Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:6568

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
03-02-2014
Zaaknummer
AWB- 13_3944 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Openbaarmaking op grond van de WOB van een vaststellingsovereenkomst met betrekking tot het FAXX-gebouw te Tilburg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/3944 WOB VV

uitspraak van 13 september 2013 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. J.H. van Seters,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij] , te [woonplaats],

gemachtigde: mr. J.F.M. Heuvelmans.

Procesverloop

[naam verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 juli 2013 (bestreden besluit) van het college om op verzoek van [naam derde partij] de vaststellingsovereenkomst van 19 december 2012 over de afwikkeling van het FAXX-gebouw op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) openbaar te maken. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft onder verwijzing naar artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om geheimhouding van de vaststellingsovereenkomst. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek bij beslissing van 29 juli 2013 gehonoreerd en bepaald dat uitsluitend de voorzieningenrechter kennis zal mogen nemen van de vaststellingsovereenkomst.

[naam verzoeker] en [naam derde partij] hebben de rechtbank toestemming gegeven om mede op grond van de vaststellingsovereenkomst uitspraak te doen.

Ook[naam verzoeker] heeft verzocht om geheimhouding van de vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek bij beslissing van 1 augustus 2013 afgewezen, omdat [naam verzoeker] niet is verplicht de vaststellingsovereenkomst te overleggen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 30 augustus 2013.

[naam verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger].[naam derde partij] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Een gedeelte van het onderzoek ter zitting heeft op grond van artikel 8:83, eerste lid, gelezen in samenhang met 8:62 van de Awb plaatsgehad met gesloten deuren. Daarbij waren[naam verzoeker], diens gemachtigde en mr.[naam vertegenwoordiger] aanwezig.

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[naam verzoeker] heeft op 19 december 2012 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de gemeente Tilburg over de beëindiging van aanspraken en verplichtingen rondom het FAXX-gebouw.

[naam derde partij] is een civiele procedure tegen [naam verzoeker] gestart waarbij de afwikkeling van de aanspraken van [naam verzoeker] in verband met het FAXX-gebouw van belang is. De rechtbank heeft de vordering van [naam derde partij] afgewezen. [naam derde partij] is in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Hangende het hoger beroep heeft [naam derde partij] het college bij brief van 14 juni 2013 het volgende verzocht: “Indien de gemeente daarover met de heer[naam verzoeker] een vaststellingsovereenkomst getroffen heeft, zou ik graag van u een kopie van die vaststellingsovereenkomst ontvangen. (…) Indien het u niet vrij staat vrijwillig aan mijn verzoek te voldoen, wil ik in dat geval zekerheidshalve een beroep doen op de Wet Openbaarheid van Bestuur.”

Het college heeft [naam verzoeker] bij e-mail van 26 juni 2013 medegedeeld dat het college op basis van de Wob verplicht is aan het verzoek tot verstrekking van de vaststellingsovereenkomst te voldoen. [naam verzoeker] is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

Bij e-mail van 3 juli 2013 heeft [naam verzoeker] het college medegedeeld dat hij zich verzet tegen het verstrekken van de vaststellingsovereenkomst aan [naam derde partij].

Bij het bestreden besluit heeft het college besloten de vaststellingsovereenkomst aan [naam derde partij] te verstrekken. Het college zal twee weken wachten alvorens tot de daadwerkelijke verstrekking over te gaan. Indien gedurende die periode een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt ingediend, zal het college de uitkomst daarvan afwachten.

[naam verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2.

[naam verzoeker] heeft, samengevat, aangevoerd dat het geheimhoudingsbeding in de vaststellingsovereenkomst zich verzet tegen openbaarmaking. Daarnaast heeft [naam verzoeker] zich op het standpunt gesteld dat de vaststellingsovereenkomst bedrijfs- of fabricagegegevens bevat, die vertrouwelijk aan de gemeente zijn meegedeeld, zodat op grond daarvan het verzoek van [naam derde partij] dient te worden afgewezen. Verder weegt het belang bij openbaarmaking niet op tegen het voorkomen van onevenredige bevoordeling van [naam derde partij] en benadeling van [naam verzoeker]. Ten slotte ziet het verzoek van[naam derde partij] op informatie die al op andere manieren aan hem bekend is geworden.

3.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende gebleken van een spoedeisend belang van [naam verzoeker] bij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor [naam verzoeker] een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4.

Artikel 2, eerste lid, van de Wob bepaalt dat een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie verstrekt overeenkomstig deze wet en daarbij uitgaat van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Artikel 3, eerste lid, van de Wob bepaalt dat een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Het derde lid bepaalt dat de verzoeker bij zijn verzoek geen belang behoeft te stellen.

Het vijfde lid bepaalt dat een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Het tweede lid, aanhef en onder g, bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

5.

[naam verzoeker] heeft ter zitting naar voren gebracht dat het college het verzoek van [naam derde partij] ten onrechte heeft begrepen als een verzoek om op grond van de Wob de vaststellingsovereenkomst te verstrekken. [naam derde partij] heeft het college alleen twee vragen gesteld. Het college had kunnen en moeten volstaan met de enkele beantwoording daarvan. Bovendien zijn die twee vragen in een eerder stadium al beantwoord, zodat die informatie al openbaar is en de Wob daarop niet van toepassing is, aldus [naam verzoeker].

De voorzieningenrechter constateert dat in de brief van 14 juni 2013 twee vragen zijn geformuleerd. In de brief zijn echter ook de antwoorden op deze vragen al opgenomen, zodat niet valt in te zien dat het verzoek van [naam derde partij] enkel zou zijn gericht op de beantwoording van deze vragen. Het college heeft het verzoek van [naam derde partij], mede gelet op de niet mis te verstane bewoordingen in de brief, terecht opgevat als een verzoek om verstrekking van de vaststellingsovereenkomst op grond van de Wob.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vaststellingsovereenkomst niet eerder openbaar is gemaakt in de zin van de Wob.

6.

[naam verzoeker] heeft aangevoerd dat [naam derde partij] geen belang heeft bij openbaarmaking van de vaststellingsovereenkomst.

De voorzieningenrechter overweegt dat het recht op openbaarmaking op grond van de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. De Wob vooronderstelt dit belang en het komt iedere burger in gelijke mate toe. Daarom kan ten aanzien van openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naargelang de persoon of de oogmerken van degene die verzoekt om openbaarmaking. Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook betrokken het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen, maar niet het specifieke belang van [naam derde partij].

7.

[naam verzoeker] heeft verder gewezen op het feit dat in de vaststellingsovereenkomst een geheimhoudingsbeding is opgenomen. Volgens [naam verzoeker] staat een dergelijk beding in de weg aan het verstrekken van de vaststellingsovereenkomst op grond van de Wob.

De voorzieningenrechter volgt [naam verzoeker] daarin niet. Een beding in de overeenkomst dat strekt tot vertrouwelijkheid en geheimhouding, kan de bepalingen van de Wob niet opzij zetten. Het college is verplicht om  met inachtneming van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob  de vaststellingsovereenkomst te verstrekken.

Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat, zoals namens [naam verzoeker] ter zitting ook naar voren is gebracht, in het geheimhoudingsbeding aandacht is besteed aan de wettelijke plicht van de gemeente op grond van de Wob. Uit dat beding blijkt niet dat het in de weg staat aan openbaarmaking indien dat op grond van de Wob verplicht is.

8.

[naam verzoeker] heeft ten slotte aangevoerd dat een tweetal weigeringsgronden zich verzetten tegen het verstrekken van de overeenkomst aan [naam derde partij].

Allereerst bevat de vaststellingsovereenkomst volgens Maessen bedrijfs- of fabricagegegevens die door [naam verzoeker] vertrouwelijk aan het college zijn medegedeeld. Tijdens het besloten gedeelte van de behandeling ter zitting heeft [naam verzoeker] aangegeven welke gegevens in de vaststellingsovereenkomst volgens hem als zodanig dienen te worden aangemerkt.

Deze absolute weigeringsgrond is neergelegd in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c van de Wob. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 4 november 2009, LJN: BK1977) dient deze bepaling naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers.

Hoewel de voorzieningenrechter wil aannemen dat [naam verzoeker] bepaalde informatie in de vaststellingsovereenkomst vertrouwelijk aan het college heeft meegedeeld, is [naam verzoeker] er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat deze informatie in zijn geval dient te worden aangemerkt als bedrijfs- of fabricagegegevens in de zin van de Wob. Er is dan ook geen sprake van een situatie als in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c van de Wob.

9.

[naam verzoeker] heeft daarnaast aangevoerd dat het belang van het verstrekken van de vaststellingsovereenkomst niet opweegt tegen het voorkomen van onevenredige bevoordeling van [naam derde partij] of onevenredige benadeling van [naam verzoeker]. Volgens [naam verzoeker] zal het verstrekken van de vaststellingsovereenkomst ertoe leiden dat [naam derde partij] in de civiele procedure in een bewijstechnisch voordeligere positie komt te verkeren. Dat is een onevenredige bevoordeling van [naam derde partij] en benadeling van [naam verzoeker], omdat de exhibitieplicht van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daardoor wordt doorkruist.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt de enkele omstandigheid dat de informatie in de vaststellingsovereenkomst [naam verzoeker] mogelijk zal worden tegengeworpen in de civiele procedure, niet dat reeds om die reden sprake is van bevoordeling of benadeling die als onevenredig moet worden aangemerkt. [naam verzoeker] heeft de voorzieningenrechter er niet van kunnen overtuigen dat openbaarmaking zal leiden tot een dergelijke onevenredige bevoor- of benadeling. Het college heeft het belang bij openbaarmaking dan ook zwaarder kunnen laten wegen dat het belang bij het voorkomen van bevoordeling of benadeling van [naam derde partij] en [naam verzoeker].

10.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit naar verwachting in rechte stand zal houden. Ook is de voorzieningenrechter niet gebleken dat uitvoering van het bestreden besluit voor [naam verzoeker] een onevenredig nadeel met zich brengt in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dan ook af.

11.

Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding aan [naam verzoeker] of [naam derde partij] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.