Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:6660

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-05-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
C/02/261953
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Vordering tot toepassing lijfsdwang bij partneralimentatie. Belang vrouw rechtvaardigt toepassing, ook al ontvangt zij WWB-uitkering. Beroep op betalingsonmacht van man verworpen. Verlof wordt geclausuleerd verleend: tenzij man binnen twee maanden bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt, mag vrouw na verloop van deze termijn lijfsdwang toepassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/26.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familierecht

Breda

voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/02/261953 KG ZA 13-176

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats], gemeente [plaatsnaam],

e i s e r e s bij dagvaarding van 16 april 2013,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. I.M. van den Heuvel,

t e g e n :

[naam man],

wonende te [woonplaats], gemeente [plaatsnaam],

g e d a a g d e ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. mr. H. Weinans.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de navolgende door partijen voor het wijzen van vonnis overgelegde stukken:

- de dagvaarding;

- de brieven van mr. Weinans van 6 mei 2013 (met producties) en 7 mei 2013;

- de pleitnota van mr. Van den Heuvel;

- de pleitnota van mr. Weinans.

Partijen hebben voorts ter terechtzitting van 7 mei 2013 hun stellingen mondeling nader toegelicht.

De voorzieningenrechter heeft de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld, omdat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

2 Het geschil

2.1

De vrouw vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

  • -

    de in de dagvaarding genoemde alimentatie-uitspraken uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren, met zodanige verdere voorzieningen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

  • -

    de man te veroordelen in de proceskosten.

2.2

De man heeft de vordering bestreden.

3 De beoordeling

3.1

Tussen partijen staat het volgende vast:

- Partijen zijn op [datum] met elkaar gehuwd.

- Bij beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van de rechtbank Breda van

14 september 2010 is onder meer bepaald dat de man voor het levensonderhoud van de vrouw moet betalen met ingang van de datum van die beschikking een bedrag van € 500,= per maand.

- Bij beschikking van de rechtbank Breda van 14 juni 2011 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is – voor zover thans van belang – bepaald dat de man vanaf de dag dat die beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud moet voldoen een bedrag van € 500,= per maand.

- Bij beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 4 april 2012 is de beschikking van de rechtbank Breda van 14 juni 2011 ten aanzien van de onderhoudsbijdrage bekrachtigd.

- De man heeft niet aan zijn betalingsverplichting jegens de vrouw voldaan.

3.2

De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag dat de man zijn onderhoudsverplichting zoals vastgelegd in voormelde beschikkingen niet nakomt. De man heeft nooit enig bedrag betaald, aldus de vrouw. De man reageert niet op haar verzoeken tot betaling. Executoriale beslagen op de bankrekening van de man hebben geen doel getroffen. In de visie van de vrouw is op dit moment het enig werkende middel om de man tot betaling van de vastgestelde onderhoudsbijdrage te bewegen, toepassing van lijfsdwang. Het spoedeisend belang is gelegen in het feit dat zij volledig afhankelijk is van een WWB-uitkering, aldus de vrouw.

3.3

De man betwist dat sprake is van spoedeisend belang. Verder voert de man ten verwere aan dat sprake is van betalingsonmacht. Volgens de man heeft zijn onderneming het afgelopen half jaar vanwege de recessie geen omzet gehad en heeft hij meerdere schulden. De man verwijst daarbij naar een brief van zijn boekhouder ter zake de aangiften OB over het laatste kwartaal van 2012 en het eerste kwartaal van 2013 en naar door hem overgelegde stukken met betrekking tot de diverse schulden.

3.4

Het verweer van de man dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering, treft geen doel. Het belang van de vrouw bij betaling van de (achterstallige) onderhoudsbijdrage is evident aanwezig, nu deze bestemd is voor het levensonderhoud. De vrouw heeft al sinds 2010 recht op een bijdrage in de kosten voor haar levensonderhoud. Gesteld noch gebleken is dat haar behoeftigheid geheel of gedeeltelijk zou zijn verminderd. De vrouw heeft geen eigen inkomsten uit arbeid en is aangewezen op de onderhoudsbijdrage. De voorzieningenrechter acht deze omstandigheden voldoende om een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen aan te nemen. Het feit dat de vrouw thans een (volledige) uitkering krachtens de WWB ontvangt, maakt dit oordeel niet anders.

3.5

De voorzieningenrechter stelt voorop dat rechterlijke uitspraken dienen te worden nagekomen. Niet kan worden geduld dat personen die verplicht zijn tot het doen van een uitkering tot levensonderhoud zich aan die verplichting zouden kunnen onttrekken zonder zich te bekommeren om het lot van de tot onderhoud gerechtigde. Het executiemiddel lijfsdwang strekt ertoe druk uit te oefenen op de onderhoudsgerechtigde, zodat hij de aan hem bij beschikking opgelegde onderhoudsverplichting nakomt. Het is echter een zeer ingrijpend middel, omdat de onderhoudsplichtige daarmee zijn persoonlijke vrijheid wordt ontnomen. Toepassing daarvan komt slechts aan de orde als aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden én het belang van de vrouw toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt (artikel 587 Rv), tenzij de man aannemelijk maakt dat hij niet in staat is om aan zijn onderhoudsverplichting te voldoen (artikel 588 Rv).

3.6

Vast staat dat de man niet vrijwillig, ook niet gedeeltelijk, heeft voldaan aan zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw, zoals die hem bij de beschikkingen van

14 september 2010 en 14 juni 2011 is opgelegd. Verzoeken van de vrouw hebben niet tot betaling geleid en door de vrouw gelegde executoriale beslagen op de bankrekening van de man hebben geen doel getroffen. De stelling van de vrouw dat er door haar geen andere vermogensbestanddelen kunnen worden getraceerd waarop zij zich kan verhalen, is door de man niet betwist. De voorzieningenrechter acht dan ook aannemelijk dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst biedt en dat lijfsdwang nog het enige executiemiddel is dat de vrouw ten dienste staat.

3.7

Thans dient te worden beoordeeld of het belang van de vrouw toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt. Daartoe neemt de voorzieningenrechter het volgende in overweging. De vrouw ontvangt een volledige uitkering krachtens de WWB. Zij is weliswaar in staat om daarmee in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, maar dat neemt niet weg dat deze uitkering een aanvullende voorziening betreft en dat de vrouw in beginsel is aangewezen op een onderhoudsbijdrage van de man. Daar komt bij dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij een lening dient af te lossen, waartoe zij zelf onvoldoende inkomsten heeft. Bovendien loopt de schuld van de man aan de vrouw maandelijks op. Gezien het voorgaande rechtvaardigt het belang van de vrouw toepassing van lijfsdwang.

3.8

De man voert als verweer dat hij niet in staat is om aan zijn verplichtingen die voortvloeien uit de beschikkingen van 14 september 2010 en 14 juni 2011 te voldoen. Nu de man zich op het rechtsgevolg van betalingsonmacht beroept, moet de man de daaraan ten gronde liggende feiten en omstandigheden stellen en zonodig bewijzen, dan wel in het kader van dit kort geding op zijn minst aannemelijk moet maken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de man daar niet in geslaagd. De door de man overgelegde aangiften omzetbelasting over het vierde kwartaal 2012 en het eerste kwartaal 2013 en de afschriften van de bankrekening van de onderneming van de man over de periode augustus 2012 tot februari 2013 zijn in dat opzicht volstrekt ontoereikend. Uit de overige door de man overgelegde stukken kan mogelijk worden afgeleid dat de man schulden heeft, maar deze stukken vormen geen onderbouwing van zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft.

Uitgangspunt is dat de man krachtens de onherroepelijke beschikkingen van

14 september 2010 en 14 juni 2011 geacht moet worden voldoende draagkrachtig te zijn om de in die beschikking bepaalde onderhoudsbijdrage te voldoen, zolang niet op een wijzigingsverzoek van de man anders is beslist. De onderhavige procedure is de vierde procedure - sinds de beschikking van 14 september 2010 - waarin de man heeft nagelaten om zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft, met financiële bescheiden te onderbouwen. Indien werkelijk sprake is van betalingsonmacht, heeft de man voldoende gelegenheid gehad om zijn stelling met stukken te onderbouwen.

3.9

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vordering van de vrouw in beginsel dient te worden toegewezen, waarbij de voorzieningenrechter aanleiding ziet om een maximale duur voor de gijzeling te bepalen van 30 dagen. Echter, de voorzieningenrechter acht redenen aanwezig om aan de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang een voorwaarde te verbinden. Daartoe wordt het volgende overwogen. De vrouw ontvangt een volledige uitkering krachtens de WWB. Zij wordt daarop niet gekort en gesteld noch gebleken is dat zij in de nabije toekomst op deze uitkering zal worden gekort. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de vrouw thans door middel van die uitkering in haar levensonderhoud kan voorzien. De man heeft zijn beroep op betalingsonmacht in deze procedure weliswaar niet zonder meer aannemelijk gemaakt, maar heeft ter zitting verklaard dat hij een toevoeging heeft aangevraagd voor een bodemprocedure tot wijziging van de onderhoudsbijdrage. Voorts heeft hij aangegeven dat hij overweegt om een aanvraag tot toelating tot de WSNP in te dienen. Onder die omstandigheden acht de voorzieningenrechter het aangewezen om de vrouw verlof te verlenen om de beschikkingen van 14 september 2010 en 14 juni 2011 ten uitvoer te doen leggen door middel van lijfsdwang, tenzij de man binnen twee maanden na dagtekening van dit vonnis een bodemprocedure tot wijziging van de onderhoudsbijdrage aanhangig heeft gemaakt. Voor zover de vordering van de vrouw betrekking heeft op de beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 4 april 2012 zal deze worden afgewezen, nu die beschikking een bekrachtiging van de beschikking van 14 juni 2011 betreft.

3.10

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter

verleent de vrouw verlof om – na verloop van twee maanden na dagtekening van dit vonnis – de beschikking van de rechtbank Breda van 14 september 2010 en de beschikking van de rechtbank Breda van 14 juni 2011 ten uitvoer te leggen door middel van lijfsdwang voor de duur van ten hoogste 30 dagen, tenzij de man binnen voormelde termijn van twee maanden na dagtekening van dit vonnis een bodemprocedure tot wijziging van de onderhoudsbijdrage aanhangig heeft gemaakt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Warnaar, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 21 mei 2013, in tegenwoordigheid van

mr. H.M.F. Bishop-van Kollenburg, griffier.

verzonden op:

1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.