Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:5905

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
12-08-2013
Zaaknummer
C/02/257252 / HA ZA 12-795
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De man vordert enerzijds de alimentatietermijn van 12 jaar te verkorten op grond van 6:248 en 6:258 BW, anderzijds om de hoogte van de alimentatie niet in stand te laten op grond van 6:248 en 6:258 BW en voorts op grond van het door partijen gesloten convenant. Zware stelplicht voor de man.

De rechtbank oordeelt dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat in onderhavig geval sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de ongewijzigde handhaving van deze termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van hem zou kunnen worden gevergd. Nu beroep van de man op 6:248 BW niet slaagt, kan het beroep van de man op 6:258 BW evenmin slagen nu deze bepaling een lex specialis vormt van 6:248 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/257252 / HA ZA 12-795

Vonnis van 26 juni 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te[woonplaats 1],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. R.H.M. Madou,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.L.A. van Opstal,

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 februari 2013 en alle daarin vermelde stukken;

  • -

    de akte van de man van 28 maart 2013;

  • -

    de akte van de vrouw van 10 april 2013;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie van 10 april 2013;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 april 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

De man vordert in conventie, samengevat:

Primair:

1- te bepalen en te verklaren voor recht:

dat de man met ingang van 1 maart 2012 niet langer gehouden is om partneralimentatie aan de vrouw te betalen,

2- te verklaren voor recht dat de man op basis van het convenant sedert 2007 niet

gehouden is geweest om partneralimentatie aan de vrouw te betalen.

Subsidiair:

3- de vergoeding voor het levensonderhoud van de vrouw per 1 maart 2012 op nihil

te stellen, althans op een bedrag en per een datum dat de rechtbank meent rechtvaardig te zijn.

Primair en subsidiair:

4- te bepalen dat een ongewijzigde handhaving van de systematiek van de berekening van de alimentatie voor de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet (langer) van de man kan worden gevergd;

5- te bepalen dat de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie is gemaximeerd op € 57.000,= op jaarbasis en dat de door de man te betalen bijdrage moet worden gemaximeerd op haar behoefte, onder aftrek van haar eigen inkomsten althans de inkomsten die zij redelijkerwijs had kunnen verdienen;

6- het bepaalde in het convenant, in het bijzonder de artikelen 1.4, 1.8, 1.9 en 1.11, met inachtneming van het bovenstaande te wijzigen;

7- de door de man verschuldigde vergoeding voor het levensonderhoud van de vrouw over de periode juli 2006 tot en met 2012 te bepalen op hetgeen de man heeft voldaan;

8- de termijn van de alimentatieplicht in artikel 1.6 van het convenant aldus te wijzigen dat deze per 1 maart 2012 is geëindigd.

Uiterst subsidiair:

9- te bepalen dat een termijn van 12 jaar tot betaling van een vergoeding voor het levensonderhoud van de vrouw, berekend volgens de systematiek van artikel 1.4 en 1.7 t/m 1.11 van in het convenant, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de man kan worden gevergd.

10- de door de man verschuldigde vergoeding voor het levensonderhoud van de vrouw over de periode juli 2006 tot en met 2012 te bepalen op hetgeen de man heeft voldaan;

11- te bepalen dat de man met ingang van 1 maart 2012 geen vergoeding voor het levensonderhoud van de vrouw meer verschuldigd is.

2.2.

De vrouw vordert in reconventie, samengevat:

a- te bepalen dat de inhoud van het convenant dat in kopie aan het te wijzen vonnis zal worden gehecht, moet worden beschouwd in het vonnis te zijn opgenomen,

b- te bepalen dat de man bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te voldoen een

voorschot op de, met toepassing van artikel 1.1 tot en met 1.16 van voornoemd

convenant, verschuldigde onderhoudsbijdrage ten bedrage van € 3.000,= bruto per

maand, met ingang van 1 maart 2012, vermeerderd met wettelijke rente;

c- de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van de achterstand per 29 februari 2012 ten bedrage van € 42.056,64, te vermeerderen met wettelijke rente;

d- de man te veroordelen om uiterlijk in de maand maart van elk jaar de jaaropgave

van zijn inkomsten uit dienstbetrekking over het daaraan voorafgaande jaar aan de

vrouw ter beschikking te stellen en om uiterlijk op 1 mei van ieder jaar over te gaan tot afrekening van de aan de vrouw verschuldigde onderhoudsbijdrage over het daaraan voorafgaande jaar, voor elk onderdeel van deze vordering op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag dat de man hiermee in gebreke blijft,

e- de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van de helft van de maandpremie

voor de polis levensverzekering bij Aegon, polisnummer 26.39.01.61, tot en met februari 2013 groot € 3.683,15, vermeerderd met de wettelijke rente, en vervolgens maandelijks € 96,93 bij vooruitbetaling te voldoen,

f- de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van de door haar daadwerkelijk, in

en buiten rechte gemaakte kosten van rechtsbijstand, tot en met september 2012 ten

bedrage van € 17.212,40, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.3.

Partijen betwisten elkaars vorderingen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De feiten

3.1.

Tussen partijen staat het navolgende vast:

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond van

1996 tot 2006.

  • -

    Zij hebben drie minderjarige kinderen.

  • -

    Op 28 februari 2006 zijn partijen een traject van mediation ingegaan in verband

met de beëindiging van hun relatie. Na diverse gesprekken hebben zij op 22

respectievelijk 26 mei 2006 een convenant ondertekend waarin de gevolgen van

hun uiteengaan werden geregeld.

- Het hiervoor genoemde convenant hield, voor zover van belang voor de

onderhavige procedure, het navolgende in:

(…)

1.1

De man en de vrouw komen uitdrukkelijk overeen, dat zij over en weer een bijdrage zullen

leveren in de kosten van levensonderhoud conform navolgende alimentatieregelingen in

onderhavig convenant, na beëindiging van de samenleving.

1.2

De man en de vrouw komen deze alimentatieplicht overeen, nu zij het als een dringende

verplichting van moraal en fatsoen oordelen, dat zij beiden in staat zijn voor zover mogelijk de

levensstandaard te kunnen handhaven, die zij gewend waren te voeren ten tijde van de

samenleving. Voorts, dat de man en de vrouw, alsmede de minderjarige kinderen geboren uit hun

samenleving behoorlijk gehuisvest kunnen blijven. Immers, de man en de vrouw werkten beiden

fulltime bij aanvang van de samenleving in 1996 en zij genoren alstoen beiden een vergelijkbaar

inkomen. Medio 2000 hebben de man en de vrouw tot een herschikking van zorgtaken binnen het

gezin besloten, waarbij de vrouw nagenoeg de volledige zorg voor de kinderen en het huishouden

op zich heeft genomen. De vrouw genereert thans aanzienlijk minder inkomen dan de man. De

vrouw zal ook na beëindiging van de samenleving voorlopig het merendeel van de zorgtaken met

betrekking tot de kinderen voor haar rekening nemen. Zij zal dientengevolge onvoldoende

inkomsten kunnen genereren om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, zoals bedoeld in

onderhavig artikel van dit convenant. De man en de vrouw zijn voornemens in de toekomst de

zorgtaken meer te verdelen tussen de man en de vrouw.

De man zal dientengevolge mogelijk minder inkomsten genereren, de vrouw zal dientengevolge

mogelijk meer inkomsten genereren.

1.3

De man en de vrouw wensen uitdrukkelijk geen analoge toepassing van de wettelijke regelingen

zoals opgenomen in Boek I Burgerlijk Wetboek, met betrekking tot de vaststelling van een

uitkering tot levensonderhoud bij ontbinding van een huwelijk. Zij komen derhalve in afwijking

van voornoemde wetgeving als navolgt overeen.

1.4

De man en de vrouw komen overeen, dat zij over en weer gerechtigd zijn tot de helft van ieders

bruto arbeidsinkomen per jaar. De voldoening van de verrekeningsvordering is nader te noemen

de alimentatieplicht. (…)

1.6

De man en de vrouw komen de alimentatieplicht overeen voor een periode van 12 jaar, te rekenen

vanaf 1 juli 2006, zulks met inachtneming van hetgeen in artikel 2 van dit convenant is bepaald ten

aanzien van de alimentatieplicht in geval de alimentatiegerechtigde gaat samenleven als waren

hij/zij gehuwd/als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Deze termijn kan niet worden

gewijzigd, tenzij zich een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, dat de

ongewijzigde handhaving van deze termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet

van degene die de wijziging verzoekt kan worden gevergd. (…)

1.8

Ter voldoening van de alimentatieplicht zoals bepaald in artikel 1.4 van dit convenant zal een

zodanige bruto bijdrage maandelijks worden voldaan aan de tot alimentatie gerechtigde partij, dat

de man en de vrouw jaarlijks over een gelijk bruto jaarinkomen beschikken. (…)

1.10

Indien de vrouw alimentatiegerechtigde is, en een bruto jaarinkomen uit arbeid geniet hoger of

gelijk aan € 100.000,= per jaar, zal de verrekenplicht zijdens de man worden opgeschort voor de

duur van de periode dat de vrouw dit bruto jaarinkomen uit arbeid of een hoger arbeidsinkomen

per jaar geniet. Indien de man een bruto jaarinkomen uit arbeid genereert hoger of gelijk aan

€ 180.000,= per jaar, zal het inkomen meer dan € 180.000,= bruto per jaar, niet in de verrekening

van het inkomen betrokken worden

1.11

Na het verstrijken van ieder kalenderjaar zullen de man en de vrouw overgaan tot afrekening op

basis van de regeling zoals in artikel 1.4 en verder, bedoeld. Zij zullen daartoe de omvang van hun

bruto inkomsten uit arbeid aantonen door overlegging van bewijsstukken over en weer zoals

salarisstroken, de over het betreffende kalenderjaar afgegeven jaaropgave of

werkgeversverklaring, dan wel door overlegging van de belastingaangiften waarin de inkomsten

over het betreffende jaar zijn vermeld en de jaarcijfers van de al dan niet op eigen naam

uitgeoefende onderneming.

Zij zullen elkaar voorts deze stukken doen toekomen uiterlijk in de maand maart volgend op het

jaar waarop de afrekening betrekking heeft. Vervolgens uiterlijk in de maand april daaropvolgend,

berekenen zij het bedrag hetwelk in het voorafgaande jaar, op basis van de regeling vastgelegd in

voorgaand artikel, te veel dan wel te weinig is ontvangen.

Hetgeen te weinig is ontvangen wordt onverwijld betaald, hetgeen te veel is ontvangen wordt

onverwijld terugbetaald.(…)

1.12

Indien het arbeidsinkomen van de man en/of de vrouw in de loop van enig kalenderjaar substantieel

wijzigt, zullen zij dit onverwijld aan de andere partij mededelen.(…) In geval van vrijwillige

inkomensachteruitgang aan de zijde van de man of vrouw, zal de man of vrouw uiterlijk 6 maanden

voor ingangsdatum schriftelijk zulks aan de vrouw of man berichten. Schattenderwijs zal de

alimentatiebijdrage worden aangepast. De definitieve afrekening over het betreffende jaar zal

plaatsvinden conform artikel 1.3 en 1.11 van dit convenant.

1.15

De man en de vrouw komen uitdrukkelijk overeen, dat bovenstaande alimentatieregeling gewijzigd

kan worden in onderling overleg. Zij komen overeen, dat navolgende omstandigheden echter niet

tot wijziging van de overeengekomen alimentatieregeling aanleiding kunnen geven en in geval van

wijziging, geen invloed op de omvang van de verrekening van hun bruto arbeidsinkomen zullen

hebben:

1. (…)

2. de man te verwijten is, dat zijn bruto inkomen in relevante mate is verminderd, met name indien

de man vrijwillig kiest voor verlaging van zijn inkomen ten gevolge waarvan de vrouw een deel

van haar bruto inkomen zou dienen te voldoen met de man

3. (…)

4. het inkomen van de man ten gevolge van omstandigheden aan de man te verwijten in relevante mate is verminderd en hij zulks niet 6 maanden voor de ingangsdatum aan de vrouw schriftelijk heeft medegedeeld. In dat geval zal de verlaging van de te leveren bijdrage aan de vrouw eerst ingaan 6 maanden nadat de man de vrouw schriftelijk op de hoogte heeft getseld van deze inkomensverlaging.(…)”

- Bij brief van 31 januari 2012 heeft de man de vrouw als volgt bericht:

“Hierbij bericht ik je dat ik voornemens ben om mijn huidige werkgever per 1 augustus 2012 op vrijwillige basis te verlaten.

Dit zal tot gevolg hebben dat mijn inkomen vanaf dan zeer substantieel zal verminderen en die ten gevolge ook consequenties zal hebben voor de alimentatie, zoals afgesproken in ons convenant.

Verder bericht ik je dat ik de verrekening van de alimentatie over 2010 vooralsnog opschort.” (…)

  • -

    Op 1 maart 2012 is de man gestopt met maandelijkse betalingen aan de vrouw.

  • -

    De man is in april 2012 verhuisd van [woonplaats 2] naar [woonplaats 1].

4 De beoordeling

In conventie

4.1

De man legt aan zijn vorderingen - samengevat - ten grondslag dat hij niet (langer) gehouden is om op grond van het convenant alimentatie ten behoeve van de vrouw te voldoen. Omdat partijen niet gehuwd waren, was er geen verplichting tot betaling van partneralimentatie. In het convenant betreffende de gevolgen van de beëindiging van de samenleving zijn partijen wel een alimentatieplicht van de man jegens de vrouw overeengekomen. Naar zijn mening is echter per 1 maart 2012 een einde gekomen aan iedere dringende verplichting van moraal en fatsoen om alimentatie aan de vrouw te betalen. In dit verband voert de man aan dat partijen zijn overeengekomen dat hij gedurende 12 jaar voor zover mogelijk de levensstandaard van de vrouw dient te brengen op hetgeen zij gewend was ten tijde van de samenleving, ofwel op 50% van het gezinsinkomen. Zodra de vrouw middels eigen inkomen in haar levensstandaard zou kunnen voorzien zou de alimentatieplicht ophouden. De helft van het gezinsinkomen was gemiddeld circa

€ 57.000,=. Zijn inkomen, dat in 2005 en 2006 circa € 118.000,= bedroeg, is nà de samenwoning gestegen naar circa € 150.000,=. Per 1 maart 2012 bedraagt het eigen inkomen van de vrouw naar schatting van de man € 65.000,= per jaar plus € 700,= kinderalimentatie per maand, derhalve ver boven de levensstandaard ten tijde van de samenleving. De vrouw is daardoor na de samenleving in een veel betere positie dan hij gekomen.

Daarnaast is er volgens de man na zes jaar per 1 maart 2012 een eind gekomen aan de duur van zijn verplichting van moraal en fatsoen om bij te dragen. Weliswaar heeft de vrouw tijdens de samenleving een achterstand opgelopen op de arbeidsmarkt gezien de zorg voor de kinderen en een burn-out, maar deze achterstand is volledig ingelopen. Hij wijst in dit verband ook op een nieuw wetsvoorstel inzake de duur van partneralimentatie.

Voor zover een 12 jaar termijn zou zijn overeengekomen is het volgens de man in strijd met de redelijkheid en billijkheid om hem daaraan te houden, omdat de vrouw met haar eigen inkomen plus alimentatie een inkomen heeft verkregen dat hoger is dan de helft van het gezamenlijk inkomen van partijen ten tijde van de samenleving en aldus geen behoefte heeft aan een bijdrage. In dit verband voert hij ook aan dat de vrouw sinds 6 jaar een stabiele affectieve relatie met een nieuwe partner heeft.

Voorts stelt hij dat hij zijn huidige dienstverband wenst te beëindigen om voor zichzelf te beginnen. Als gevolg daarvan zal de alimentatie moeten eindigen althans fors dalen.

4.2

De vrouw stelt dat partijen wisten dat samenleving geen partneralimentatie-

verplichting met zich meebrengt, maar dat zij welbewust anders zijn overeengekomen in het

convenant. Uitgangspunt bij het opstellen van het convenant voor partijen was: gelijk

inkomen, gelijke zorgverdeling, in ruil voor het afzien van pensioenafspraken en volledige

aflossing door haar van de schuld van de man aan haar vennootschap. De alimentatieplicht

zou wederzijds gelden.

Partijen zijn volgens de vrouw bewust afgeweken van de regels behoefte/draagkracht

volgend uit boek 1 BW alsook van de zogenaamde hofformule door af te spreken dat zij jaarlijks over een gelijk bruto jaarinkomen zouden beschikken. Zij hebben daarbij grenzen

aangegeven. Voor zover de vrouw € 100.000,= of meer zou verdienen, zou de verrekenplicht van de man worden opgeschort. Eventueel inkomen van de man boven

€ 180.000,= zou niet voor verrekening in aanmerking komen.

De vrouw stelt dat zij overigens het merendeel van de zorgtaken op zich genomen. Zij doet

dit nog steeds. Een eventueel beroep van de man op de artikelen 6:248 lid 2 en 6:258 BW

gaat volgens de vrouw niet op, nu de omstandigheden waar de man zich op beroept in het convenant zijn meegewogen en verdisconteerd. Immers, met de inkomensstijging van de vrouw is rekening gehouden. Bovendien dient de rechter de nodige terughoudendheid te betrachten bij toepassing van art 6:248 BW.

Ook de duur van de alimentatieverplichting is weloverwogen gekozen, net zoals heel het

convenant willens en wetens is aangegaan en partijen uitgebreid en deugdelijk zijn voorgelicht door de mediator, aldus de vrouw.

4.3

De rechtbank overweegt als volgt:

De stellingen en vorderingen van de man zijn zeer uitvoerig en soms dubbel geformuleerd. Naar de rechtbank begrijpt, is evenwel de kern van het standpunt van de man tweeledig: enerzijds dient de alimentatietermijn van 12 jaar te worden verkort (vorderingen sub 1, 2, 8, 9 en 11), anderzijds kan de hoogte van de alimentatie niet in stand blijven (vorderingen sub 3, 4, 5 en 6). Ter comparitie heeft de man aangegeven dat hij zijn vorderingen baseert op zowel het bepaalde in artikel 6:248 als 6:258 BW en voorts voor wat betreft de termijn tevens op artikel 1.6 van het convenant.

De rechtbank stelt voorop dat partijen met de hiervoor geciteerde afspraken uit het convenant de door hen als natuurlijke verbintenis beschouwde verplichting van de man om gedurende 12 jaar in het levensonderhoud van de vrouw te voorzien, hebben omgezet in een rechtens afdwingbare verplichting. Zij hebben vervolgens een aantal jaren dienovereenkomstig gehandeld. Anders dan de man stelt, is dan ook niet relevant of aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen tot het voldoen van een bijdrage een einde is gekomen, maar of de daarvoor in de plaats gekomen verplichting zoals neergelegd in het convenant kan en moet worden beëindigd dan wel gewijzigd.

De termijn

4.4

Artikel 6:248 lid 1 BW bepaalt dat een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.

Artikel 6:248 lid 2 BW houdt in dat een tussen partijen overeengekomen beding niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Nu de termijn van 12 jaar uitdrukkelijk is overeengekomen verstaat de rechtbank het standpunt van de man aldus dat hij zich beroept op dit tweede lid.

In artikel 1.6 tweede volzin van het convenant is neergelegd dat wijziging van de termijn van 12 jaar slechts mogelijk is, indien zich een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan dat de ongewijzigde handhaving van deze termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van – in casu – de man kan worden gevergd. Die omschrijving, die overigens ook in Boek 1 BW voorkomt, brengt net als artikel 6:248 lid 2 BW mee dat een zware stelplicht op de man rust.

4.5

De rechtbank is van oordeel dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat in het onderhavige geval sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de ongewijzigde handhaving van deze termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van hem zou kunnen worden gevergd of zelfs onaanvaardbaar zou zijn. Uit de door de vrouw overgelegde brieven van de mediator, met name pagina 4 van de brief van 14 april 2006 (produktie 9 bij de akte aanvulling en correctie in conventie, kennelijk bedoeld als conclusie van antwoord van 13 februari 2013), blijkt dat partijen expliciet zijn gewezen op het gevolg van een 12-jaars termijn voor de partneralimentatie: “Ik meen er goed aan te doen dit zo uitdrukkelijk aan jullie aan te geven, omdat ik zulks een lange termijn van verbinding vind. (…) Zoals thans de regeling voorligt, zal de Rechtbank mijns inziens nimmer de termijn verkorten of de omvang van de bijdrage wijzigen anders dan overeengekomen”. In een toekomstige wijziging in het inkomen en de behoefte van de vrouw is onder 1.10 van het convenant voorzien, aangezien eerst bij een inkomen van € 100.000,= aan de zijde van de vrouw de alimentatieverplichting wordt opgeschort.

Voorts kan toekomstige, onzekere, wetgeving evenmin als een ingrijpende wijziging van omstandigheden in de zin van het convenant worden bezien. Het hebben van een affectieve relatie leidt volgens vaste jurisprudentie niet zonder meer tot samenleving als ware men gehuwd en voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat de wijziging in zijn dienstverband zal leiden tot een lager inkomen, gaat de rechtbank daaraan voorbij, nu ter comparitie is gebleken dat het basissalaris van de man onverminderd € 150.000,= per jaar bedraagt.

4.6

Artikel 6:258 BW bepaalt, samengevat, dat een overeenkomst geheel of gedeeltelijk kan worden ontbonden dan wel de gevolgen van een overeenkomst kunnen worden gewijzigd op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding niet mag verwachten. Nog daargelaten dat naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake is van onvoorziene omstandigheden, gelet op de inhoud van het convenant, de verslagen van de mediation en de correspondentie van de mediator, kan het beroep van de man op het bepaalde in artikel 6:258 BW niet slagen, omdat deze bepaling een lex specialis vormt van artikel 6:248 en het beroep van de man op laatstgenoemde bepaling hiervoor reeds is afgewezen.

4.7

Nu de vordering van de man moet worden afgewezen voor zover betrekking hebbend op beëindiging van de alimentatietermijn per 1 maart 2012, geldt zulks temeer voor zijn eveneens primaire vordering strekkende tot een verklaring voor recht dat hij sedert 2007 niet gehouden is geweest partneralimentatie te voldoen. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat ook als de stelling ter zake van de hoogte van het eigen inkomen van de vrouw sedert 2007 juist is, dit mede in het licht van artikel 1.10 van het convenant niet meebrengt dat is voldaan aan de strenge eisen van artikel 1.6 tweede volzin van het convenant en artikel 6:248 tweede lid BW.

4.8

Het voorgaande brengt mede dat de vorderingen van de man sub 1, 2, 8, 9 en 11 zullen worden afgewezen.

4.9

De rechtbank ziet geen grond om de door de man te betalen bijdrage voor de periode juli 2006 tot en met 2012 te bepalen op hetgeen hij heeft voldaan, zoals hij sub 7 en sub 10 vordert. Daartoe heeft hij, gelet op de betwisting door de vrouw, zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Ook deze vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.

De hoogte van de bijdrage

4.10

Aldus blijven ter beoordeling over de vorderingen van de man sub 3, 4, 5 en 6, welke betrekking hebben op de hoogte van de overeengekomen alimentatie.

4.11

In artikel 1.2 van het convenant is omschreven waarom partijen de alimentatie zijn overeengekomen. Blijkens artikel 1.4 en 1.8 omvat de alimentatie een zodanig bedrag dat ieder van partijen de beschikking krijgt over een gelijk bruto jaarinkomen, zij het dat daaraan grenzen zijn gesteld zoals neergelegd in artikel 1.10.

Het convenant bevat geen beding van niet-wijziging. Dat brengt mee dat aan de hand van de wettelijke bepalingen moet worden beoordeeld of wijziging zoals door de man gevorderd mogelijk is. De toepasselijkheid van Boek 1 BW is uitdrukkelijk uitgesloten in artikel 1.3, zodat toetsing moet plaatsvinden aan de hand van de artikelen 6:248 en 6:258 BW.

4.12

De terminologie die de man hanteert ( “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid”; “redelijkerwijs”; “meent rechtvaardig te zijn”) doet veronderstellen dat de man zijn stelling met name baseert op het bepaalde in het eerste lid van artikel 6:248 BW.

Volgens vaste jurisprudentie moet de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet worden beantwoord enkel op grond van een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst, maar komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

In de brief van 14 april 2006, waarbij de mediator een concept van het convenant toezond (produktie 9 bij de akte van de vrouw van 13 februari 2013) is op pagina 2/3 onder meer neergelegd:

“Zoals reeds aangegeven, heeft de wet een uitgebreide wettelijke regeling voor partneralimentatie na ontbinding van een huwelijk. Dit alles is geregeld in Boek 1 Burgerlijk Wetboek. (…) Jullie hebben mij aangegeven, er niet voor te voelen, deze wetgeving van toepassing te verklaren, en ook niet de bijbehorende richtlijnen zoals de Tremanormen. Reden daartoe voor (de man) is, dat hij niet gebonden wil zijn aan een vast bedrag ter zake van alimentatie per maand. Hij wil de vrijheid hebben, in de toekomst genoegen te nemen met minder inkomsten. Hij wil in dat geval niet aan een vaste maandelijkse alimentatieplicht gebaseerd op zijn huidige salaris verbonden zijn, waarvan hij een wijziging aan (de vrouw) of de Rechtbank zou moeten vragen. (…) (De vrouw) heeft toen het voorstel gedaan, een zodanige verdeling van inkomen gedurende twaalf jaar overeen te komen, dat ieder maandelijks het gelijke netto besteedbaar inkomen zou hebben. (…) Ik heb jullie gewezen op mijn bezwaren tegen deze regeling. (…)”

Blijkens het mediationverslag van 19 april 2006 (productie 10 bij de akte van de vrouw van 13 februari 2013) is voorafgaand aan het sluiten van het convenant gesproken over een beperking in hoogte van het te verrekenen inkomen, voor het geval het inkomen de welstand ten tijde van de samenleving zou overtreffen. Uiteindelijk hebben partijen vervolgens in het definitieve convenant (toch) gekozen voor de in artikel 1.10 omschreven marges, waaronder het uitgangspunt dat pas bij een eigen inkomen van de vrouw van € 100.000,= of hoger de verrekenplicht zijdens de man zou worden opgeschort. Gelet op de verslagen en correspondentie moet het voor partijen duidelijk zijn geweest voor welke regeling zij kozen en welke gevolgen daaraan verbonden zouden zijn.

4.13

Voor zover de man bedoelt zich tevens te baseren op het bepaalde in het tweede lid van artikel 6:248 BW is de rechtbank van oordeel dat dit beroep moet worden verworpen, omdat hij in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de tussen partijen overeengekomen hoogte van de alimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

In dit verband merkt de rechtbank op dat blijkens het convenant (artikel 1.12 en 1.15), de daaraan voorafgaande mediationverslagen en de hierboven geciteerde brief van de mediator van 14 april 2006 bij de onderhavige alimentatieregeling rekening is gehouden met een eventuele vermindering van het inkomen van de man ook indien dit vrijwillig zou zijn, maar dat hiervan kennelijk nog geen sprake is. De man heeft weliswaar bij brief van 31 januari 2012 aan de vrouw bericht dat hij voornemens was om per 1 augustus 2012 zijn baan te beëindigen, maar gebleken is dat dit vervolgens niet is gebeurd. Hij heeft binnen de onderneming van zijn werkgeefster een andere functie gekregen welke mogelijk van invloed is op emolumenten; zijn basissalaris van € 150.000,= per jaar is echter niet gewijzigd, zo heeft hij ter comparitie verklaard. Indien het inkomen van de man in de toekomst zou verminderen, dienen partijen alsdan te volgen wat in de artikelen 1.12 en 1.15 is overeengekomen.

4.14

Wat betreft het beroep van de man op het bepaalde in artikel 6:258 BW geldt mutatis mutandis hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.6 is overwogen.

4.15

De vorderingen sub 3, 4, 5 en 6 zullen derhalve worden afgewezen.

In reconventie

Ad a. Aanhechten convenant

4.16

Er is geen juridische grondslag aangevoerd op grond waarvan de vordering zou kunnen worden toegewezen. Verzoeken tot opneming van een convenant worden – behalve in echtscheidingsprocedures – alleen gehonoreerd indien het gaat om een regeling inzake de uitoefening van het (gezamenlijk) ouderlijk gezag ingevolge artikel 1:253a lid 2 BW of bij een omgangsregeling. Deze vordering zal worden afgewezen.

Ad b. Maandelijks voorschot van € 3.000,=

4.17

De vrouw stelt dat het vanaf het sluiten van het convenant gebruikelijk was dat de man maandelijks € 3.000,= als voorschot betaalde op de jaarlijkse afrekening.

Vast staat dat de man sinds mei 2012 geen bijdrage meer aan de vrouw heeft betaald, dat zijn huidige basissalaris niet in extreme mate verschilt van het salaris ten tijde van het uiteengaan en dat de alimentatie in de voorbije jaren nooit lager is geweest dan € 36.000,= op jaarbasis. De vrouw kan geen betaling afdwingen omdat het convenant geen bepaling over een maandelijkse betaling bevat.

De rechtbank begrijpt de vordering van de vrouw als een vordering tot nakoming van de ná het convenant tussen partijen nader gesloten overeenkomst. De man heeft ter zake enkel aangevoerd dat toewijzing zou leiden tot een inbreuk op de afspraken in het convenant omdat de alimentatie dan niet kan meebewegen met de hoogte van de inkomens. Hij heeft echter niet, althans onvoldoende weersproken dat deze afspraak is gemaakt en evenmin dat maandelijks genoemd voorschot werd voldaan. Deze vordering zal derhalve worden toegewezen, evenals de ter zake gevorderde wettelijke rente.

Ad c. Achterstand

4.18

Ter comparitie is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de achterstand in de door de man verschuldigde bijdrage voor de vrouw tot en met 2011 € 34.832,= bedraagt.

Partijen twisten over de te verrekenen fiscale voordelen tot en met 2011. De vrouw stelt, onder verwijzing naar haar productie 17 bij akte van 10 april 2013, dat zij van de man een bedrag tegoed heeft van € 2.125,34, welk bedrag evenwel de periode 2007 tot en met 2012 betreft. De man verwijst naar zijn productie 17 bij de conclusie van antwoord in reconventie van 10 april 2013, gaat kennelijk uit van een gemiddelde en stelt juist van de vrouw nog een bedrag van € 8.881,= te vorderen te hebben. Nu aan de rechtbank onvoldoende in rechte geloof verdienende stukken zijn overgelegd waaruit de juistheid van de ene dan wel de andere stelling met betrekking tot de fiscale aanslagen volgt, zal de rechtbank enkel het bedrag van de achterstand toewijzen.

Ad d. Ter beschikking stellen van jaaropgave en afrekening, dwangsom

4.19

De rechtbank begrijpt de vordering ter zake aldus dat de vrouw nakoming vordert van artikel 1.11 van het convenant. De man stelt weliswaar dat de vrouw geen belang heeft bij opgave van zijn inkomen boven de € 180.000,= maar onder 1.11 is ter zake de hoogte van opgave van het inkomen van de man geen voorbehoud gemaakt. Dit betekent dat de vordering van de vrouw tot het uiterlijk in de maand maart ter beschikking stellen van de jaaropgave van de man over het voorafgaande kalenderjaar voor toewijzing gereed ligt.

Nu de man onder punt 17 van zijn conclusie van antwoord in reconventie zich uitdrukkelijk bereid heeft verklaard om, voor zover hij nog steeds partneralimentatie dient te betalen, jaarlijks uiterlijk op 1 mei tot verrekening en uitbetaling van de verschuldigde alimentatie over te gaan, behoeft aan het vorenstaande geen dwangsom te worden verbonden.

Ad e. Levensverzekering Aegon 26.39.01.61

4.20

In het convenant is onder 5.8 het navolgende bepaald:

(…)

5.8

De waarde van de rechten voortvloeiend uit de polis tot levensverzekering bij Aegon met nummer

26.39.01.61 zal bij helften worden verdeeld. Indien mogelijk door splitsing van de polis in twee

nieuwe polissen met gelijke waarden. Indien de splitsing niet mogelijk is, dan wel teveel kosten met zich meebrengt, zullen de man en de vrouw dienaangaande nadere afspraken maken (…)”.

De vrouw vordert betaling door de man van de helft van de maandpremie. Nu in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man niet is komen vast te staan dat is overeengekomen dat ieder der partijen de helft van de maandpremie zou voldoen dient de vordering te worden afgewezen.

Proceskosten

4.21

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1.

wijst de vorderingen af,

in reconventie

4.2.

bepaalt dat de man aan de vrouw dient te voldoen een voorschot op de, met toepassing van artikel 1.1 tot en met 1.16 van voornoemd convenant, verschuldigde en te berekenen onderhoudsbijdrage ten bedrage van € 3.000,= bruto per maand, met ingang van 1 maart 2012, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente over de achterstallige voorschotten met ingang van de eerste dag van de maand waarop ieder maandelijks voorschot opeisbaar is tot aan de dag van algehele voldoening,

4.3

veroordeelt de man om aan de vrouw een bedrag van te voldoen van € 34.832,= (vierendertigduizend achthonderdtweeëndertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 1 mei 2012 tot aan de dag van algehele voldoening;

4.4

veroordeelt de man om uiterlijk in de maand maart van elk jaar de jaaropgave

van zijn inkomsten uit dienstbetrekking over het daaraan voorafgaande jaar aan de

vrouw ter beschikking te stellen en om uiterlijk op 1 mei van ieder jaar over te gaan tot afrekening van de aan de vrouw verschuldigde onderhoudsbijdrage over het daaraan voorafgaande jaar door betaling van het over het voorafgaande jaar totaal verschuldigde bedrag aan onderhoudsbijdrage minus betaalde voorschotten,

4.5

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

in conventie en reconventie

4.7

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E.A. Gimbrère-Straetmans en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2013.