Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:657

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
05-09-2013
Zaaknummer
85279 / FA RK 12-1160
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning Turks recht; benoeming deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Zittingsplaats: Middelburg

[Zaaknummer] [Rekestnummer]

Zaak/reknr: 85279 / FA RK 12-1160

beschikking d.d. 30 januari 2013

[naam vader] (hierna: de man),

wonende te[woonplaats],

verzoeker,

advocaat: mr. M.J.A. Nijssen te Leiden,

tegen:

Bureau Jeugdzorg Zeeland (hierna: BJZ),

gevestigd te Middelburg,

verweerster.

Als belanghebbende in onderhavige zaak wordt aangemerkt:

- mr. M. Kalle, bijzonder curator over de hierna te noemen minderjarige.

1 Het procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

  • -

    het verzoek verkrijging van vervangende toestemming voor erkenning (ex art. 1:204 lid 3 BW);

  • -

    de brief d.d. 20 september 2012 van BJZ;

  • -

    de brief d.d. 18 december 2012 van mr. Kalle;

  • -

    de brief d.d. 10 januari 2013 van mr. Nijssen.

1.2

Het verzoek is behandeld ter zitting van 2 januari 2013.

2 De feiten

2.1

De man heeft vanaf 2005 tot en met 2011 met mevrouw [naam moeder] (hierna: de moeder) een affectieve relatie gehad. Tijdens deze relatie is het navolgend minderjarige kind geboren:

-[naam], geboren te [geboorteplaats + -datum].

De moeder is op 18 december 2011 overleden.

2.2

BJZ is belast met de voogdij over de minderjarige.

2.3

Bij beschikking van de rechtbank Middelburg d.d. 24 oktober 2012 is mr. Kalle benoemd tot bijzonder curator over de minderjarige.

2.4

De minderjarige heeft de Nederlandse nationaliteit, de man de Turkse.

3 Het verzoek en de beoordeling

3.1

Bevoegdheid;

Deze zaak heeft een internationaal karakter.

De Nederlandse rechter heeft op grond van de op deze zaak van toepassing zijnde regels van Nederlands recht - hieronder begrepen de regels van Europees en Nederlands internationaal privaatrecht - rechtsmacht ten aanzien van het verzoek.

3.2

Toepasselijk recht;

Ingevolge artikel 10:95 BW is Turks recht van toepassing op de vraag of de man bevoegd is tot erkenning van de minderjarige, alsmede op de voorwaarden voor erkenning.

Op de toestemming van de moeder, onderscheidenlijk de minderjarige, tot erkenning is voorts ingevolge lid 4 van voornoemd artikel Nederlands recht van toepassing.

3.3

Inhoudelijke beoordeling van het verzoek;

3.3.1

De man verzoekt vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van de minderjarige overeenkomstig artikel 1:204 lid 3 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek.

3.3.2

Allereerst dient – naar Turks recht – te worden beoordeeld of de man bevoegd is te erkennen en of aan de voorwaarden voor erkenning is voldaan. Artikel 295 van het Turkse Burgerlijke Wetboek regelt de erkenning. Het artikel geeft een aantal vormvoorschriften voor erkenning; nu de verzochte erkenning in Nederland zal dienen plaats te vinden, zijn die voorschriften niet op een erkenning door verzoeker van toepassing. Genoemd artikel bepaalt voorts ten aanzien van de bevoegdheid tot erkenning dat een (meerderjarige en niet handelingsonbekwame) vader een kind, dat niet verwant is aan een andere man, kan erkennen. Vast staat dat de man meerderjarig en handelingsbekwaam is en gesteld noch gebleken is dat de minderjarige verwant is aan een andere man. Dat betekent dat als vaststaat dat de man de vader (in de zin van: de verwekker) van de minderjarige is, hij naar Turks recht bevoegd is het kind te erkennen en dat aan de voorwaarden voor erkenning is voldaan.

3.3.3

Voorts dient beoordeeld te worden of voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:204 Nederlands Burgerlijk Wetboek ten aanzien van de toestemming van de moeder. Ingevolge lid 1 van voornoemd artikel dient de moeder, indien de betrokken minderjarige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, voorafgaand aan de erkenning schriftelijk toestemming te verlenen. De moeder is overleden. Op grond van lid 4 van voornoemd artikel kan de toestemming van de moeder in deze situatie worden vervangen door toestemming van de rechtbank, indien de erkenning de belangen van het kind niet schaadt, en de man de verwekker is van het kind.

3.3.4

Het bovenstaande leidt ertoe dat als vast staat dat de man de verwekker is van de minderjarige, zijn verzoek zal kunnen worden toegewezen. Op dit moment is echter nog niet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te zeggen dat de man de verwekker van de minderjarige is. De rechtbank is daarom van oordeel dat, alvorens op het verzoek van de man wordt beslist, een DNA-onderzoek dient plaats te vinden. Alle betrokkenen hebben reeds ter zitting ingestemd met het doen plaatsvinden van een dergelijk onderzoek. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank bevelen dat een DNA-onderzoek zal worden verricht naar de vraag of de man al dan niet de verwekker van de minderjarige is.

3.3.5

De rechtbank zal, gelet op de brief d.d. 10 januari 2013 van mr. Nijssen, tot deskundige benoemen het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek (FLDO) verbonden aan het Universitair Medisch Centrum te Leiden.

3.3.6

Nadat het rapport ter griffie is binnengekomen worden de man, BJZ, de Raad voor de Kinderbescherming en de bijzonder curator in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de bevindingen van de deskundige, alsmede het door hen gewenste verdere procesverloop kenbaar te maken.

3.3.7

Nu de man met een toevoeging procedeert en derhalve als min- of onvermogend moet worden beschouwd, zal de rechtbank bepalen dat het op basis van de begrote kosten van de deskundige te bepalen voorschot, in afwachting van een beslissing over de proceskosten, door de griffier van deze rechtbank zal worden voldaan ten laste van de Staat met daaraan verbonden een voorlopige indebetstelling en daarbij bepalen dat het onderzoek niet zal aanvangen voordat dit is geschied. Bij de eindbeschikking zal een definitieve beslissing met betrekking tot de onderzoekskosten worden genomen.

3.3.8

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank:

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de vraag of de man al dan niet de verwekker is van de minderjarige [naam], geboren te [geboorteplaats + -datum];



benoemt tot deskundige het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek (FLDO) verbonden aan het Universitair Medisch Centrum te Leiden, postzone S5-P LUMC, Postbus 9600, 2300 RC Leiden;

verzoekt de deskundige een begroting van de kosten te maken en in te zenden aan de griffier van deze rechtbank;

bepaalt dat het door de rechtbank op basis van die begroting nader vast te stellen voorschot ter zake de kosten van de deskundige, in afwachting van een beslissing over de proceskosten, door de griffier van deze rechtbank zal worden voldaan en dat het onderzoek niet zal aanvangen voordat dit is geschied;

bepaalt dat de advocaat van de man zal zorgdragen voor spoedige toezending van de processtukken c.q. afschriften daarvan aan de benoemde deskundige;

bepaalt dat de deskundige een gemotiveerd schriftelijk rapport van zijn bevindingen zal deponeren ter griffie van deze rechtbank uiterlijk 29 maart 2013;

verwijst de zaak, om reden zoals vermeld onder 3.3.6 van deze beschikking, in afwachting van het rapport van de deskundige, naar de familiekamerrol van dinsdag 9 april 2013;


houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M.J. van Dijk in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.J.M. Lavrijssen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 30 januari 2013.

KL