Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:6502

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
AWB 13/8722 en 13/8795
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

intrekking verblijfsvergunning onbepaalde tijd met terugwerkende kracht,

Turks onderdanen, schijnhuwelijk, Besluit 1/80, inreisverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 13/8722 en 13/8795

V-nummers: [nummer 1]([naam eiser]) en [nummer 2] [naam eiseres])

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[familie eiserd], eiser,

[naam eiseres] , eiseres

hierna te noemen eisers,

gemachtigde mr. E. Köse,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. C.W.M. van Breda.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de jegens hen afzonderlijk genomen besluiten van verweerder van 28 maart 2013 (de bestreden besluiten).

De behandeling van de beroepen heeft gevoegd plaatsgevonden op 26 juni 2013. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseres is bij gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedag eiser] 1961 en [geboortedag eiser] 1965 en bezitten de Turkse nationaliteit. Eiseres is op 12 mei 2003 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij partner[partner eiseres]’ met ingang van 21 januari 2003, laatstelijk verlengd tot 9 oktober 2008. Met ingang van 30 juli 2008 is aan eiseres een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend met de aantekening ‘EG langdurig ingezetene’. Bij besluit van 23 mei 2012 is de aan eiseres verleende verblijfsvergunning ‘verblijf bij partner[partner eiseres]’ ingetrokken met terugwerkende kracht tot 21 januari 2003 en de aan eiseres verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 30 juli 2008.

Eiser is op 19 april 2007 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij partner[partner eiser]’ geldig tot 12 maart 2008, aansluitend tot 12 maart 2013. Bij besluit van 28 oktober 2009 is die vergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 12 juni 2009. Bij besluit van 22 januari 2010 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij Euro Start Eindhoven BV op grond van Besluit 1/80’ met ingang van 16 november 2009, geldig tot 16 november 2010. Bij besluit van 23 mei 2012 is de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij[partner eiser]’ ingetrokken met terugwerkende kracht tot 12 maart 2007. De aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij Euro Start Eindhoven BV op grond van Besluit 1/80’ is ingetrokken met terugwerkende kracht tot 16 november 2009. Tevens is de aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning ‘arbeid in loondienst bij Euro Start Eindhoven BV op grond van Besluit 1/80’ afgewezen.

Tegen de jegens hen afzonderlijk genomen besluiten van 23 mei 2012 hebben eisers bezwaar gemaakt. Bij de bestreden besluiten is het bezwaar ongegrond verklaard. Tevens is daarbij aan eisers een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

2.

Verweerder stelt zich - samengevat - op het standpunt dat eisers zich hebben schuldig gemaakt aan frauduleuze handelingen op grond waarvan de aan eisers verleende verblijfsvergunningen zijn ingetrokken. Verweerder stelt dat er tussen eiser en mevrouw[partner eiser]sprake was van een schijnrelatie. Ten aanzien van eiseres stelt verweerder dat eiseres geen exclusieve en duurzame relatie had met[partner eiseres]. Eisers hebben weliswaar gesteld dat er geen sprake was van een schijnrelatie maar hebben dit niet nader toegelicht. Verweerder stelt verder dat Besluit 1/80 niet van toepassing is nu het hier gaat om eerste toelating en eisers nimmer rechtmatig in Nederland hebben verbleven. Verder stelt verweerder dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan frauduleus handelen en bovendien nimmer legale arbeid heeft verricht, zodat de eerder aan eiser verstrekte verblijfsvergunningen terecht zijn ingetrokken. Verweerder stelt verder dat eisers geen rechten kunnen ontlenen aan de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Hof van Justitie) van 5 juni 1997 inzake S. Kol (C-285/95) en van 29 september 2011 inzake Baris Unal (C-187/10). Verder stelt verweerder dat er terecht een inreisverbod is opgelegd voor de duur van twee jaar. van 18 december 2008 inzake Ibrahim Altun (C-337/07) .

3.

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder de aan hen verleende verblijfsvergunningen ten onrechte heeft ingetrokken. Eisers stellen dat intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht niet past in het systeem van het Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (Besluit nr. 1/80) omdat geen sprake is van fraude dan wel een schijnhuwelijk.

In dat kader verwijzen eisers naar voornoemd arrest van het Hof van Justitie inzake Kol en naar het arrest van het Hof van Justitie van 18 december 2008 inzake Ibrahim Altun (C-337/07). Eisers verwijzen daarbij met name naar rechtsoverwegingen 58 en 59 van genoemd arrest inzake Altun. Verder stellen eiser dat zij ten onrechte niet zijn gehoord. Eisers stellen dat het inreisverbod in strijd is met artikel 9 van het Associatieverdrag en voorts dat het inreisverbod een nieuwe beperking is in de zin van de Standstillbepalingen.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.

Op grond van artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) juncto artikel 18, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

Het beleid met betrekking tot de intrekking van de verleende verblijfsvergunningen is neergelegd in paragraaf B1/5.3.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Hierin is bepaald dat, indien wordt vastgesteld dat onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden en er nog geen periode van 12 jaren of langer is verstreken, de verleende verblijfsvergunning wordt ingetrokken. Hierbij is van belang dat het verstrekken van de onjuiste gegevens of het achterhouden van de juiste gegevens, er (mede) toe heeft geleid dat de verblijfsvergunning ten onrechte is verleend, verlengd, of gewijzigd. Het is niet van belang of het verstrekken van de juiste gegevens dan wel het achterhouden van die gegevens opzettelijk is gebeurd. Evenmin is van belang of de onjuiste gegevens zijn verstrekt door de vreemdeling zelf of door andere belanghebbenden.

Ingevolge artikel 9 van de Associatieovereenkomst erkennen de Overeenkomstsluitende Partijen dat binnen de werkingssfeer van de overeenkomst, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap vermelde beginsel.

Ingevolge artikel 13 van Besluit 1/80 mogen de Lid-Staten en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, in werking getreden op

1 januari 1973, voeren de Overeenkomstsluitende Partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.

Het in artikel 9 van de Associatieovereenkomst neergelegde algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit is van toepassing binnen de werkingssfeer van de Associatieovereenkomst en het Aanvullend Protocol. Artikel 9 van de Associatieovereenkomst moet derhalve in dit geval worden gelezen in samenhang met de in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol neergelegde standstillbepaling.

5.

Verweerder heeft bij zijn overwegingen tot intrekking van de aan eisers verleende

verblijfsvergunningen de volgende documenten betrokken:

- het proces-verbaal van bevindingen van Politie Brabant Zuid-Oost van 28 februari 2002, waaruit blijkt dat tijdens een huisbezoek bij [familie eiserd] (ex partner van [familie eisers]) [familie eisers] is aangetroffen. [familie eisers] heeft tijdens dit bezoek verklaard op de hoogte te zijn dat [familie eiserd] een nieuwe partner had genaamd [naam eiseres]. Zij verklaarde dat zij geen familie van elkaar waren;

- de brief van [familie eiserd] van 22 april 2002 waarin deze verklaart dat [naam eiseres] en [familie eisers] wel familie van elkaar zijn;

- de staat van inlichtingen in verband met de mvv- aanvraag ten behoeve van [naam eiseres] waaruit blijkt dat door de Korpschef van regionaal politiekorps Brabant Zuid Oost telefonisch contact is opgenomen met het telefoonnummer van [familie eiserd] waar door [familie eisers] de telefoon wordt opgenomen;

- het vonnis van de rechtbank te Izmir (Turkije) van 10 november 1992, in kracht van gewijsde gegaan op 20 november 1992, waarin de echtscheiding wordt uitgesproken van het op 7 augustus 1989 tussen [naam eiseres], geboren 3 januari 1965, en [familie eiserd], geboren 16 januari 1961, gesloten huwelijk en waarbij de twee minderjarige kinderen (Bahar, geboren op 3 januari 1985, en Banu, geboren op 13 december 1988) aan de moeder zijn toegewezen;

- het vonnis van de rechtbank te Izmir (Turkije) van 24 april 2001, in kracht van gewijsde gegaan op 2 mei 2001, waarin de echtscheiding van het op 5 januari 1995 gesloten huwelijk van [familie eiserd] en Nurten Dedek wordt uitgesproken, waarbij [familie eiserd] in zijn hoedanigheid van zwager is gehoord als getuige voor de eisende partij[partner eiseres] betreffende de huwelijkse problemen tussen partijen; de op 6 maart 1997 in Eindhoven geboren zoon wordt toegewezen aan[partner eiser];

- het gezinsuittreksel uit de bevolkingsadministratie van de gemeente Eindhoven waaruit de geboorte blijkt van Aylin Dedek op 5 juni 2003, dochter van [familie eiserd] en [familie eisers], terwijl K. Dudrek bij brief van 22 april 2002 aan de vreemdelingenpolitie heeft verklaard al drie jaar een relatie te hebben met eiseres;

- het uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Eindhoven, waaruit blijkt dat eiser twee jaar ingeschreven heeft gestaan op hetzelfde adres als eiseres;

Daarnaast heeft verweerder overwogen dat uit informatie van de ex-echtgenoot van [familie eisers] (te weten [familie eiserd]) is gebleken dat hij door [fa milie eisers] werd gechanteerd om een schijnrelatie met H. Kaya aan te gaan teneinde een familielid rechtmatig verblijf te laten verkrijgen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten aanzien van eiseres aan de hiervoor onder 2 weergegeven feiten en omstandigheden bezien in combinatie van de hierboven genoemde gegevens het vermoeden kunnen ontlenen dat er tussen eiseres en[partner eiseres] geen sprake is geweest van een exclusieve en duurzame relatie, maar dat sprake was van een schijnhuwelijk. Ten aanzien van eiser heeft verweerder op basis van de onder 2 geschetste feiten en omstandigheden bezien in combinatie van de hiervoor genoemde gegevens kunnen stellen dat er sprake was van een schijnrelatie tussen eiser en[partner eiser], geboren Kaya.

6.

De rechtbank is van oordeel dat eisers de bevindingen van verweerder onvoldoende hebben weerlegd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers in de gelegenheid zijn gesteld tijdens een op 12 januari 2012 geplande hoorzitting in persoon op het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunningen te reageren, maar dat zij te kennen hebben gegeven hiervan geen gebruik te willen maken en slechts schriftelijk wensen te reageren op eventuele vragen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat bij bekendheid met de juiste gegevens bij het indienen van deze aanvragen de vergunningen niet zouden zijn verleend. Daarnaast heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ om dezelfde reden kunnen afwijzen.

7.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Besluit nr. 1/80 heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lidstaat behoort:
- na een jaar legale arbeid in die Lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lidstaat;
- na vier jaar legale arbeid in die Lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst naar zijn keuze.

8.

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie veronderstelt het legale karakter van de arbeid van een Turkse werknemer in de lidstaat van ontvangst een stabiele en niet voorlopige situatie op de arbeidsmarkt van die staat en, daarmee, een onomstreden verblijfsrecht (zie arresten van 20 september 1990, C-192/89, Sevince, rechtsoverweging 30, en 26 oktober 2006, C-4/05, Güzeli, rechtsoverweging 38). Uit de arresten van het Hof van Justitie leidt de rechtbank af dat de tijdvakken van arbeid die een Turkse onderdaan heeft vervuld met een verblijfsvergunning die achteraf blijkt te zijn verleend op grond van een frauduleuze handeling, niet op een stabiele situatie berusten en als slechts precair vervulde tijdvakken moeten worden aangemerkt (zie de arresten van 5 juni 1997, C-285/95, Kol, punt 27, en 11 mei 2000, C-37/98, Savas, rechtsoverweging 61), omdat betokkene gedurende de betrokken tijdvakken geen legaal verkregen verblijfsrecht had.

9.

Eisers, turkse staatsburgers, zijn met ingang van respectievelijk 12 maart 2007 en 21 januari 2003 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘verblijf bij partner[partner eiser]’ respectievelijk ‘verblijf bij partner[partner eiseres]’. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is in voldoende mate komen vast te staan dat sprake is van een schijnhuwelijk tussen eisers en hun respectievelijke partners[partner eiser] en[partner eiseres]. De afgifte van de verblijfsvergunningen aan eisers heeft dan ook plaatsgevonden op grond van frauduleuze handelingen. Indien verweerder bekend was geweest met het gegeven dat eisers een verblijfsvergunning met hun hierboven genoemde partners aan hebben gevraagd enkel met als doel een verblijfsrecht hier te lande te realiseren, zou aan hen nimmer een verblijfsvergunning zijn verleend.

10.

Vanwege deze frauduleuze handelingen komt het legale karakter aan de arbeid die eisers in Nederland hebben verricht te vervallen (zie rechtsoverweging 8 en de daarin aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie). De rechtbank is van oordeel dat, anders dan eisers menen, voor het aannemen van het frauduleuze karakter van de handelingen niet vereist is dat de betrokkenen ook daawerkelijk zijn veroordeeld voor fraude. Nu door eisers niet is voldaan aan de voorwaarde van legale arbeid op basis van een onbetwist verblijfsrecht, kunnen zij aan de uitoefening van arbeid in Nederland geen rechten op grond van Besluit nr. 1/80 ontlenen. Evenmin is gebleken dat eisers op andere gronden een verblijfsrecht hebben gehad in Nederland. Van het beperken van verworven rechten is derhalve geen sprake.

Dit leidt tot de conclusie dat het bepaalde in artikel 6 van Besluit 1/80 niet in de weg stond aan de intrekking van de verblijfsvergunning van eisers met terugwerkende kracht.

Het beroep van eisers op artikel 13 van Besluit 1/80 kan hun niet baten, nu de hun verleende verblijfsvergunningen zijn ingetrokken en zij derhalve niet onder het toepassingsbereik van dat besluit valt.

11.

Eisers hebben voorts een beroep gedaan op het arrest Altun van het Hof van Justitie van 18 december 2008 (C-337/07) en hierbij verwezen naar rechtsoverwegingen 58 en 59. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het hier geen vergelijkbare zaak, zodat dit beroep reeds om die reden niet kan slagen.

12.

Ten aanzien van het eisers opgelegde inreisverbod overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000 - voor zover hier van belang - wordt aan de vreemdeling een inreisverbod uitgevaardigd, indien hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, kan de vertrektermijn worden verkort of worden bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk dient te verlaten, indien: (…)  

b. de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens.  

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000 vaardigt Onze Minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland:

a. onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, of

b. niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.

Ingevolge artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder g, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt tegen een vreemdeling geen inreisverbod uitgevaardigd, indien deze in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: Besluit 1/80), of niet wordt uitgezet om reden dat diens uitzetting in strijd zou zijn met de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217; hierna: Associatieovereenkomst), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70; hierna: Aanvullend Protocol) of genoemd Besluit 1/80.

Ingevolge artikel 6.5, derde lid, van het Vb 2000 wordt het inreisverbod opgeheven, indien zich een van de gevallen, bedoeld in het tweede lid, voordoet.

Artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb 2000 bepaalt dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren bedraagt.

13.

Eisers hebben, hoewel daartoe in staat gesteld, geen redenen aangevoerd die voor verweerder aanleiding hadden kunnen zijn tot het afzien van het opleggen van een inreisverbod of tot verkorting van de duur daarvan. Gelet op het bepaalde in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bezien in samenhang met artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb 2000, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

14

Omtrent het afzien van het horen van eisers in de bezwaarfase overweegt de rechtbank als volgt. De vraag of in bezwaar een hoorplicht bestaat wordt beheerst door het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Awb. Uitgangspunt is dat een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Awb zich voordoet. De rechtbank is, gelet op de inhoud van de het bezwaarschriften, bezien in samenhang met hetgeen eisers in eerste instantie hebben aangevoerd en hetgeen in de primaire beslissingen daaromtrent is overwogen, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat deswege van het horen van eisers kon worden afgezien. Deze grond faalt derhalve.

15.

De beroepen zijn ongegrond.


16. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van P.C.M. van Leeuwen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2013.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: 12 september 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.