Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:6662

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
AWB-09_1161
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2012 (n.a.v. antwoorden op prejudiciële vragen door HvJ EG van 16 februari 2012) moet worden beoordeeld of belanghebbende, met hetgeen hij heeft overgelegd, aannemelijk heeft gemaakt dat de werkelijke uitgaven voor het privégebruik van de auto lager zijn dan de heffingsmaatstaf die op grond van artikel 15 van de Uitvoeringsbeschikking is berekend. De heffing moet in dat geval op grond van artikel 6, tweede lid en artikel 11, A, eerste lid, letter c, van de Zesde richtlijn worden beperkt tot de omzetbelasting over de daadwerkelijke omvang van dat privégebruik. Belanghebbende heeft echter niet aan de voormelde bewijslast voldaan zodat een beperking van de heffing niet aan de orde is.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2251
V-N 2013/59.23.28
FutD 2013-2527
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer: AWB 09/1161

Uitspraakdatum: 19 september 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Oss,

de inspecteur.

09/1161

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 11 februari 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het tijdvak van 1 oktober 2008 tot en met 31 december 2008 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer: [aanslagnummer].B01.8120).

Zitting

Een onderzoek ter zitting is met mondelinge toestemming van partijen achterwege gebleven.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft op 8 januari 2009 aangifte omzetbelasting gedaan over het tijdvak van 1 oktober 2008 tot en met 31 december 2008. In deze aangifte heeft belanghebbende ter zake van het privégebruik met betrekking tot een tot het bedrijfsvermogen behorende auto (hierna: de auto) een belastingbedrag aangegeven van

€ 771.

2.2.

Belanghebbende heeft op 12 januari 2009 bezwaar aangetekend tegen het ter zake van het privégebruik in de aangifte aangegeven bedrag. De inspecteur heeft dit bezwaar op 11 februari 2009 ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft daartegen op 16 maart 2009 beroep ingesteld. De inspecteur heeft op 28 april 2009 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het aangegeven bedrag van € 771 overeenkomstig artikel 15 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Uitvoeringsbeschikking) is berekend. In geschil is echter of die bepaling in strijd is met het EU-recht.

2.4.

De rechtbank heeft partijen op 4 maart 2010 bericht dat de procedure wordt aangehouden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad in procedure 08/01579. De Hoge Raad heeft in die procedure op 29 oktober 2010 (LJN: BH6453, gepubliceerd op rechtspraak.nl) beslist tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG). De rechtbank heeft een afschrift van het desbetreffende arrest alsmede van de gestelde prejudiciële vragen op 11 oktober 2011 verstrekt aan partijen.

2.5.

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) heeft in het arrest van 16 februari 2012 (C-594/10, ‘Van Laarhoven’) de prejudiciële vragen van de Hoge Raad beantwoord en daarbij voor recht verklaard:

‘Artikel 6, lid 2, eerste alinea, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, gelezen in samenhang met artikel 11, A, lid 1, sub c, van diezelfde richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale belastingregeling krachtens welke een belastingplichtige wiens auto's zowel voor bedrijfs- als voor privédoeleinden worden gebruikt, eerst de voorbelasting onmiddellijk en volledig in aftrek mag brengen, maar die vervolgens ter zake van het privégebruik van deze auto's voorziet in een jaarlijkse belasting die, voor de bepaling van de maatstaf van heffing voor de belasting over de toegevoegde waarde in een bepaald aanslagjaar, gebaseerd is op een forfaitaire berekeningsmethode voor de met een dergelijk gebruik samenhangende uitgaven die niet op proportionele wijze rekening houdt met de daadwerkelijke omvang van dat gebruik.’

2.6.

De Hoge Raad heeft vervolgens op 30 november 2012 arrest gewezen en daarin - voor zover te dezen van belang - overwogen (LJN: BY4581, gepubliceerd op rechtspraak.nl):

“(…) 2.3.1. Middel 3 stelt de vraag aan de orde of de toepassing van artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking zich verdraagt met artikel 6, lid 2, en artikel 11, A, lid 1, letter c, van de Zesde richtlijn.

Gelet op de beantwoording van de prejudiciële vragen dient in dit verband te worden onderzocht of de forfaitaire berekeningsmethode die is vervat in artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking, op proportionele wijze rekening houdt met de daadwerkelijke omvang van het privégebruik van de in geding zijnde auto’s.

2.3.2.

Het bedrag van de ter zake van privégebruik van een auto verschuldigde omzetbelasting wordt ingevolge artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking berekend aan de hand van een vast percentage van het forfaitaire bedrag aan kosten die voor de heffing van inkomstenbelasting worden geacht niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming. Dit forfaitaire bedrag wordt vastgesteld op basis van een percentage van de catalogusprijs van de auto, behoudens een thans niet ter zake doende uitzondering voor auto’s die meer dan 15 jaar geleden in gebruik zijn genomen. Dit een en ander komt erop neer dat bij de vaststelling van de voor het privégebruik van een auto gemaakte uitgaven in het algemeen geen onderscheid wordt gemaakt naargelang van de ouderdom van de auto of de mate waarin de auto voor privédoeleinden wordt gebruikt. Aangezien het onmiskenbaar is dat de omvang van de aan het privégebruik van de auto toe te rekenen uitgaven substantieel mede wordt beïnvloed door laatstgenoemde factoren, kan niet worden gezegd dat de forfaitaire berekeningsmethode van artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking op proportionele wijze rekening houdt met de daadwerkelijke omvang van het privégebruik. Die berekeningsmethode verdraagt zich derhalve niet met de Zesde richtlijn.

2.3.3.

Naar nationaal recht bezien heeft de omstandigheid dat artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking door de daarin neergelegde forfaitaire berekeningsmethode strijdig is met de Zesde richtlijn, geen gevolg voor de geldigheid van het in dat artikellid bepaalde als zodanig (vgl. HR 26 september 2008, nr. 43339, LJN BF2266LJN BF2266, BNB 2009/24BNB 2009/24) (V-N 2008/47.13V-N 2008/47.13. Red.). Die strijdigheid heeft wel gevolg voor de mogelijkheid artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking toe te passen, namelijk in die gevallen waarin een belastingplichtige met recht aanvoert dat die toepassing ertoe leidt dat meer belasting ter zake van het privégebruik van een auto wordt geheven dan volgens de in de Zesde richtlijn neergelegde maatstaf toelaatbaar is. Hierbij is van belang dat de in artikel 11, A, lid 1, letter c, van de Zesde richtlijn neergelegde maatstaf voor de heffing ter zake van het gebruik van een tot het bedrijf van een belastingplichtige behorend goed voor privédoeleinden van die belastingplichtige voldoende nauwkeurig is bepaald om aan het bepaalde in de Zesde richtlijn in zoverre rechtstreekse werking te kunnen toekennen.

Voor een toepassing van artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking die in andere gevallen ertoe leidt dat minder belasting wordt geheven dan volgens evengenoemde maatstaf is voorgeschreven, geldt dat aan een verplichting in een richtlijn van de Europese Unie geen werking ten nadele van een burger toekomt. In de laatstbedoelde gevallen belemmert derhalve de Zesde richtlijn de volle toepassing van artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringbeschikking niet.

2.3.4.

Uit het hiervoor in 2.3.2 en 2.3.3 overwogene volgt dat de Rechtbank ten onrechte het door belanghebbende gedane beroep op de Zesde richtlijn heeft verworpen zonder op basis van de werkelijke uitgaven voor het privégebruik van de onderhavige auto’s te hebben onderzocht of de door belanghebbende voldane belasting meer bedraagt dan overeenstemt met de Zesde richtlijn. Middel 3 slaagt. (…)”.

2.7.

Gelet op het voorgaande moet worden beoordeeld of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de werkelijke uitgaven voor het privégebruik van de auto lager zijn dan heffingsmaatstaf die op grond van artikel 15 van de Uitvoeringsbeschikking is berekend zodat de heffing op grond van artikel 6, tweede lid en artikel 11, A, eerste lid, letter c, van de Zesde richtlijn moet worden beperkt tot de omzetbelasting over de daadwerkelijke omvang van dat privégebruik.

2.8.

De Hoge Raad heeft in het voormelde arrest van 30 november 2012 overwogen dat het aan belanghebbende is om de gegevens te verstrekken die voor de vaststelling van de werkelijke uitgaven voor het privégebruik van de auto nodig zijn (rechtsoverweging 2.4). Belanghebbende is hiertoe door de rechtbank op 5 februari 2013 en 19 maart 2013 in de gelegenheid gesteld. Belanghebbende heeft op 20 maart 2013 en 13 augustus 2013 hierop gereageerd.

2.9.

Belanghebbende heeft gesteld dat de werkelijke kosten van het privégebruik van de auto in het onderhavige tijdvak lager zijn dan de forfaitair berekende heffingsmaatstaf van artikel 15 van de Uitvoeringsbeschikking, zijnde € 6.425. Belanghebbende heeft die stelling echter niet met stukken onderbouwd. De enkele stelling dat belanghebbende heeft gekozen voor het niet bijhouden van een kilometerregistratie en hij daardoor geen splitsing kan maken in zakelijk en privé, bevrijdt belanghebbende niet van zijn bewijslast zoals bedoeld in onderdeel 2.7. De rechtbank is dan ook van oordeel dat belanghebbende geen feiten en of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de werkelijke kosten van het privégebruik lager zijn dan de kosten die zijn berekend op basis van het forfait. Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd en is het beroep ongegrond verklaard.

2.10.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 19 september door mr. D. Hund, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.