Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:6084

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
16-08-2013
Zaaknummer
C/02/241312
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Toepasselijk recht op de echtscheiding onder de Wet conflictenrecht echtscheiding. Voor één van partijen ontbreekt een werkelijke maatschappelijke band met het land der gemeenschappelijke nationaliteit (Somalië), zodat het recht van het land waarin partijen hun gewone verblijfplaats hebben (Nederland) van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding. Artikel 1 lid 2 jo art 1 lid 1 onder b Wet conflictenrecht echtscheiding.

Wetsverwijzingen
Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed 1 lid 2
Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed 1 lid 1 onder b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familierecht

Breda

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: C/02/241312 FA RK 11-4919

Beschikking betreffende echtscheiding,

in de zaak van

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. N. Verbruggen-Van Heijst,

en

[naam man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. D.P.J. van der Putten.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het op 21 oktober 2011 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

  • -

    het op 13 maart 2012 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;

  • -

    de op 2 december 2011, 16 januari 2012 (met bijlage) en 28 februari 2013 (met bijlagen) ontvangen brieven van de advocaat van de vrouw;

  • -

    de op 12 maart 2013 ontvangen brief van de advocaat van de man;

  • -

    de op 26 februari 2013 ontvangen modelstaat van de vrouw en de op 11 maart 2013 ontvangen modelstaat van de man;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 maart 2013;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 mei 2013.

2 De verzoeken

De vrouw verzoekt, samengevat,

  • -

    echtscheiding;

  • -

    vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen.

De man verzoekt, samengevat, voorwaardelijk (voor zover en indien het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar is)

  • -

    vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen;

  • -

    bepaling dat hij de huurder van de echtelijke woning zal zijn.

3 De beoordeling

Echtscheiding

3.1

De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, aangezien ten tijde van de indiening van het verzoekschrift partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland.

3.2

Partijen stellen dat zij in januari 1995 te [plaatsnaam], Somalië met elkaar zijn gehuwd. Zij beschikken niet over een huwelijksakte of andere documenten waaruit het huwelijk blijkt.

De vrouw heeft ter gelegenheid van het eerste gehoor op 2 juli 2008 door de IND bij binnenkomst in Nederland verklaard dat zij in januari 1995 in Somalië met de man is gehuwd, dat dit huwelijk in het geheim heeft plaatsgevonden omdat haar ouders tegen het huwelijk waren en dat het een traditioneel huwelijk betrof, voltrokken door een sheikh (korangeleerde).

Genoemde huwelijksgegevens zijn inmiddels door de ambtenaar van de burgerlijke stand in het GBA van partijen verwerkt. De advocaat heeft aangegeven dat dit is geschied na een verklaring van partijen ex artikel 36 van de Wet Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (verklaring onder ede).

Op grond van vorenstaande acht de rechtbank voldoende vaststaand dat er sprake is van een huwelijk tussen partijen, voltrokken in januari 1995 te [plaatsnaam], Somalië. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat dit huwelijk naar Somalisch recht rechtsgeldig is. Op grond van het bepaalde in artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek wordt een zodanig huwelijk in Nederland erkend.

3.3

Partijen stellen dat zij uit hun huwelijk één minderjarig kind hebben, te weten [naam], geboren in [maand en geboortejaar] te [plaatsnaam], Somalië. Door partijen is geen ouderschapsplan in het geding gebracht. Partijen hebben toegelicht dat zij geen kennis hebben van het feit of hun zoon nog in leven is; hij is mogelijk in 2007 in Somalië overleden. Ter gelegenheid van het eerste gehoor door de IND heeft de vrouw overeenkomstig verklaard.

De rechtbank acht de vrouw ontvankelijk in haar echtscheidingsverzoek. De door haar aangevoerde omstandigheden zijn van dien aard dat van partijen redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat een ouderschapsplan wordt overgelegd.

3.4

De man verzet zich tegen de door de vrouw verzochte echtscheiding. Hij meent samengevat dat de echtscheiding naar Somalisch recht niet kan worden uitgesproken, nu niet aan een van de in dat recht gestelde voorwaarden (te weten een verzoeningspoging) is voldaan. Voorts meent hij dat het huwelijk van partijen niet duurzaam is ontwricht.

3.5

Ingevolge het bepaalde in artikel 270 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek is op ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed, verzocht voorafgaand aan 1 januari 2012 de Wet conflictenrecht echtscheiding van toepassing.

3.6

Door partijen is geen rechtskeuze gedaan inzake het toepasselijk recht op het verzoek tot echtscheiding. Ingevolge artikel 1 lid 1 onder a is dan in beginsel toepasselijk het gemeenschappelijk nationaal recht van partijen. Aldus dient de rechtbank te bezien of partijen een gemeenschappelijke nationaliteit bezitten.

3.7

In de GBA-uittreksels van partijen staat vermeld dat zij beiden een onbekende nationaliteit hebben. Uit de in het geding gebrachte stukken leidt de rechtbank evenwel af dat zij, nu zij in Somalië zijn geboren en aldaar zijn gehuwd, vermoedelijk beiden de Somalische nationaliteit bezitten. De vrouw heeft ter gelegenheid van het eerste gehoor op 2 juli 2008 door de IND verklaard dat zij en haar echtgenoot de Somalische nationaliteit bezitten.

De rechtbank gaat voor de beoordeling van het toepasselijke recht op de echtscheiding er derhalve vanuit dat partijen beiden de Somalische nationaliteit bezitten.

3.8

Artikel 1 lid 1 onder a van de Wet conflictenrecht echtscheiding bepaalt dat indien partijen een gemeenschappelijk nationaal recht hebben, dat recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding. Deze regel lijdt krachtens artikel 1 lid 2 van genoemde wet echter uitzondering indien voor beide partijen of één van hen een werkelijke maatschappelijke band met het land der gemeenschappelijke nationaliteit kennelijk ontbreekt. Die situatie wordt gelijk gesteld met het ontbreken van een gemeenschappelijk nationaal recht. Toepassing van deze zogenoemde realiteitstoets kan meebrengen dat het gemeenschappelijk nationaal recht buiten toepassing blijft en dat wordt overgestapt op de wet van de gewone verblijfplaats van partijen (artikel 1 lid 1 onder b van genoemde wet).

Partijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om ter terechtzitting van 31 mei 2013 nadere inlichtingen te verstrekken omtrent het al dan niet bestaan c.q. ontbreken van een werkelijke maatschappelijke band van partijen of één van hen met het land van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen (Somalië). Voor de beoordeling van het voorgaande zijn alle omstandigheden van het geval van belang, zowel objectieve als subjectieve factoren, daaronder begrepen de factoren die partijen of één van hen aan een ander land binden.

3.9

De vrouw heeft ter zitting het volgende verklaard.

In april 2008 is de vrouw naar Nederland gekomen. De man was toen al in Nederland. Het doel van haar komst naar Nederland was het zoeken van veiligheid. De vrouw wilde zich blijvend in Nederland vestigen. De vrouw heeft in ieder geval vanaf 2009 een verblijfsvergunning. Zij is momenteel bezig met de verlenging van die vergunning.

De vrouw is al enige tijd bezig met een inburgeringcursus. Zij verstaat inmiddels de Nederlandse taal en spreekt een beetje Nederlands. Als de vrouw de inburgeringcursus heeft afgerond, kan zij een aanvraag indienen voor naturalisatie. Zij is voornemens om dat te doen.

De vrouw wil graag gaan werken, maar zij heeft op dit moment geen baan. Zij heeft geen onroerend goed in Nederland of in Somalië.

De vrouw is sinds haar komst naar Nederland niet terug geweest naar Somalië. Zij heeft nog familie in Somalië, maar daar heeft zij geen contact mee omdat het heel duur is om telefonisch contact te leggen met hen. De vrouw is niet van plan ooit naar Somalië terug te keren. Zij wil in Nederland blijven.

3.10

De man heeft ter zitting het volgende verklaard.

De man is in 2007 naar Nederland gevlucht vanwege de burgeroorlog in Somalië. De man kreeg in 2007 een verblijfsvergunning en vervolgens heeft hij een aanvraag ingediend voor gezinshereniging. De verblijfsvergunning van de man is verlengd tot 2017.

Het is zijn intentie om in Nederland te blijven en hier een toekomst op te bouwen. De man wil al enige tijd een inburgeringcursus gaan volgen, maar door de problemen in de privésfeer boekt hij geen vooruitgang. De man wil in de toekomst de Nederlandse nationaliteit verkrijgen. De man verstaat de Nederlandse taal goed en hij spreekt de taal behoorlijk.

De man is sinds zijn komst naar Nederland werkzaam. Op dit moment verricht hij vrijwilligerswerk bij een voetbalclub om een bijdrage te leveren aan de maatschappij. De man heeft een uitkering. De man bezit geen onroerend goed in Nederland. In Somalië bezat hij een huis en land, maar hij heeft dat niet meer gezien sinds zijn vertrek naar Nederland. Hij weet niet in wat voor staat het huis en het land zijn en wie in het huis woont.

De man is niet meer in Somalië geweest sinds zijn komst naar Nederland. De man geeft aan dat Somalië zijn land is en dat hij, als de oorlog voorbij is, wel zou willen terugkeren.

De man heeft familie in Nederland, te weten een zoon. Hij heeft voorts familie in Somalië, maar daar heeft hij geen contact meer mee gehad sinds zijn vertrek.

3.11

De rechtbank stelt vast dat de vrouw sinds 2008 onafgebroken in Nederland verblijft en dat zij over een verblijfsvergunning beschikt. De vrouw geeft nadrukkelijk aan dat zij in 2008 naar Nederland is gevlucht met het doel om zich hier blijvend te vestigen. Zij is druk doende om dit te realiseren door middel van het volgen van een inburgeringcursus. Het is haar intentie om te zijner tijd een aanvraag tot naturalisatie in te dienen. De vrouw wil hier gaan werken en haar toekomst opbouwen. De vrouw heeft expliciet aangegeven niet terug te willen keren naar Somalië, ook al heeft zij daar nog familie wonen.

De man verblijft sinds 2007 onafgebroken in Nederland, heeft een verblijfsvergunning en verricht hier vrijwilligerswerk. Hij zou eigenlijk naar Somalië, alwaar hij familie en onroerend goed heeft, willen terugkeren als het daar veilig is, maar hij gaat er blijkens het gestelde ter zitting ook vanuit dat zijn toekomst in Nederland ligt.

Gelet op het voorgaande ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval aan de zijde van de vrouw, zowel naar objectieve als naar subjectieve factoren, een werkelijke maatschappelijke band met het land van de gemeenschappelijke nationaliteit (Somalië). De rechtbank stelt voorts vast dat haar werkelijke maatschappelijke band met Nederland sterker is.

Dit brengt ingevolge artikel 1 lid 2 Wet conflictenrecht echtscheiding mee dat een gemeenschappelijk nationaal recht ontbreekt.

3.12

Ingevolge artikel 1 lid 1 onder b Wet conflictenrecht echtscheiding is bij gebreke van een gemeenschappelijk nationaal recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing het recht van het land waarin partijen hun gewone verblijfplaats hebben. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank Nederlands recht van toepassing op het verzoek tot echtscheiding. Aan een beoordeling van de voorwaarden die naar Somalisch recht aan een echtscheiding worden gesteld, wordt derhalve niet toegekomen.

3.13

De vrouw heeft aan haar verzoek tot echtscheiding ten grondslag gelegd dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. In dit verband heeft zij naar voren gebracht dat partijen sedert oktober 2010 uit elkaar zijn, dat partijen tevergeefs twee gesprekken in het kader van mediation hebben gevoerd waarin ook de reden van de scheiding aan de orde is gekomen en dat de relatie onherstelbaar is beschadigd. Wat de vrouw betreft is het evident dat partijen niet tot een verzoening zullen komen. Zij hebben nauwelijks contact; de vrouw wil ook geen contact met de man. De man heeft haar meerdere malen verzocht om tot een herstel van de relatie te komen, maar de vrouw is daar niet op ingegaan.

3.14

De man betwist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Hij mist de vrouw en heeft haar nodig. De man meent dat partijen een poging moeten ondernemen om tot herstel van de relatie te komen. Er zou bemiddeling moeten plaatsvinden door een Imam of relatietherapeut.

3.15

In aanmerking nemend dat partijen inmiddels ruim 2,5 jaar niet meer samenwonen, dat de vrouw uitdrukkelijk heeft verklaard de samenwoning niet te willen hervatten en dat zij, niettegenstaande het verweer van de man, volhardt in haar verzoek tot echtscheiding, kan herstel van enigszins normale echtelijke betrekkingen tussen partijen in redelijkheid niet meer worden verwacht. Dit betekent dat hun huwelijk als duurzaam ontwricht moet worden aangemerkt. Het verzoek tot echtscheiding zal derhalve worden toegewezen.

Huurrecht echtelijke woning

3.16

De man verzoekt, indien de echtscheiding wordt uitgesproken, het huurrecht van de echtelijke woning aan [adres] te [plaatsnaam] aan hem toe te kennen.

3.17

Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek met betrekking tot het huurrecht van de echtelijke woning. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.

Dit verzoek zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

Verdeling van de gemeenschappelijke goederen

3.18

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek betreffende de verdeling van de gemeenschappelijke goederen.

3.19

Op de verzoeken van partijen betreffende de verdeling van de gemeenschappelijke goederen is ingevolge artikel 4 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 Somalisch recht van toepassing omdat partijen vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen en zij ten tijde van de huwelijkssluiting de gemeenschappelijke Somalische nationaliteit bezaten, waarbij tevens aan een van de voorwaarden van artikel 4 lid 2 van genoemd verdrag is voldaan. In het kader van voormeld verdrag wordt geen realiteitstoets toegepast.

3.20

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat Somalisch recht geen huwelijksgoederengemeenschap kent zoals dat naar Nederlands recht bestaat. Niet uit te sluiten valt dat partijen goederen in gemeenschappelijke eigendom hebben. De rechtbank begrijpt dat partijen verdeling van deze gemeenschappelijke goederen vragen.

3.21

Ter terechtzitting hebben partijen alsnog overeenstemming bereikt over de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. Partijen zijn overeengekomen dat alle gemeenschappelijke goederen aan de man worden toebedeeld en dat de man alle schulden voor zijn rekening neemt en als eigen schuld zal voldoen, zonder nadere verrekening. Partijen zijn het er voorts over eens dat voormelde verdeling overeenkomstig het Somalisch recht is.

Gelet op die algehele overeenstemming zal de rechtbank gelasten dat partijen de huwelijksgoederengemeenschap dienovereenkomstig verdelen. Het meer of anders verzochte inzake de verdeling zal worden afgewezen.

Proceskosten

3.22

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, in januari 1995 te [plaatsnaam], Somalië met elkaar gehuwd;

bepaalt dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de echtelijke woning, gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam];

gelast de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen op de wijze zoals opgenomen in rechtsoverweging 3.21;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Oijen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:

  1. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op:

1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.