Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:6550

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
AWB-12_6608
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is woonachtig in Portugal. In geschil is of Nederland heffingsbevoegd is over de door belanghebbende ontvangen (particuliere) pensioenuitkering. Het geschil beperkt zich tot de vraag of het brutobedrag van de pensioenuitkering voor minder dan 90% in de belastingheffing van Portugal wordt betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met de overgelegde Portugese belastingaanslag aannemelijk gemaakt dat zijn pensioeninkomsten niet voor minder dan 90% in de Portugese belastingheffing zijn betrokken. Nederland dient derhalve over het onderhavige tijdvak daarover van heffing af te zien. Aan dit oordeel doet niet af dat, zoals de inspecteur heeft gesteld, de pensioeninkomsten mogelijk uiteindelijk slechts voor 35% worden belast, indien belanghebbende bijvoorbeeld in Portugal alsnog bezwaar zou maken, dan wel een suppletieaangifte zou indienen. Het is naar het oordeel van de rechtbank aan de inspecteur om die mogelijkheid te minimaliseren, bijvoorbeeld door in voorkomende gevallen spontaan informatie uit te wisselen met de Portugese autoriteiten.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2236
V-N 2013/57.9 met annotatie van Redactie
PJ 2013/203
FutD 2013-2521
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 12/6608

uitspraak van 11 september 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (Portugal),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 14 november 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 juni 2012 tot en met 30 juni 2012.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Amsterdam, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verleent teruggaaf aan belanghebbende van de door [pensioenfonds] ingehouden loonheffing over het tijdvak 1 juni 2012 tot en met 30 juni 2012 tot een bedrag van € 1.430,69;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.179;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende en zijn echtgenote zijn in 1994 vanuit Nederland naar Portugal geëmigreerd. Belanghebbende heeft in 2012 een pensioenuitkering genoten van [pensioenfonds] van € 58.864.

2.2.

Belanghebbende heeft verzocht om vrijstelling voor de inhouding van loonheffing over zijn pensioeninkomsten. De inspecteur heeft het verzoek afgewezen. Op 6 juli 2012 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de inhouding van loonheffing op de pensioenuitkering over de periode 1 juni 2012 tot en met 30 juni 2012. Bij uitspraak van 14 november 2012 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

2.3.

In geschil is of Nederland op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Portugal tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (met Protocol) van 20 september 1999 (hierna: het Verdrag), heffingsbevoegd is over de door belanghebbende ontvangen pensioenuitkering.

2.4.

Artikel 18 van het Verdrag bepaalt, voor zover hier van belang:

“1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19, tweede lid, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een Verdragsluitende Staat ter zake van een vroegere dienstbetrekking alsmede lijfrenten betaald aan een inwoner van een Verdragsluitende Staat, slechts in die Staat belastbaar. Ieder pensioen en andere uitkering betaald krachtens de bepalingen van een sociale zekerheidsstelsel van een Verdragsluitende Staat aan een inwoner van de andere Verdragsluitende Staat, zijn slechts in die andere Staat belastbaar.

2. Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid, mag een pensioen of andere soortgelijke beloning, lijfrente, of ieder pensioen en andere uitkering betaald krachtens de bepalingen van een sociale zekerheidsstelsel van een Verdragsluitende Staat, ook worden belast in de Verdragsluitende Staat waaruit deze afkomstig is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat:

a. indien en voor zover de aanspraak op dit pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente in de Verdragsluitende Staat, waaruit het pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente afkomstig is, van belasting is vrijgesteld, dan wel de met het pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente samenhangende bijdragen aan de pensioenregeling of verzekeringsmaatschappij, in het verleden bij het bepalen van het in die Staat belastbare inkomen in aftrek zijn gebracht, dan wel anderszins in die Staat in aanmerking zijn gekomen voor een fiscale faciliëring; en

b. indien en voor zover dit pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente in de Verdragsluitende Staat, waarvan de genieter van het pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente inwoner is, niet tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief voor inkomsten verkregen uit niet-zelfstandige arbeid, dan wel het brutobedrag van dat pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente voor minder dan 90 percent, in de belastingheffing wordt betrokken; en

c. indien het totale brutobedrag van de pensioenen en andere soortgelijke beloning of lijfrenten en ieder pensioen en andere uitkering betaald krachtens de bepalingen van een sociale zekerheidsstelsel van een Verdragsluitende Staat, in enig kalenderjaar een bedrag van 10.000 Euro te boven gaat.

(…)”

2.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat aan de onderdelen a en c van het tweede lid, van artikel 18 van het Verdrag is voldaan. In geschil is enkel of het brutobedrag van het pensioen van belanghebbende voor minder dan 90% in de belastingheffing van Portugal wordt betrokken.

2.6.

Belanghebbende heeft op 19 augustus 2013 aan de rechtbank en aan de inspecteur een afschrift gezonden van de door belanghebbende van de Portugese belastingdienst ontvangen belastingaanslag over het jaar 2012. Uit deze belastingaanslag kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat belanghebbende het totale bedrag van zijn (pensioen)inkomsten over 2012 in Portugal heeft aangegeven en dat deze, naar mag worden aangenomen, in de Portugese belastingheffing zijn betrokken. Belanghebbende heeft tevens een berekening overgelegd van de belastingheffing over zijn pensioeninkomsten en over de pensioeninkomsten van zijn echtgenote over 2012. De inspecteur betwist deze berekening niet.

2.7.

De inspecteur wijst er wel op dat de Portugese wetgeving in de mogelijkheid voorziet om pensioeninkomsten slechts voor 35% in de belastingheffing te betrekken, namelijk in die gevallen waarin van een fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw geen sprake is geweest. Het 35%-regime zou in gevallen als het onderhavige, waarin de pensioenpremie in Nederland ten laste van het belastbaar inkomen is gebracht, niet van toepassing mogen zijn. Een garantie dat in voorkomende gevallen toepassing van de faciliteit mogelijk ten onrechte wordt ingeroepen is er echter niet.

2.8.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met de onder 2.6 genoemde stukken aannemelijk gemaakt dat zijn pensioeninkomsten in 2012 niet voor minder dan 90% in de Portugese belastingheffing zijn betrokken en dat Nederland derhalve over het onderhavige tijdvak daarover van heffing dient af te zien. Aan dit oordeel doet niet af dat, zoals de inspecteur heeft gesteld, de pensioeninkomsten mogelijk uiteindelijk slechts voor 35% worden belast, indien belanghebbende bijvoorbeeld in Portugal alsnog bezwaar zou maken, dan wel een suppletieaangifte zou indienen. Het is naar het oordeel van de rechtbank aan de inspecteur om die mogelijkheid te minimaliseren, bijvoorbeeld door in voorkomende gevallen spontaan informatie uit te wisselen met de Portugese autoriteiten.

2.9.

Voor zover belanghebbende de rechtbank heeft verzocht om uitspraak te doen over andere tijdvakken dan het onderhavige, wijst de rechtbank dit verzoek af nu slechts de belastingheffing over de maand juni 2012 ter beoordeling aan de rechtbank is voorgelegd.

2.10.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.11.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.179 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 235, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 11 september 2013 door mr. D. Hund, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.