Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:629

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
28-08-2013
Zaaknummer
AWB-11_5629
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006.

Belanghebbende exploiteerde in de vorm van een vennootschap onder firma met zijn echtgenote drie tankstations. Op 15 december 2005 heeft belanghebbende op een veiling van de Staat voor een bedrag van € 180.000 een huurrecht voor een benzinestation gekocht (hierna: concessierecht). Hij heeft vervolgens een holdingstructuur opgericht en het concessierecht verkocht aan de holdingvennootschap (hierna: de holding). De holding heeft het concessierecht overgedragen aan de dochtervennootschap (hierna: de dochter). De aandelen van de dochter zijn op 2 februari 2006 aan een derde verkocht voor € 1.980.000, waarna de holding aan belanghebbende een bedrag van € 1.800.000 heeft betaald. Volgens belanghebbende heeft hij op de veiling in privé gehandeld, zodat dit voordeel onbelast dient te blijven. De rechtbank is echter met de inspecteur van oordeel dat belanghebbende heeft gehandeld in het kader van zijn onderneming, zodat het concessierecht na aankoop behoorde tot het vermogen van zijn onderneming. Het behaalde voordeel dient te worden aangemerkt als winst uit onderneming. Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1904
V-N 2013/44.2.2
FutD 2013-2165
NTFR 2014/352 met annotatie van mr. M. de Jonge
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/5629

Uitspraakdatum: 23 januari 2013

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats 1],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht,

de inspecteur.

11/5629

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.846.392 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.578 (aanslagnummer [nummer]) alsmede een beschikking heffingsrente van € 180.348.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 september 2011 de navorderingsaanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 4 november 2011, ontvangen bij de rechtbank op 7 november 2011, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2012 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigden

[gemachtigde 1] en [gemachtigde 2], verbonden aan [BV 1] te [woonplaats 2], en namens de inspecteur,[gemachtigde 3], [gemachtigde 4] en [gemachtigde 5]. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende exploiteerde in het onderhavige jaar met zijn echtgenote, [echtgenote], in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: vof) drie tankstations. De winst van de vof werd voor 60% toegerekend aan belanghebbende en voor 40% aan zijn echtgenote.

2.2.

Op [datum 10] 2005 is belanghebbende met zijn schoonvader naar een veiling geweest van de Dienst Domeinen in Den Haag. Op deze veiling bood de Staat der Nederlanden huurrechten (hierna: concessierechten) aan voor benzinestations langs rijkswegen. Er werden dertien locaties geveild, waaronder de locatie “[locatie]” aan de [weg] in de gemeente [plaats].

2.3.

Voorafgaand aan deze veiling heeft belanghebbende een aanvraagformulier voor deelname aan de veiling ingestuurd. Bij het aanvraagformulier heeft hij een kopie van zijn identiteitsbewijs gevoegd. Tevens heeft hij een bedrag van € 100 betaald voor toezending van het op de locatie “[locatie]” betrekking hebbende biedboek. Belanghebbende heeft eveneens een biedkaart ontvangen. Hij heeft een bedrag van € 1.500 betaald voor entree tot de veiling.

2.4.

Op de veiling heeft belanghebbende een bod uitgebracht van € 180.000 op de locatie “[locatie]”. Belanghebbende bleek daarmee het hoogste bod te hebben gedaan. De Dienst Domeinen heeft dit per brief van [datum 1] 2005 aan belanghebbende bevestigd.

2.5.

In de brief van de Dienst Domeinen is belanghebbende onder andere gewezen op het volgende:

  • -

    Volgens artikel 23 van de Regeling veiling benzinestations langs rijkswegen diende belanghebbende binnen drie werkdagen na de dag van de veiling een waarborgsom van 15% van het bod van € 180.000 te hebben gestort, te weten een bedrag van € 27.000.

  • -

    Het totale bedrag van € 180.000 moest binnen veertien dagen na de veiling zijn betaald. Na ontvangst van dit bedrag zou aan belanghebbende een huurovereenkomst worden toegezonden.

  • -

    Belanghebbende diende overeenkomstig artikel 8 van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen (hierna: de Veilingwet) de restwaarde van gebouwen, werken en beplantingen van € 460.300 aan de bestaande wederpartij van de Staat, te weten [BV 3]te vergoeden.

  • -

    Op grond van artikel 11 van de Veilingwet moest belanghebbende aan de bestaande exploitant een nieuwe exploitatieovereenkomst aanbieden.

2.6.

Belanghebbende is op [datum 2] 2005 in overleg getreden met de bestaande exploitant. Daarnaast heeft belanghebbende op [datum 3] 2005 de waarborgsom, ad

€ 27.000 voldaan. Het restant van € 153.000 heeft hij op [datum 4] 2005 betaald.

2.7.

Op [datum 5] 2006 heeft belanghebbende een schriftelijk bod ontvangen van [BV 5] voor de overname van de concessierechten van het tankstation [locatie]. Het bod bedroeg € 1.800.000.

2.8.

Ook op [datum 5] 2006 heeft belanghebbende de holdingvennootschap [BV 2]. opgericht en heeft [BV 2]. de vennootschap[BV 4] opgericht. Het ter zake van de oprichting te storten kapitaal is in contanten voldaan. Belanghebbende heeft vervolgens de concessierechten verkocht en geleverd aan [BV 2]. voor een waarde van nihil, waarna [BV 2]. de concessierechten heeft overgedragen aan[BV 4]

2.9.

Belanghebbende heeft op [datum 6] 2006, schriftelijk, het bod van [BV 5] geaccepteerd, onder de voorwaarde dat ook de door belanghebbende gedane betaling van € 180.000 zou worden vergoed.

2.10.

Op [datum 7] 2006 heeft belanghebbende een exploitatieovereenkomst aan de bestaande exploitant gezonden. In de toelichting op het voorstel is vermeld dat belanghebbende bereid is om de bestaande exploitant een afkoopsom aan te bieden. Deze voorstellen zijn door de bestaande exploitant niet geaccepteerd.

2.11.

Op [datum 8] 2006 zijn de aandelen van[BV 4] bij notariële akte overgedragen aan [BV 5]voor een bedrag van € 1.800.000. [BV 5] heeft zich volgens de notariële akte tevens verplicht per die datum zorg te dragen voor aflossing van de lening van € 180.000 die[BV 4] aan belanghebbende had verstrekt. Na de overdracht van de voormelde aandelen[BV 4] heeft [BV 2]. in 2006 aan belanghebbende een bedrag van € 1.800.000 betaald. Dit bedrag is in rekening-courant schuldig gebleven door [BV 2].

2.12.

Bij belanghebbende is op [datum 9] 2009 een boekenonderzoek gestart. Hieruit is onder andere de bovenstaande handelwijze naar voren gekomen. De inspecteur heeft daarop het belastbaar inkomen uit werk en woning gecorrigeerd met een bedrag van € 1.800.000 en de onder 1.1. genoemde navorderingsaanslag opgelegd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

I. is het voordeel ter zake van de aan- en verkoop van de concessierechten terecht in het belastbaar inkomen uit werk en woning begrepen?

II. is de uitspraak op bezwaar afdoende gemotiveerd?

III. heeft de inspecteur belanghebbende met inachtname van de vormvoorschriften van artikel 7:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op de juiste wijze gehoord?

3.2.

Belanghebbende is van oordeel dat voornoemde vragen ontkennend dienen te worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, primair tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.392 en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente, en subsidiair tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en terugwijzing van de zaak naar de inspecteur teneinde belanghebbende opnieuw te horen en uitspraak te doen op bezwaar. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de eerste in geschil zijnde vraag

4.1.

Belanghebbende exploiteerde ten tijde van de veiling in het verband van de vof drie tankstations. Het aandeel in de vof behoorde tot het vermogen van de door hem uitgeoefende onderneming. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de veiling de aanmeldingsprocedure gevolgd zoals die is beschreven in de Veilingwet en de daarbij horende regelingen. Voorts heeft belanghebbende volgens de in de regelgeving voorgeschreven methode een bod uitgebracht op de locatie “[locatie]”. Na toewijzing van de concessie van de locatie “[locatie]” heeft belanghebbende de noodzakelijke stappen ondernomen met het doel de exploitatie van de uit de concessie voortvloeiende rechten ter hand te nemen. Hij heeft onder meer een financiering geregeld van € 180.000 ter verwerving van de toegewezen concessie, rechtskundige en ander ter zake deskundige adviseurs in de arm genomen ter bereiking van dit doel en hij heeft daartoe gesprekken en onderhandelingen gevoerd met verschillende partijen. Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende en in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende daarmee heeft gehandeld in het kader van zijn onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een zakelijk motief en daarmee een zakelijk verband met de onderneming van belanghebbende. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de verklaring van belanghebbende ter zitting, dat hij met het bod ten doel had het exploitatierecht van het tankstation “[locatie]” te verwerven. In dit kader heeft hij de bestaande exploitant ervan in kennis gesteld dat hij bereid was ter overname een afkoopsom te bieden. De concessierechten behoorden derhalve na verwerving door belanghebbende tot het vermogen van zijn onderneming.

4.2.

Belanghebbende heeft de concessierechten voor een bedrag van € 180.000 verworven. Belanghebbende heeft van [BV 5] een bedrag van € 180.000 ontvangen ter aflossing van de schuld die[BV 4] in verband hiermee aan belanghebbende had. Tevens heeft [BV 2]. een bedrag van € 1.800.000 in rekening-courant betaald aan belanghebbende. In totaal heeft belanghebbende derhalve een bedrag van € 1.980.000 ontvangen, zodat de verkoopwinst van het concessierecht € 1.800.000 (€ 1.980.000 -/- € 180.000) bedroeg. Dit bedrag dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als winst uit zijn onderneming.

4.3.

Voorts blijken uit het rapport van het boekenonderzoek de volgende afspraken:

“Financieringskosten huurrecht

(…)

Naar aanleiding van het conceptrapport is op 31 maart 2011 met de fiscale adviseurs afgesproken dat de toerekening van de eventuele rentekosten plaatsvindt overeenkomstig de uitkomsten van de uitspraak van de rechter in hoogste instantie met betrekking tot de belastbaarheid van het voordeel dat is behaald met de verkoop van het concessierecht.

Afgesproken is dat de rentekosten in alle geval in aanmerking worden genomen indien definitief komt vast te staan dat de belastbaarheid plaats moet vinden in het inkomen uit werk en woning. Hierbij dient wel in acht te worden genomen dat betalingsbewijzen moeten worden overgelegd.

Bij de bespreking van het conceptrapport is door [meneer 1] ter sprake gebracht dat er in het kader van de verkoop van het concessierecht ook nog advocaatkosten zijn betaald. De betaling heeft plaatsgevonden op basis van een factuur die is uitgeschreven door de heer [meneer 2], advocaat bij [advocaten kantoor]. Deze factuur is echter zoekgeraakt. Hierover hebben wij de afspraak gemaakt dat de toerekening van de eventuele advocaatkosten plaatsvindt overeenkomstig de uitkomsten van de uitspraak van de rechter in hoogte instantie met betrekking tot de belastbaarheid van het voor deel dat is behaald met de verkoop van het concessierecht. Afgesproken is dat de advocaatkosten in aanmerking worden genomen indien definitief komt vast te staan dat de belastbaarheid plaats moet vinden in het inkomen uit werk en woning. Hierbij dient wel in acht te worden genomen dat er een factuur en betalingsbewijs moet worden overgelegd.

(…)

Verdeling van de winst

(…)

1. De boekwinst 2006 wordt geheel toegerekend aan het winstdeel van firmant

1. De boekwinst 2006 wordt geheel toegerekend aan het winstdeel van firmant

[belanghebbende].

2. 2. Indien uit de in te stellen bezwaar- en of beroepsprocedure naar voren mocht komen dat de bron winst het uitgangspunt vormt voor de belastbaarheid als inkomen uit werk en woning dan zal er van de zijde van de belastingdienst alsnog een winstverdeling worden toegepast zoals deze bij de primaire aanslagregeling van de aangifte inkomstenbelasting 2006 is aangehouden ten aanzien van de normale winst ook al zou de termijn waarbinnen verminderingen kunnen worden verleend op dat moment zijn verstreken.

3. 3. In dat geval zal van de zijde van[belanghebbende], mevrouw [echtgenote] en hun (fiscale) adviseurs geen beroep worden gedaan op verstrijken van de termijn van navordering 2006 ten aanzien van het dan alsnog te belasten winstdeel van Mw. [echtgenote].”

4.4.

Gelet op de in 4.3 vermelde afspraak rekent de rechtbank de winst ter zake van de aan- en verkoop van de concessierechten voor het in 4.2 becijferde bedrag toe aan belanghebbende. Voor wat betreft de afspraken over de toerekening van een gedeelte van deze winst aan de echtgenote alsmede over de in aanmerking te nemen kosten merkt de rechtbank op dat de verantwoordelijkheid over de naleving van deze vaststellingsovereenkomst uitsluitend en geheel bij belanghebbende en de inspecteur rust. Gelet op de voormelde overwegingen is het gelijk ten aanzien van de eerste in geschil zijnde vraag aan de inspecteur.

Motiveringsbeginsel

4.5.

Belanghebbende heeft gesteld dat het motiveringsbeginsel is geschonden, nu in de uitspraken op bezwaar niet is ingegaan op de door hem aangedragen jurisprudentie. De rechtbank constateert dat uit de uitspraken op bezwaar blijkt dat de inspecteur de aangedragen jurisprudentie in de heroverweging heeft meegenomen. Tevens heeft de inspecteur in een brief van 20 juli 2011 zijn standpunt reeds uitgebreid onderbouwd. Van schending van het motiveringsbeginsel is in dat geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Horen

4.6.

Belanghebbende heeft tot slot gesteld, dat de controlerend ambtenaar van het boekenonderzoek, de heer [gemachtigde 3], bij het hoorgesprek een leidende rol had, zodat artikel 7:5 van de Awb is geschonden. Namens de inspecteur heeft mevrouw [gemachtigde 5] daarop ter zitting verklaard, dat zij het gesprek heeft geleid. Volgens mevrouw [gemachtigde 5] heeft de heer

[gemachtigde 3] bij het hoorgesprek een toelichting gegeven op het door hem in de aanslagregeling ingenomen standpunt. Dit standpunt en het standpunt van belanghebbende zijn vervolgens zelfstandig beoordeeld. De rechtbank acht deze verklaring van mevrouw [gemachtigde 5] geloofwaardig. Belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake is van schending van het bepaalde in artikel 7:5 van de Awb.

Slotsom

4.7

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is.

5 Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 23 januari 2013 door mr. drs. J.W.J. Huige, voorzitter,

mr. D. Hund en mr.W.A.P. van Roij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.