 2] onwaardig. Daarbij kan hij, zoals [verzoeker 1]heeft betoogd, zich niet beroepen op de toestemming van de statutair directeur, maar had hij, gelet op zijn positie (destijds geen directeur maar wel hoofd financiën), een eigen verantwoordelijkheid.

Integriteitsschending: declaratiegedrag, medisch onderzoek en salarisverhoging

3.19

Over het declaratiegedrag stelt [verzoeker 1]dat [verweerder 2], evenals de andere twee directeuren, een maandelijkse onkostenvergoeding van € 262,30 ontving terwijl volgens de regeling van [verzoeker 1]niemand een onkostenvergoeding ontvangt, dat [verweerder 2] daarbovenop nog onkosten heeft gedeclareerd, dat hij zijn ingediende declaraties zelf ondertekende en daarvoor contant geld ontving en voorts dat hij bij gebruikmaking van de NAC-vipkaarten en het golfabonnement geld via de kas opnam voor consumpties. Voorts stelt [verzoeker 1]dat [verweerder 2] onkostendeclaraties van de andere titulair directeur blind tekende zonder dat tussen hen een hiërachische verhouding bestond, zonder dat daarvoor een werkafspraak bestond en voorts zonder dat deze declaraties onderbouwd waren.

3.20

[verweerder 2] stelt dat hij in de periode 2010 – 2012 in totaal € 1.557,07 heeft gedeclareerd, waarvan de grootste post kosten betreft van een op verzoek van [verzoeker 1]gevolgde studie. Voorts wijst [verweerder 2] erop dat door accountants en de belastingdienst nooit opmerkingen zijn gemaakt over de declaraties en dat zelfs de forensisch onderzoekers opmerken dat [verweerder 2] slechts incidenteel declareerde. Over het ondertekenen van de declaraties van de andere titulair directeur stelt [verweerder 2] dat dit conform de werkafspraak was.

3.21

Over het medisch onderzoek stelt [verzoeker 1]dat het directieteam, waaronder [verweerder 2], een kostbaar medisch onderzoek heeft ondergaan en dat [verzoeker 1]de kosten daarvan, voor [verweerder 2] € 1.828,50, heeft betaald.

3.22

[verweerder 2] erkent dat hij, destijds als lid van het managementteam – niet van het directieteam – en evenals de andere leden van het managementteam, het onderzoek op kosten van [verzoeker 1]heeft ondergaan en wel op verzoek van de statutair directeur.

3.23

Over de salarisverhoging stelt [verzoeker 1]dat [verweerder 2] zichzelf forse salarisverhogingen heeft toegekend, met een stijging van 45% in 5 jaar, welke geen rechtvaardiging vinden in de cao en dat het loon hoger is dan in de toepasselijke Governance code is afgesproken.

3.24

[verweerder 2] stelt dat met zijn benoeming tot directeur financiën en vastgoedprojecten een ander salaris is overeengekomen en dat dit salaris vervolgens met circa 2% per jaar is gestegen.

3.25

Naar het oordeel van de kantonrechter is niet aannemelijk geworden dat [verweerder 2] onterechte declaraties heeft ingediend. Ten aanzien van het tekenen van de declaraties van de andere titulair directeur kan [verweerder 2] wel een verwijt worden gemaakt, nu, nog los van de vraag of [verweerder 2] de bevoegdheid had om deze declaraties te tekenen, niet in geschil is dat voor deze declaraties onvoldoende onderbouwing bestond, zodat [verweerder 2] daar in ieder geval kritischer mee had moeten omgaan en, nu hij dat heeft nagelaten, vraagtekens moeten worden geplaatst bij zijn optreden op dat punt.

Ten aanzien het op kosten van [verzoeker 1]ondergaan van een medisch onderzoek is naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk geworden dat en waarom daarvan aan [verweerder 2] een verwijt zou kunnen worden gemaakt.

Over de salarisstijging wordt overwogen dat uit de in het integriteitsrapport genoemde salarisbedragen enerzijds wel is gebleken dat sprake is van een stijging van 45% in de periode van 5 jaar, maar anderzijds dat deze stijging, zoals [verweerder 2] heeft gesteld, voornamelijk is veroorzaakt door een forse salarisstijging bij zijn benoeming tot directeur en dat daarna de jaarlijkse stijging een paar procent bedroeg. Naar het oordeel van de kantonrechter is de salarisstijging van [verweerder 2] bij zijn benoeming tot directeur als exorbitant aan te merken, maar dat brengt nog niet mee dat hem een verwijt valt te maken van het (destijds) aanvaarden daarvan. De omstandigheid dat het salaris ruim ligt boven het in de CAO Woondiensten vermelde loon, maakt deze salarisstijging niet onrechtmatig nu deze CAO een minimumkarakter draagt.

Integriteitsschending: oneigenlijke post in begroting

3.26

[verzoeker 1]stelt dat in de begroting van het project [naam 5] een oneigenlijke post van € 139.000,-- was opgenomen ter verrekening van meerwerk in een ander project ([naam 5]) met dezelfde wederpartij en dat een medewerker [verweerder 2] per e-mail op 5 juli 2012 heeft gewezen op deze oneigenlijke post, maar dat [verweerder 2], die op 23 juli op vakantie zou gaan, heeft nagelaten om daarop actie te ondernemen, dat de medewerker daarom op 13 augustus [naam 2] attent heeft gemaakt op de kwestie, dat [verweerder 2] toen tegen de betreffende medewerker heeft gezegd dat hij dat niet had moeten doen en “zo gaan we niet met elkaar om” en tegen [naam 2] dat de medewerker haar niet met deze kwestie had moeten lastig vallen.

3.27

Tussen partijen staat vast dat dat [naam 2] heeft besloten om de post buiten de begroting te laten.

3.28

[verweerder 2] betwist dat hij geen actie heeft ondernomen. Hij stelt dat hij de betreffende medewerker heeft gevraagd om het tot op de bodem uit te zoeken en dat hij een andere medewerker heeft gevraagd om daarop toe te zien en dat hij er na zijn vakantie op zou terugkomen. Voorts stelt hij dat de verrekening correct was en dat noch de eindgebruiker, noch [verzoeker 1]er nadeel van heeft ondervonden.

3.29

Daartegenover stelt [verzoeker 1]dat [verweerder 2] nalaat zijn verantwoordelijkheid als directeur financiën en vastgoed te nemen en steeds naar een ander wijst en dat hij deze kwestie zelf had behoren uit te zoeken. Zij stelt dat [verweerder 2] heeft geprobeerd om de oneigenlijke post op de begroting onder het tapijt te schuiven en [naam 2] er buiten te houden en voorts dat hij de medewerker die het aan [naam 2] had medegedeeld daar op een vervelende manier op heeft aangesproken. Voorts stelt zij dat de wijze van verrekening niet correct was, omdat een factuur moest worden verzonden voor werkzaamheden die niet waren verricht.

3.30

[verweerder 2] heeft erkend dat de verrekening boekhoudkundig gezien “niet de schoonheidsprijs verdient”.

3.31

Vast staat dat de verrekening middels de oneigenlijke begrotingspost boekhoudkundig niet deugt. Naar het oordeel van de kantonrechter had van [verweerder 2], gelet op zijn functie van directeur financiën en vastgoedprojecten, toen hij op deze oneigenlijke begrotingspost werd geattendeerd, mogen worden verwacht dat hij zou hebben uitgezocht of zou hebben laten uitzoeken hoe het zat. Hij stelt wel dat hij aan een medewerker heeft gevraagd om het uit te zoeken en aan een andere om daarop toe te zien, maar in de verklaringen van de betreffende medewerkers tegenover de integriteitsonderzoekers is daarover niets opgenomen. Hier wreekt zich dat in het kader van het integriteitsonderzoek geen hoor en wederhoor is toegepast, want dan had mogelijk duidelijkheid op dit punt kunnen worden verkregen. Wat daarvan ook zij, vast staat in ieder geval wel dat [verweerder 2] niet op korte termijn, in de twee weken voordat hij op vakantie is gegaan, heeft uitgezocht of heeft laten uitzoeken hoe het zat met de begrotingspost. Daarvan valt [verweerder 2] naar het oordeel van de kantonrechter een verwijt te maken, te meer gelet op de situatie waarin [verzoeker 1]verkeerde: niet alleen was zij onder verscherpt toezicht gesteld, maar inmiddels was de statutair directeur ook gearresteerd op verdenking van fraude en voorts werd in de betreffende periode, terwijl al een justitieel onderzoek gaande was, ook nog het forensisch onderzoek opgestart.

Integriteitsschending: dubieuze facturering

3.32

Tussen partijen staat vast dat [verzoeker 1]in 2008 een vordering van € 35.000,-- kreeg op [naam 5] wegens – kort gezegd – het niet nakomen van verplichtingen betreffende de verhuur van een pand aan de [naam 5] in Terneuzen. Deze vordering bleef onbetaald en is in februari 2012 door [verweerder 2] afgeboekt met “afkoop financieringsrente project [naam 5]”, een project dat niets te maken had met het pand aan de [naam 5] in Terneuzen.

3.33

[verweerder 2] stelt dat hij de openstaande vordering jarenlang heeft besproken met de statutair directeur en dat deze uiteindelijk heeft besloten om de vordering te verrekenen door het bedrag mee te nemen in de korting die [verzoeker 1]kreeg op het project [naam 5], zodat [verzoeker 1]haar vordering feitelijk op die wijze voldaan heeft gekregen.

3.34

[verzoeker 1]stelt echter dat [verweerder 2] een eigen verantwoordelijkheid heeft en zich niet achter de statutair directeur kan verschuilen. Zij stelt voorts dat uit het voorgaande blijkt dat [verweerder 2] op dubieuze en onverantwoorde wijze met de financiën van [verzoeker 1]is omgegaan.

3.35

Naar het oordeel van de kantonrechter kan [verweerder 2], hoewel onbetwist is dat voor de verrekening op zichzelf wel grond bestond en [verzoeker 1]niet is benadeeld door de afboeking, een verwijt worden gemaakt van de onjuiste boekhoudkundige verwerking daarvan. [verweerder 2] kan zich er niet op beroepen dat de statutair directeur aldus had besloten; hij had als directeur financiën een eigen verantwoordelijkheid.

Conclusie betreffende de integriteitsschendingen

3.36

Uit de door [verzoeker 1]aangehaalde en hierboven beoordeelde meldingen ten aanzien van de integriteit van [verweerder 2], zoals de aanschaf van de camera en de televisie, volgt dat [verweerder 2] niet integer heeft gehandeld en dat er zich kennelijk binnen het directieteam een bestuurs- en omgangsstijl had ontwikkeld waarin ruimte was voor “gesjoemel” en bevoordeling van zichzelf en elkaar. Uit het tekenen van niet-onderbouwde declaraties van de collega-directeur en de wijze waarop [verweerder 2] is omgegaan met de melding van de oneigenlijke post in de begroting en met de dubieuze facturering, blijkt voorts dat [verweerder 2] zich niet kritisch heeft opgesteld en zijn verantwoordelijkheden als financieel directeur niet heeft genomen. Van het voormelde kan [verweerder 2] een verwijt worden gemaakt. Een dringende reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst levert het voorgaande evenwel niet op.

Forensisch onderzoek: [naam 5]

3.37

[verzoeker 1]stelt dat subsidair sprake is van een dringende reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, gelegen in de resultaten van het forensisch onderzoek. Zij stelt dat het directieteam, waarvan [verweerder 2] deel uitmaakte, de afgelopen jaren bij diverse projecten via ondoorzichtige geldstromen die over vele schijven gingen, heeft verhuld dat [verzoeker 1]vele miljoenen betaalde aan derde partijen terwijl daar geen tegenprestaties tegenover stonden danwel toekomstige tegenprestaties die nooit zijn nagekomen. [verweerder 2] moet, aldus[verzoeker 2], hiervan op zijn minst op de hoogte zijn geweest, maar heeft nagelaten daarop actie te ondernemen. [verzoeker 1]stelt dat [verweerder 2] zijn verantwoordelijkheden grovelijk heeft veronachtzaamd. Als voorbeeld heeft zij het project [naam 5] uitgewerkt. [verzoeker 1]stelt dat zij de overige projecten onbesproken laat vanwege de aard van de ontbindingsprocedure en de complexiteit van de onderzochte projecten. De overige projecten worden dus ook door de kantonrechter buiten beschouwing gelaten.

3.38

[verzoeker 1]verwijt [verweerder 2] dat hij bij het project [naam 5] zijn verantwoordelijk-heden grovelijk heeft veronachtzaamd doordat – kort gezegd –:

a. a) de koop- en aanneemovereenkomst, in samenspraak met de statutair directeur, is gesloten zonder gedegen controle, waardoor een verschil in het aantal te bouwen appartementen (25 in plaats van 36) niet is opgemerkt;

b) ten aanzien van de betaling van de grond:

1) de kooprijs werd voldaan voordat de bouw was aangevangen terwijl de RvC van [verzoeker 1]als voorwaarde had gesteld dat de koopprijs eerst zou worden betaald bij aanvang van de bouw; terwijl bovendien

2) het een woningcorporatie niet is toegestaan om, door een constructie van vooruitbetaling van de grondprijs, op te treden als financier voor derde partijen; en tot slot

3) de betaalde grondprijs veel te hoog was omdat deze gebaseerd was op de ontwikkeling van het hogere aantal appartementen en voorts omdat de betaalde prijs van € 1.436,- per m² niet is gerelateerd aan de werkelijke waarde van de grond en nooit een taxatie heeft plaatsgehad; en

c) hij heeft nagelaten om een beroep te doen op de mogelijkheid van ontbinding toen bleek dat geen vergunning zou worden verleend voor de bouw van 36 appartementen;

3.39

[verweerder 2] voert allereerst aan dat niet het volledige forensisch onderzoeksrapport is overgelegd, maar slechts een deel en dat de forensisch onderzoekers daarin geen conclusies hebben getrokken zoals de thans door [verzoeker 1]gestelde verwijten, maar dat zij slechts een feitenopsomming hebben gegeven.

3.40

[verweerder 2] betwist dat hij zijn verantwoordelijkheden als directeur financiën en vastgoed heeft geschonden. Tegen de stellingen van [verzoeker 1]voert hij aan dat [verzoeker 1]klaarblijkelijk door de ontwikkelaar verkeerd was geïnformeerd over het aantal te bouwen appartementen. Hij wijst er echter op dat het aantal appartementen was vastgelegd in de overeenkomst zodat [verzoeker 1]de overeenkomst kon ontbinden indien het overeengekomen aantal appartementen niet zou worden gebouwd. [verweerder 2] erkent dat niet was voldaan aan de door de RvC gestelde voorwaarden, maar stelt dat de statutair directeur hem heeft medegedeeld dat de RvC niettemin had ingestemd met de levering van en betaling voor de grond en dat hij, [verweerder 2], bij die besluitvorming niet betrokken was. Ten aanzien van de hoogte van de grondprijs stelt [verweerder 2] dat een percentage van 35% van de stichtingskosten destijds gebruikelijk was en voorts dat deze inderdaad was gebaseerd op 36 te bouwen appartementen, maar dat bij het niet leveren van dit aantal appartementen de overeenkomst door [verzoeker 1]kon worden ontbonden. [verweerder 2] stelt dat [verzoeker 1]geen behoefte had om de overeenkomst te ontbinden omdat zij, met dezelfde ontwikkelaar, nog drie andere projecten onder handen had, waaronder een veel groter project. Hij stelt voorts dat namens [verzoeker 1]meteen schriftelijk is geprotesteerd toen bleek dat de ontwikkelaar was afgeweken van de overeengekomen uitgangspunten. Tot slot stelt [verweerder 2] dat [verzoeker 1]niet is benadeeld gelet op de mogelijkheid van ontbinding.

3.41

Daartegenover stelt [verzoeker 1]dat [verweerder 2] zich niet kan verschuilen achter de mededeling van de statutair directeur dat de RvC alsnog had ingestemd, maar dat hij ervoor had moeten zorgen dat het projectdossier op orde was zodat de risico’s en verplichtingen duidelijk zouden zijn geweest en duidelijk zou zijn geweest dat de bouwvergunning voor 36 appartementen er niet was en er dus een te hoge grondprijs was betaald en deze al helemaal niet te vroeg zou zijn betaald en voorts dat [verweerder 2] er nu juist een verwijt van kan worden gemaakt dat hij heeft nagelaten om de overeenkomst te ontbinden. [verzoeker 1]stelt dat zij de overeenkomst alsnog heeft ontbonden maar dat het maar de vraag is of de reeds voor de grond betaalde koopprijs van ruim € 2,2 miljoen ook daadwerkelijk aan [verzoeker 1]zal worden terugbetaald.

3.42

Naar het oordeel van de kantonrechter valt [verweerder 2] een verwijt te maken van het niet op orde hebben van het projectdossier. Weliswaar kan met betrekking tot het niet opmerken van een afwijkend aantal appartementen nog worden geoordeeld dat dit een onoplettendheid betreft (in de als bijlage bij het de forensisch onderzoeksrapport gevoegde “factsheet” van de ontwikkelaar, is zowel 25 als 36 appartementen vermeld, zodat de oplettende lezer daarover vragen had moeten stellen), maar de stelling van [verzoeker 1]dat het projectdossier niet op orde was wordt wel bevestigd door de bevindingen in het forensisch onderzoeksrapport: terwijl de levering van en betaling voor de grond reeds in november 2009 heeft plaatsgehad, was er lange tijd geen projectleider en werd deze eerst in september 2010 benoemd en was er voorts binnen [verzoeker 1]tot maart 2012 weinig aandacht voor dit project. Op zichzelf kunnen hiervoor gegronde redenen bestaan, zoals de door [verweerder 2] genoemde omstandigheid dat er weinig concrete ontwikkelingen waren in het project, maar naar het oordeel van de kantonrechter dient dat dan ook uit het projectdossier te blijken. Voorts heeft [verweerder 2] volgens het forensisch onderzoeksrapport erkend dat de door de RvC gestelde voorwaarden niet goed zijn gemonitord. Weliswaar stelt hij dat hij alleen bij de totstandkoming van de overeenkomsten betrokken is geweest, maar gelet op zijn functie van directeur financiën en vastgoed, draagt hij ook verantwoordelijkheid voor een project indien hij daarbij niet (meer) rechtstreeks betrokken is. Ten aanzien van de stelling van [verzoeker 1]dat de voor de grond betaalde prijs te hoog is gelet op het aantal appartementen heeft [verweerder 2] wel aangevoerd dat [verzoeker 1]juist om die reden de overeenkomst kon ontbinden, maar de stelling van [verzoeker 1]dat de betaalde grondprijs van € 1.436,- per m² niet is gerelateerd aan de werkelijke waarde van de grond, heeft [verweerder 2] niet betwist – overigens heeft [verzoeker 1]niet gesteld wat dan wel de werkelijke waarde van de grond is, zodat niet duidelijk is hoe ernstig het verwijt aan [verweerder 2] op dit punt is –. Gelet op al het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [verweerder 2] ten aanzien van het project [naam 5] niet heeft voldaan aan de op hem rustende verantwoordelijkheden. Niet gebleken is echter dat hij zijn verantwoordelijkheden zodanig grovelijk heeft veronachtzaamd dat zulks een dringende reden oplevert.

[naam 5]

3.43

[verzoeker 1]stelt tot slot dat sprake is van een dringende reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, gelegen in de handelswijze van [verweerder 2] aangaande het project “ [naam 5]”. Zij stelt dat een perceel grond, nadat het eerst door een derde aan [verzoeker 1]te koop was aangeboden, in 2006 door [naam 5] B.V. is gekocht en vervolgens op dezelfde dag aan [verzoeker 1]is doorverkocht tegen een prijs die € 475.000 hoger lag. [verzoeker 1]verwijt [verweerder 2] dat hij deze waardesprong, een benadeling van[verzoeker 2], had moeten opmerken nu hij voor de betalingsopdracht heeft getekend.

3.44

Daartegenover stelt [verweerder 2] dat hij niet van de betreffende transactie op de hoogte was, dat hij voor het accorderen van de betalingsopdracht geen inhoudelijke controle behoefde uit te voeren maar uitsluitend behoefde te controleren, en ook heeft gecontroleerd, of de betrokken verantwoordelijken, in dit geval de statutair bestuurder en de projectmanager, de onderliggende factuur hadden goedgekeurd. Voorts stelt hij dat, naar hij achteraf heeft begrepen, de waardesprong wordt verklaard doordat er niet één maar twee percelen zijn geleverd aan[verzoeker 2].

3.45

[verzoeker 1]heeft het verweer van [verweerder 2] over de wijze waarop de controle van betalingsopdrachten bij [verzoeker 1]plaats had, niet gemotiveerd betwist. Haar stelling “Indien de manager financiën – destijds de functie van [verweerder 2] – een factuur niet behoeft te toetsen, wie dan wel?” is daartoe niet genoeg. Derhalve is niet gebleken dat ten aanzien van het project [naam 5] een verwijt aan [verweerder 2] valt te maken noch dat sprake is van een dringende reden. Overigens is in het kader van deze procedure niet duidelijk geworden of de waardesprong nu wel of niet verklaard wordt doordat een extra perceel is geleverd, zoals [verweerder 2] gemotiveerd heeft gesteld.

Conclusie ten aanzien van dringende redenen

3.46

Geconcludeerd moet worden dat, naar hiervoor reeds is geoordeeld, van een dringende reden niet is gebleken. [verzoeker 1]stelt nog dat voormelde verwijten gezamenlijk een dringende reden opleveren, maar de kantonrechter volgt [verzoeker 1]daarin niet. Nu van een dringende reden niet is gebleken, betekent dat dat niet op die grond aan [verweerder 2] geen vergoeding toekomt.

Verandering van omstandigheden

3.47

[verzoeker 1]stelt dat, voor zover voornoemde omstandigheden geen dringende reden opleveren, wel sprake is van zodanige verandering in de omstandigheden, dat de arbeidsovereenkomst op grond daarvan moet worden ontbonden zonder toekenning van een vergoeding aan [verweerder 2]. Zij stelt daartoe dat hij zijn functie dusdanig heeft vervuld dat geen enkel vertrouwen meer bestaat in een vruchtbare samenwerkingsrelatie en [verweerder 2] daarvan in ernstige mate een verwijt kan worden gemaakt. Voorts stelt zij dat [verweerder 2] [verzoeker 1]ernstig benadeelt en heeft benadeeld, doordat hij het herstelproces stagneert in die zin dat [verzoeker 1]problemen heeft bij het aantrekken van financiering voor haar projecten omdat de accountant de jaarrekening over 2011 nog niet van een verklaring kan voorzien wegens de nog lopende onderzoeken en doordat [verweerder 2] bij de accountant de namen heeft gevraagd van haar medewerkers die hebben meegewerkt aan het opstellen van het financieringsplan van[verzoeker 2].

3.48

[verweerder 2] stelt dat van disfunctioneren geen sprake is en beroept zich erop dat [naam 2] dat ook heeft bevestigd. Voor zover daarvan wel sprake zou zijn geweest, had hij in de gelegenheid moet worden gesteld om zich te verbeteren, zo stelt [verweerder 2]. Voorts stelt hij dat voor zover het vertrouwen ontbreekt, het op de weg van de werkgever ligt om te werken aan het herstellen daarvan, maar dat [verzoeker 1]dat heeft nagelaten. In dit verband wijst [verweerder 2] op het langdurige dienstverband tussen partijen, waardoor van [verzoeker 1]de nodige inspanning mag worden verwachten om te komen tot een vruchtbare voortzetting van de arbeidsrelatie. [verweerder 2] weerspreekt voorts dat hij [verzoeker 1]benadeelt/heeft benadeeld zoals door haar gesteld.

3.49

Hier wordt reeds overwogen dat de kantonrechter de stelling van [verzoeker 1]dat zij door [verweerder 2] is/wordt benadeeld doordat haar accountant door zijn toedoen de jaarrekening over 2011 nog niet van een verklaring kan voorzien en zij dus geen financiering kan aantrekken, niet volgt.

3.50

Tegenover het verweer van [verweerder 2] voert [verzoeker 1]aan dat geen verbetertraject behoeft te worden ingezet indien sprake is van niet integer handelen door een medewerker in een functie als die van [verweerder 2], juist omdat van iemand in die functie mag worden verwacht dat hij over de essentiële eigenschappen beschikt waardoor hij die functie op integere wijze kan uitoefenen en die onontbeerlijk zijn voor het noodzakelijke vertrouwen in zijn functioneren. Zij stelt dat [verweerder 2] daaraan niet voldoet nu hij deel uitmaakte van een driehoofdige directie waarbinnen ieder de ander de hand boven het hoofd hield en dat [verweerder 2] heeft nagelaten om zijn verantwoordelijkheden te nemen.

3.51

Naar het oordeel van de kantonrechter is, gelet op hetgeen reeds is overwogen over de niet-integere handelswijze van [verweerder 2]/de aan hem te maken verwijten aangaande de aanschaf van de camera en de televisie, het tekenen van de declaraties van zijn collega-directeur, de oneigenlijke post in de begroting, de dubieuze facturering en het project [naam 5], aannemelijk dat [verzoeker 1]het vertrouwen in [verweerder 2] als directeur financiën en vastgoed heeft verloren en kan daarvan aan hem een verwijt worden gemaakt. Aannemelijk is dat [verweerder 2] bij herhaling niet integer heeft gehandeld door zichzelf en/of zijn collega-directeur te bevoordelen ten koste van [verzoeker 1]en voorts dat hij bij situaties die vraagtekens hadden moeten oproepen, onvoldoende kritisch is geweest en onvoldoende de verantwoordelijkheden heeft genomen die behoren bij zijn functie, maar is afgegaan op de beslissing van de statutair bestuurder en zich daarachter heeft verscholen – en thans nog verschuilt – zonder zelfstandig een afweging te maken. De kantonrechter is van oordeel dat, zoals [verzoeker 1]heeft aangevoerd, voor dergelijk “disfunctioneren” geen gelegenheid tot verbetering aan [verweerder 2] behoefde te worden geboden nu van een directeur financiën en vastgoedprojecten – een zware functie, zoals ook blijkt uit het daarvoor toegekende maandsalaris dat, nog exclusief toeslagen, ruim € 10.000,- bruto bedraagt – mag worden verwacht dat hij over de essentiële eigenschappen beschikt om die functie op integere wijze uit te oefenen en voorts dat hij de verantwoordelijkheden neemt die bij zo een functie behoren.

3.52

Het voorgaande betekent dat door het handelen van [verweerder 2] sprake is van een verandering van omstandigheden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden en dat daarvan aan [verweerder 2] een verwijt kan worden gemaakt.

Het tegenverzoek

3.53

[verweerder 2] stelt dat de arbeidsrelatie tussen partijen ernstig is verstoord door toedoen van[verzoeker 2]. Hij stelt dat hij ten onrechte buiten de organisatie is geplaatst en volledig is geïsoleerd doordat hij is geschorst, hem een contactverbod is opgelegd en hij op staande voet is ontslagen. Hij stelt dat hij zowel intern als extern negatief is afgeschilderd. Voorts stelt hij dat hij maandenlang heeft moeten wachten op de resultaten van de onderzoeken, dat bij het integriteitsonderzoek evenals bij het ontslag op staande voet, de zorgvuldigheid met voeten is getreden, door het (niet) toepassen van hoor en wederhoor en voorts dat het integriteitsonderzoek onjuist, onvolledig en niet-objectief is. Voorts stelt hij dat [verzoeker 1]([naam 2]) maar één doel had, namelijk om van hem af te komen en dat de omstandigheden die [verzoeker 1]aan het ontbindingsverzoek ten grondslag legt niet juist, niet volledig of niet gegrond zijn. Hij stelt dat hij 32 jaar goed heeft gefunctioneerd en dat, voor zover zijn functioneren verbeterd had moeten worden, hem daartoe gelegenheid had moeten worden geboden. Voorts verwijt hij [verzoeker 1]dat zij nooit overleg heeft gezocht om tot een oplossing te komen. Tot slot wijst hij op de extreem lange periode van onzekerheid en de zware emotionele belasting die dat voor hem meebracht.

3.54

Over de (on)juistheid van de concrete verwijten ten aanzien van het functioneren van [verweerder 2], de (bruikbaarheid van de) onderzoeken en het niet bieden van gelegenheid tot verbetering van het functioneren, is reeds geoordeeld in het kader van hetgeen [verzoeker 1]aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, zodat daarop thans niet meer behoeft te worden ingegaan. Dat [verweerder 2] door [verzoeker 1]intern en/of extern negatief is afgeschilderd is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. Weliswaar is bekend gemaakt dat het handelen van onder meer [verweerder 2] onderwerp van onderzoek was, maar niet gebleken is dat mededelingen zijn gedaan waaruit kan worden opgemaakt dat [verweerder 2] “niet deugde”. Het niet toepassen van hoor en wederhoor door de integriteitsonderzoekers op instructie van [verzoeker 1]en door [verzoeker 1]zelf in het kader van zowel het integriteitsonderzoek als het ontslag op staande voet, is naar het oordeel van de kantonrechter onzorgvuldig en onbehoorlijk. Dat geldt te meer nu [verzoeker 1]het eerste door haar ingediende ontbindingsverzoek heeft ingetrokken naar aanleiding van het verweer van [verweerder 2], hetgeen voorkomen had kunnen worden indien [verzoeker 1][verweerder 2] in ieder geval voorafgaand aan het indienen van dat ontbindingsverzoek in de gelegenheid zou hebben gesteld om zijn reactie op het integriteitsonderzoek te geven. Vast staat wel dat [verweerder 2] gedurende een zeer lange periode in onzekerheid heeft verkeerd, zonder dat [verzoeker 1]enig contact of overleg met hem had en onbetwist is dat dat een zware emotionele belasting voor hem meebracht. Aannemelijk is dan ook dat door deze handelswijze van [verzoeker 1]de arbeidsrelatie zodanig ernstig is verstoord dat de arbeidsovereenkomst op grond daarvan dient te worden ontbonden en dat daarvan, zoals [verweerder 2] stelt, [verzoeker 1]een verwijt kan worden gemaakt.

De vergoeding

3.55

In het voorgaande is overwogen dat van een dringende reden voor [verzoeker 1]niet is gebleken, dat aan [verweerder 2] een verwijt kan worden gemaakt van de verandering van omstandigheden welke [verzoeker 1]aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, maar tevens dat aan [verzoeker 1]een verwijt kan worden gemaakt van de vertrouwensbreuk die [verweerder 2] aan zijn ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd. Dit alles in samenhang bezien betekent dat in beginsel aan [verweerder 2] een vergoeding dient te worden toegekend, waarbij voor het bepalen van de hoogte alle door partijen gestelde omstandigheden moeten worden meegewogen.

3.56

[verweerder 2] stelt in dit verband dat hij gedurende zijn 32-jarige dienstverband steeds uitstekend heeft gefunctioneerd, dat hij een moeilijke positie op de arbeidsmarkt heeft, onder meer gelet op de negatieve publiciteit, en voorts dat rekening dient te worden gehouden met de extreem lange periode van onzekerheid en de zware emotionele belasting die dat voor hem meebracht.

3.57

[verzoeker 1]heeft in haar verzoekschrift (punt 99) nog gesteld dat aan [verweerder 2] geen vergoeding toekomt omdat de financiële situatie waarin zij thans verkeert rechtstreeks verband houdt met zijn (verwijtbaar) functioneren als directeur financiën en vastgoedprojecten, maar zij heeft die stelling – die zij niet aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, maar heeft geschetst als context waarin zij aan [verweerder 2] verwijten maakt – niet onderbouwd in het kader van de vraag of aan [verweerder 2] een vergoeding toekomt zodat deze er niet toe kan leiden dat geen vergoeding aan [verweerder 2] dient te worden toegekend.

3.58

[verzoeker 1]stelt voorts dat haar liquiditeitspositie geen ruimte biedt voor een vergoeding, maar deze stelling heeft zij niet met stukken onderbouwd zodat deze niet kan leiden tot het niet toekennen van een vergoeding aan [verweerder 2].

3.59

[verzoeker 1]beroept zich er voorts op dat de vergoeding, gelet op de WNT, de € 75.000,- niet te boven mag gaan.

3.60

[verweerder 2] betwist dat de WNT van toepassing is en dat hij als topfunctionaris in de zin van die wet dient te worden aangemerkt. Voorts stelt hij dat de kantonrechter niet gebonden is aan de maximale vergoeding van de WNT, zodat de hoogte van de aan hem toe te kennen vergoeding niet afhankelijk is van het bepaalde in de WNT.

3.61

Artikel 2.10 WNT bepaalt – kort gezegd – dat partijen wegens de beëindiging van het dienstverband ten hoogste een uitkering mogen overeenkomen van € 75.000,-. Vast staat dat deze regeling op [verzoeker 1]van toepassing is. Naar het oordeel van de kantonrechter moet [verweerder 2] wel worden aangemerkt als topfunctionaris in de zin van de WNT omdat hij titulair directeur is en tezamen met de statutair directeur en een andere titulair directeur deel uitmaakt van het directieteam. Voor het geval hij niet zou moeten worden aangemerkt als lid van het hoogste uitvoerende orgaan van[verzoeker 2], is hij in elk geval de hoogste ondergeschikte van dat orgaan. Nu echter in de onderhavige zaak geen sprake is van een overeengekomen beëindigingsuitkering, is de WNT in zoverre niet van toepassing. Bij toekenning van een ontbindingsvergoeding is de rechter niet gebonden aan het maximum uit de WNT. Niettemin dient naar het oordeel van de kantonrechter wel rekening te worden gehouden met de uit de WNT blijkende norm, mede omdat de WNT aan kracht zou verliezen wanneer via de rechter een uitkering zou kunnen worden verkregen waarbij het in de WNT bepaalde maximum geen rol zou spelen.

3.62

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de aan [verweerder 2] toe te kennen vergoeding in beginsel het in de WNT bepaalde maximum niet te boven dient te gaan. Voorts zijn – in aanmerking genomen hetgeen reeds is overwogen omtrent de aan ieder van partijen te maken verwijten – geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die een hogere dan wel een lagere vergoeding rechtvaardigen. De kantonrechter is dan ook voornemens om aan [verweerder 2] een vergoeding van € 75.000,- bruto toe te kennen.

3.63

Nu de kantonrechter voornemens is aan [verweerder 2] een vergoeding van € 75.000,- toe te kennen, terwijl [verzoeker 1]geen vergoeding heeft aangeboden en [verweerder 2] een hogere vergoeding heeft verzocht, zal aan beide partijen een termijn worden geboden om hun verzoek in te trekken. Voor zover slechts één van partijen het ontbindingsverzoek intrekt, zal die intrekking echter geen effect sorteren.

3.64

Beide partijen verzoeken hun wederpartij te veroordelen in de kosten, waaronder aan de zijde van [verzoeker 1]tevens de onderzoekskosten. Voor gemaakte kosten van rechtsbijstand wordt, gelet op de aanbevelingen van de kring van kantonrechters, geen aparte vergoeding toegekend. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld die afwijking van die aanbeveling rechtvaardigen. Ook ten aanzien van de kosten van het integriteitsonderzoek heeft [verzoeker 1]geen omstandigheden gesteld die toewijzing van die kosten rechtvaardigen. De kantonrechter overweegt hierbij in het bijzonder dat het integriteitsonderzoek ten aanzien van [verweerder 2] te weinig heeft opgeleverd om te kunnen zeggen dat die kosten noodzakelijk zijn geworden door zijn handelen en dat hij op die grond gehouden is tot vergoeding daarvan. Bepaald zal dan ook worden dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De kantonrechter:

stelt partijen in kennis van zijn voornemen de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover in rechte komt vast te staan dat deze nog bestaat, op grond van een verandering in de omstandigheden te ontbinden met ingang van 16 oktober 2013, onder toekenning aan [verweerder 2] ten laste van [verzoeker 1]van een vergoeding van € 75.000,- bruto;

stelt partijen in de gelegenheid om uiterlijk op 11 oktober 2013 om 16:00 uur hun verzoek in te trekken middels een schriftelijke verklaring aan de griffier, alsmede aan (de gemachtigde van) van de andere partij;

bij handhaving van één of beide verzoeken:

ontbindt de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst op grond van een verandering in de omstandigheden met ingang van 16 oktober 2013;

kent aan [verweerder 2] ten laste van [verzoeker 1]een vergoeding toe van € 75.000,- bruto;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt;

en bij intrekking van beide verzoeken:

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Wallis, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2013.