Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:6712

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
24-09-2013
Zaaknummer
727783_E16012013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

overeenkomst van werving en selectie tandarts

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Breda

zaak/rolnr.: 727783 \ CV EXPL 12-5130

vonnis d.d. 16 januari 2013

inzake

M.E.A.R. [eiseres], h.o.d.n. [naam],

zaakdoende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. L.A. Witten, advocaat te Nijmegen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] B.V.,

gevestigd te [adres],

gedaagde,

gemachtigde: mr. L. Delahaije, advocaat te Breda.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’.

1 Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het tussenvonnis van 29 augustus 2012 en de daarin genoemde stukken;

b. de aantekeningen van de griffier van de comparitie gehouden op 5 november 2012.

2 Het geschil

2.1

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 8.401,40, vermeerderd met rente en kosten.

2.2

[gedaagde] voert verweer.

3 De beoordeling

3.1

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast.

a. [eiseres] verricht de werving en selectie van tandartsen en brengt tandartsen in contact met opdrachtgevers met als doel een arbeidsverhouding tot stand te brengen.

b. In november 2011 heeft [eiseres] aan [gedaagde] de heer C. [de kandidaat tandarts] (hierna: [de kandidaat tandarts]) voorgesteld als kandidaat tandarts. Op 16 november 2011 heeft [de kandidaat tandarts] kennisgemaakt met [gedaagde].

c. Op 8 december 2011 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] enerzijds en de heren [vertegenwoordiger 1 gedaagde] (hierna: [vertegenwoordiger 1 gedaagde]) en [vertegenwoordiger 2 gedaagde] (hierna: [vertegenwoordiger 2 gedaagde]) namens [gedaagde] anderzijds. Voorafgaand aan dit gesprek heeft [eiseres] op 7 december 2011 [gedaagde] per e-mail haar algemene voorwaarden toegezonden.

d. Op 31 januari 2012 heeft [eiseres] [gedaagde] een factuur gezonden voor een bedrag van € 6.000,-- exclusief BTW. Deze factuur is op verzoek van [gedaagde] verstuurd naar [naam] B.V., waarvan [vertegenwoordiger 2 gedaagde] Beheer B.V. bestuurder en enig aandeelhouder is. [vertegenwoordiger 2 gedaagde] is bestuurder en enig aandeelhouder van [vertegenwoordiger 2 gedaagde] Beheer B.V..

e. Op 1 februari 2012 is [de kandidaat tandarts] in dienst getreden bij [gedaagde].

f. Op 23 februari 2012 heeft er nogmaals een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres], [vertegenwoordiger 1 gedaagde] en [vertegenwoordiger 2 gedaagde].

g. [eiseres] heeft vervolgens drie facturen gezonden, ieder voor een bedrag van

€ 2.000,--, te weten op 23 februari 2012, 28 februari 2012 en 2 april 2012.

3.2

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht niet is nagekomen. [eiseres] stelt dat zij [gedaagde] op 9 december 2011 een offerte heeft toegezonden, waarin zij een vergoeding van € 6.000,-- (exclusief BTW) heeft voorgesteld, te voldoen in drie termijnen van € 2.000,--, waarbij de eerste termijn wordt gefactureerd op de eerste werkdag, de tweede termijn een maand na de eerste werkdag en de derde termijn twee maanden na de eerste werkdag. Dit voorstel is bij monde van [vertegenwoordiger 2 gedaagde] en [vertegenwoordiger 1 gedaagde] geaccordeerd. Op 2 januari 2012 heeft [eiseres] een overeenkomst van opdracht opgemaakt en deze afgegeven bij [gedaagde], maar deze is nooit ondertekend geretourneerd. Op 31 januari 2012 heeft [eiseres] een factuur gezonden voor een bedrag van € 6.000,-- ineens, omdat zij in 2012 niet langer een termijnregeling hanteerde. [eiseres] heeft [vertegenwoordiger 1 gedaagde] per e-mail een aantal keren verzocht de factuur te voldoen en toen betaling uitbleef, heeft [eiseres] een gesprek aangevraagd. Tijdens dit gesprek op 23 februari 2012 is nogmaals afgesproken dat [gedaagde] een vergoeding van € 6.000,-- (exclusief BTW) zou betalen, maar dat dit bedrag alsnog in drie termijnen mocht worden voldaan. [gedaagde] heeft de daarna toegezonden facturen, ondanks betalingsherinneringen, echter nooit betaald.

3.3

[gedaagde] voert als verweer aan dat de offerte en overeenkomst van opdracht nooit zijn ontvangen en niet zijn geaccordeerd. [gedaagde] stelt dat met [eiseres] een vergoeding van € 2.000,-- is afgesproken. Voor zover [vertegenwoordiger 1 gedaagde] beslissingen heeft genomen namens [gedaagde], dan heeft te gelden dat hij niet bevoegd is om bindende beslissingen te nemen, aangezien hij slechts extern adviseur is.

3.4

Ter zitting heeft [gedaagde] aangegeven dat zij primair als verweer wenst te voeren dat [de kandidaat tandarts] zijn werk als tandarts niet goed heeft uitgevoerd en dat [eiseres] daarom zelf tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen geldende overeenkomst. Voor zover dit verweer al zou kunnen slagen, gelet op de zeer summiere onderbouwing ter zitting, dan is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] geen beroep op dit gebrek in de prestatie meer kan doen, nu zij niet binnen bekwame tijd nadat de wanprestatie zich voordeed bij [eiseres] heeft geprotesteerd (artikel 6:89 Burgerlijk Wetboek). [vertegenwoordiger 2 gedaagde] heeft immers namens [gedaagde] ter zitting verklaard dat hij eerder niet over [de kandidaat tandarts] heeft geklaagd, omdat hij het probleem zelf wilde oplossen. Nu [gedaagde] voor het eerst ter zitting heeft geklaagd, terwijl [de kandidaat tandarts] volgens [gedaagde] reeds vanaf het begin van zijn dienstverband in februari 2012 slecht heeft gefunctioneerd, heeft [gedaagde] niet aan haar plicht tot tijdig klagen voldaan. Dit verweer van [gedaagde] kan dan ook geen stand houden.

3.5

Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat partijen niet een vergoeding van € 6.000,--, maar van € 2.000,-- zijn overeengekomen. [gedaagde] heeft haar verweer echter niet onderbouwd, bijvoorbeeld door het overleggen van stukken of verklaringen. Dit had wel op de weg van [gedaagde] gelegen, gelet op de stukken die reeds bij dagvaarding door [eiseres] zijn overgelegd. [eiseres] heeft ondermeer de offerte d.d. 9 december 2011, de overeenkomst van opdracht van 2 januari 2012 en de verzonden facturen overgelegd, waarin steeds een bedrag van € 6.000,-- is opgenomen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij de offerte en de overeenkomst van opdracht nooit eerder heeft gezien. Wel heeft [gedaagde] bevestigd dat er op 8 december 2011 en 23 februari 2012 gesprekken hebben plaatsgevonden. Van de zijde van [gedaagde] wordt enkel gesteld, zonder enige onderbouwing, dat de inhoud van de gesprekken anders was dan [eiseres] stelt, terwijl de inhoud van deze gesprekken door [eiseres] steeds per e-mail is bevestigd, namelijk in de offerte van 9 december 2011 en de e-mail van 27 februari 2012. Deze e-mails zijn verzonden naar het e-mailadres info@[gedaagde].nl, waarvan [gedaagde] ter zitting niet heeft weersproken dat dit haar e-mailadres betreft. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat zij na ontvangst van de factuur van 31 januari 2012 telefonisch aan [eiseres] heeft laten weten dat het bedrag van € 6.000,-- onjuist zou zijn. Dit is echter door [eiseres] betwist. Daarna heeft het gesprek van 23 februari 2012 nog plaatsgevonden en heeft [eiseres] opnieuw facturen toegezonden. Eerst op 21 maart 2012, nadat [eiseres] een incassogemachtigde had ingeschakeld, heeft [gedaagde] aan de incassogemachtigde van [eiseres] bericht dat partijen een bedrag van € 2.000,-- waren overeengekomen. Tegenover de reeks van door [eiseres] overgelegde stukken waaruit blijkt dat een bedrag van € 6.000,-- is overeengekomen, is van de zijde van [gedaagde] niets gesteld, met uitzondering van de enkele (dat wil zeggen niet onderbouwde) stelling dat partijen een ander bedrag zijn overeengekomen. In het licht van hetgeen door [eiseres] in deze procedure is aangevoerd, heeft [gedaagde] de stellingen van [eiseres] naar het oordeel van de kantonrechter dan ook onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook voor zover het verweer van [gedaagde] moet worden aangemerkt als een bevrijdend verweer, in de zin dat zij zich op een afwijkende afspraak beroept, heeft te gelden dat [gedaagde] haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd. Aan bewijslevering aan de zijde van [gedaagde] komt de kantonrechter dan ook niet toe.

3.6

Het verweer van [gedaagde] dat [vertegenwoordiger 1 gedaagde] onbevoegd was om namens [gedaagde] bindende beslissingen te nemen, behoeft – gelet op het feit dat voorgaande overwegingen die hebben geleid tot het afwijzen van de vordering niet zijn gebaseerd op beslissingen van [vertegenwoordiger 1 gedaagde] – geen verdere bespreking meer.

3.7

Nu de verweren van [gedaagde] niet kunnen slagen, wordt de vordering als onvoldoende gemotiveerd betwist toegewezen, evenals de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de in de algemene voorwaarden overeengekomen rente. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat zij niet heeft ingestemd met de algemene voorwaarden en dat deze daarom niet van toepassing zouden zijn. [eiseres] heeft echter een e-mail van

7 december 2011 - verzonden aan het e-mailadres van info@mondzorgprincenhaege.nl -overgelegd, waarvan [gedaagde] de ontvangst niet heeft betwist. Dit kan worden aangemerkt als een mededeling dat [eiseres] wenste te contracteren op basis van haar algemene voorwaarden. [gedaagde] heeft de toepasselijkheid van deze algemene voorwaarden vervolgens niet van de hand gewezen, zodat zij daarmee stilzwijgend heeft ingestemd. De algemene voorwaarden worden dan ook geacht deel uit te maken van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

3.8

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op een bedrag van € 783,17. Dit bedrag bestaat uit € 76,17 aan dagvaardingskosten, € 207,-- aan griffierecht en € 500,-- (2 punten x € 250,--) aan salaris voor de gemachtigde van [eiseres].

4 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 8.401,40 (achtduizend vierhonderdenéén euro en veertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 7.140,-- vanaf 1 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 783,17, daarin begrepen een bedrag van € 500,-- als salaris voor de gemachtigde van [eiseres];

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.N.E. Meyboom, en in het openbaar uitgesproken op

16 januari 2013.