Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:6471

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
AWB-13_1411
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verliesverrekeningsbeschikking; verzuimboete

De staatssecretaris van Financiën heeft in 2004 op vragen van de Tweede Kamer opgemerkt dat als een belastingplichtige bezwaar maakt tegen een nihilaanslag, terwijl uit het bezwaarschrift blijkt dat belanghebbende het niet eens is met de carry-forwardbeschikking, het bezwaar moet worden geacht ook tegen de carry-forwardbeschikking te zijn gericht. De rechtbank heeft gelet hierop geoordeeld dat het bezwaar- en beroepschrift van belanghebbende geacht moeten worden te zijn gericht tegen de verliesverrekeningsbeschikking, zodat het beroep ontvankelijk is.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de verzuimboete moet worden vernietigd. Ondanks het verzoek van de gemachtigde om wijziging van het toezendadres, is de aanmaning op grond van de interne instructie "Handboek Klantregistratie" (niet gepubliceerd) naar het vestigingsadres van belanghebbende toegezonden. Nu belanghebbende heeft betwist dat zij de aanmaning heeft ontvangen en de inspecteur evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende anderszins op de hoogte is geraakt van de aanmaning ennu belanghebbende niet bekend kon zijn van het bestaan van de interne instructie, is de verzuimboete ten onrechte opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2229
V-N 2013/55.22.3
FutD 2013-2516
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/1411

uitspraak van 10 september 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 5 februari 2013 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2010 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van nihil, de verliesverrekeningsbeschikking en de tegelijkertijd bij beschikking opgelegde verzuimboete.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2013 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [verweerder].

De gemachtigde van belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 17 juni 2013 aan [gemachtigde] op het adres [adres 1] te [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 18 juni 2013 aan belanghebbende op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van
€ 707;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 318 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Op 19 april 2012 heeft de gemachtigde van belanghebbende de Belastingdienst verzocht om het toezendadres voor correspondentie ten behoeve van onder meer belanghebbende te wijzigen in zijn kantooradres, [adres 1] te [plaats].

2.2.

Bij brieven van 31 mei 2012 en 4 juli 2012 is belanghebbende herinnerd aan en aangemaand tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting (verder: Vpb) 2010. Deze brieven zijn verstuurd naar het vestigingsadres van belanghebbende, [adres 2] te [plaats].

2.3.

Belanghebbende heeft over het jaar 2010 geen aangifte Vpb ingediend. Belanghebbende heeft eveneens over de jaren 2008 en 2009 geen aangifte gedaan. Over de jaren 2004 tot en met 2007 zijn de aangiften niet binnen de termijn van artikel 9, derde lid, van de AWR ingediend.

2.4.

Aan belanghebbende is ambtshalve een aanslag Vpb 2010 opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil. De belastbare winst is daarbij geschat op € 21.227. Na verliesverrekening van € 21.227 resteert een bedrag van € 74.905 aan nog te verrekenen verliezen. De belastbare winst is geschat aan de hand van de winst over het jaar 2004. Tegelijkertijd is aan belanghebbende een verzuimboete van € 2.460 opgelegd wegens het niet doen van aangifte.

2.5.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  • -

    is belanghebbende ontvankelijk in haar beroep voor zover het de aanslag betreft;

  • -

    is de verliesverrekeningsbeschikking op het juiste bedrag vastgesteld en

  • -

    is de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.

Ontvankelijkheid beroep voor zover het aanslag betreft

2.6.

De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende geen procesbelang heeft nu het belastbare bedrag na verliesverrekening nihil bedraagt.

2.7.

De staatssecretaris van Financiën heeft in 2004 op vragen van de Tweede Kamer opgemerkt dat als een belastingplichtige bezwaar maakt tegen een nihilaanslag, terwijl uit het bezwaarschrift blijkt dat belanghebbende het niet eens is met de carry-forwardbeschikking, het bezwaar moet worden geacht ook tegen de carry-forwardbeschikking te zijn gericht (Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 2183). De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bezwaar- en beroepschrift van belanghebbende geacht moeten worden te zijn gericht tegen de verliesverrekeningsbeschikking. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

Verliesverrekeningsbeschikking

2.8.

Belanghebbende heeft zich er over beklaagd dat het onduidelijk is op basis van welke gegevens de inspecteur de belastbare winst van € 21.227 heeft geschat. De inspecteur heeft verklaard dat de schatting is gebaseerd op de belastbare winst volgens de aangifte Vpb over het jaar 2004. Nu belanghebbende geen aangifte heeft gedaan dient de bewijslast te worden omgekeerd, in die zin dat de beschikking in stand blijft tenzij belanghebbende overtuigend aantoont dat die onjuist is. Hierin is belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de belastbare winst in redelijkheid heeft geschat, nu belanghebbende over de jaren 2008 tot en met 2010 geen informatie heeft verschat over de behaalde resultaten. Dat belanghebbende in 2007 een groot verlies van € 101.538 heeft geleden, maakt dat niet anders. De verliesverrekeningsbeschikking is derhalve op het juiste bedrag vastgesteld.

Verzuimboete

2.9.

Ingevolge artikel 67a van de AWR, gelezen in samenhang met artikel 9, derde lid, van de AWR, kan voor het niet-tijdig indienen van de aangifte voor een aanslagbelasting een boete worden opgelegd indien de belastingplichtige is aangemaand binnen een in de aanmaning gestelde termijn aangifte te doen. Ter zitting heeft de inspecteur erkend dat hij de brief van 19 april 2012 van de gemachtigde heeft ontvangen, waarin wordt verzocht om wijziging van het toezendadres van alle correspondentie inzake belanghebbende. De inspecteur heeft daarbij verklaard dat volgens de interne instructie, zoals is vastgelegd in het “Handboek Klantregistratie”, alle correspondentie naar dit toezendadres is verzonden, met uitzondering van herinneringen en aanmaningen tot het doen van aangifte alsmede (eventuele) dwangbevelen. Op grond van deze instructie dienen de herinneringen, de aanmaningen en de dwangbevelen naar het vestigingsadres van belastingplichtigen te worden toegezonden, tenzij bij het verzoek om wijziging van het toezendadres een door belanghebbende ondertekende machtiging is gevoegd. Bij de brief van 19 april 2012 ontbrak een dergelijke machtiging, zodat om die reden de aanmaning naar het vestigingsadres van belanghebbende is gezonden. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat het “Handboek Klantregistratie” niet is gepubliceerd.

2.10.

Belanghebbende heeft gesteld, en dit is door de inspecteur onvoldoende betwist, dat zij nimmer de aanmaning heeft ontvangen. De inspecteur heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat belanghebbende anderszins op de hoogte is geraakt van de aanmaning. De enkele stelling van de inspecteur dat de aanmaning naar het bedrijfsadres van belanghebbende is verzonden is daarvoor onvoldoende. Gelet hierop en op grond van de omstandigheid dat belanghebbende niet bekend kon zijn van het bestaan van de interne instructie, is de rechtbank van oordeel dat de verzuimboete ten onrechte is opgelegd, nu belanghebbende niet op een rechtsgeldige wijze is aangemaand.

2.11.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.12.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 707 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 235 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1). Overige kosten zijn gesteld, noch aannemelijk geworden.

Deze uitspraak is gedaan op 10 september 2013 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van Es-Hinnen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.