Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:6473

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
AWB-13_1843
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De heffing in box 3 over de Nederlandse "tweede woning" van een inwoner van Frankrijk is aan Nederland toegewezen.

De aanslag dient wel te worden verminderd, vanwege toerekening van de helft van het inkomen aan belanghebbendes echtgenote.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2211
V-N 2013/54.19.5
FutD 2013-2458
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/1843

Uitspraak van 5 september 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (Frankrijk),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

de inspecteur.

13/1843

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 8 februari 2013 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2010 opgelegde aanslag inkomstenbelasting naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 29.423 (aanslagnummer [aanslagnummer].H06) en de daarbij bij beschikking vastgestelde heffingsrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2013 te Tilburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.711;

  • -

    vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.048;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 44 aan hem vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is in gemeenschap van goederen gehuwd en woonde in 2010 samen met zijn echtgenote in Frankrijk. Zij hebben gezamenlijk de woning [adres] te [plaats] (hierna: de woning) in eigendom. Voor het belastingjaar 2010 is de WOZ-waarde van deze woning € 1.118.000. De gemiddelde waarde van de schuld in verband met de woning is € 359.410. Belanghebbende is in Nederland buitenlands belastingplichtige.

2.2.

In geschil is of de inspecteur de (waarde van de) woning bij belanghebbende terecht tot de grondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen heeft gerekend.

2.3.1.

Artikel 7.7, tweede lid, van de Wet IB bepaalt voor buitenlands belastingplichtigen, voorzover hier van belang, dat tot bezittingen in Nederland gerekend worden de in Nederland gelegen onroerende zaken. Door verwijzing in het eerste lid van artikel 7.7, van de Wet IB naar de regels van hoofdstuk 5 van die wet worden bezittingen overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.19 van de Wet IB in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer. Ingevolge artikel 5.20, eerste lid, van de Wet IB wordt in afwijking daarvan, de waarde van een woning gesteld op de zogenaamde WOZ waarde.

2.3.2.

Artikel 6 van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen bepaalt dat inkomsten die worden verkregen door een inwoner van een van de staten uit onroerende goederen die in de andere staat zijn gelegen, in die andere staat mogen worden belast. Ook de staat waarin de genieter van de inkomsten uit onroerende zaken inwoner is, mag de inkomsten belasten. Deze staat is echter gehouden voorkoming van dubbele belasting te verlenen.

2.4.

Uit het voorgaande volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat Nederland ter zake van de woning inkomstenbelasting (box 3) kan en mag heffen. De inspecteur heeft de waarde van de woning en de schuld ter zake van die woning terecht in aanmerking genomen bij het bepalen van het inkomen uit sparen en beleggen. Dat belanghebbende de WOZ-waarde van de woning te hoog vindt, betekent niet dat artikel 5.20, eerste lid van de Wet IB geen toepassing vindt. Nu deze waarde onherroepelijk vaststaat, is de inspecteur, gelet op hetgeen in 2.3.1 is vermeld, gehouden deze waarde te volgen.

2.5.

Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat gelet op de feiten en het bepaalde in artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de helft van het inkomen uit sparen en beleggen aan de echtgenote dient te worden toegerekend, zodat het inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende moet worden verminderd tot de helft, zijnde afgerond € 14.711. De rechtbank acht dit juist en zal de inspecteur daarin volgen. Voor het overige is gesteld noch gebleken is dat het inkomen tot een onjuist of te hoog bedrag is berekend.

2.6.

De aanslagregeling van belanghebbendes echtgenote kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat belanghebbende er in rechte op mocht vertrouwen dat de waarde van de woning niet tot de grondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen behoort. Uit de betreffende stukken volgt namelijk niet dat ten aanzien van belanghebbende sprake is van een welbewuste standpuntbepaling door de inspecteur op dit punt. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur jegens belanghebbende een dergelijk standpunt heeft ingenomen.

2.7.

Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan hem niet baten. De rechtbank is niet bevoegd op grond van redelijkheid en billijkheid een juiste wetstoepassing achterwege te laten. In artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, is immers voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen. De in artikel 63 van de AWR gegeven bevoegdheid om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen (hardheidsclausule), komt niet toe aan de rechter, maar is voorbehouden aan de Minister van Financiën.

2.8.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

3 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van in totaal € 1.048 in verband met reis- en verblijfkosten, alsmede verletkosten. De inspecteur heeft ter zitting verklaard met dit bedrag aan kostenvergoeding akkoord te gaan. De rechtbank sluit zich hier bij aan.

Deze uitspraak is gedaan op 5 september 2013 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.