Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:5884

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
09-08-2013
Zaaknummer
12/6400
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOZ: Kostenvergoeding in de bezwaarfase

De heffingsambtenaar is bij de berekening van de kostenvergoeding voor het verschijnen op de hoorzitting uitgegaan van 1 procespunt met een waarde van € 218 gedeeld door de vijf zaken die tijdens de hoorzitting zijn behandeld, zodat belanghebbende recht heeft op éénvijfde deel van € 218. De rechtbank is allereerst van oordeel dat belanghebbende wel een proces belang heeft, zodat het beroep ontvankelijk is. De rechtbank oordeelt dat ten onrechte slechts éénvijfde deel van € 218 aan belanghebbende is toegekend, nu er geen sprake is van samenhangende zaken of een bijzondere omstandigheid in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de taxateur niet onafhankelijk en onpartijdig als deskundige zijn werkzaamheden heeft verricht. Er bestaat recht op een vergoeding van 4 uren voor het taxatierapport nu de rechtbank aannemelijk acht dat sprake is van een inpandige woningtaxatie, gelet op de inhoud van het taxatierapport. Dat enkel de datum van opname op de eerste pagina van het rapport is vermeld en hieruit niet op te maken is dat inpandig is getaxeerd, maakt dit niet anders. Nu het beroep gegrond is, gaat de rechtbank voor wat betreft de proceskostenvergoeding uit van de tarieven die gelden per 1 januari 2013. In overeenstemming met de inmiddels door de Hoven gevolgde lijn dient namelijk te gelden dat indien de rechter na vernietiging van de uitspraak op bezwaar een proceskostenvergoeding voor de kosten van bezwaar vaststelt of wijzigt, het verhoogde tarief moet worden toegepast, ook als het gaat om proceshandelingen die vóór 1 januari 2013 zijn verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1857
V-N 2013/42.18.7
Belastingblad 2013/553
FutD 2013-2136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 12/6400

uitspraak van 3 mei 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Halderberge,

de heffingsambtenaar.

Het bestreden besluit

Het besluit van de heffingsambtenaar van 12 oktober 2012 op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de kosten in bezwaar.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2013 te Tilburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Zevenbergen, en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.188,20;

  • -

    gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats], per waardepeildatum 1 januari 2011, vastgesteld voor het kalenderjaar 2012 op € 464.000. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2012 bekend gemaakt. In de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 oktober 2012 heeft de heffingsambtenaar de waarde verminderd tot € 440.000 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase een kostenvergoeding toegekend van € 361,60, zijnde € 218 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het indienen van een bezwaarschrift, € 100 voor het ingediende taxatierapport en € 43,60 voor het verschijnen van de gemachtigde op de hoorzitting. Voor de vergoeding van het taxatierapport is uitgegaan van een uurtarief van € 50 inclusief btw en een tijdsbesteding van 2 uur. Voor de berekening van de kostenvergoeding voor het verschijnen van de gemachtigde op de hoorzitting is uitgegaan van 1 punt met een waarde van € 218 gedeeld door de vijf zaken van de gemachtigde die gezamenlijk tijdens de hoorzitting zijn behandeld en waarvan het bezwaar gegrond is verklaard.

2.3.

In geschil is primair de ontvankelijkheid van het beroep. Subsidiair is de hoogte van de voor het taxatierapport en de hoorzitting toegekende kostenvergoeding in geschil, alsmede het niet vergoeden van de kosten van de kadastrale uittreksels.

2.4.

Nu belanghebbende de verlaagde waarde van de woning na bezwaar niet betwist en er reeds aan hem een kostenvergoeding is toegekend, heeft de heffingsambtenaar zich primair op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat een procesbelang aan de zijde van belanghebbende ontbreekt.

2.5.

Uit vaste jurisprudentie vloeit voort dat het mogelijk is om uitsluitend in (hoger) beroep te komen tegen de beslissing over de vergoeding van proceskosten (vergelijk HR 27 november 2009, nr. 08/00316, LJN BJ7919, BNB 2010/60). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Hoge Raad daarbij onder “proceskosten” tevens begrepen de kosten in de bezwaarfase, zoals bedoeld in artikel 7:15 van de Awb. Om voor vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 7:15 en 8:75 eerste lid van de Awb in aanmerking te kunnen komen, moeten er door een belanghebbende wel kosten zijn verschuldigd voor het inschakelen van een deskundige. Rechtsbijstand op basis van “no cure no pay” staat niet in de weg aan een proceskostenvergoeding (vergelijk HR 7 oktober 2011, nr. 10/05199, LJN BT6841, BNB 2011/281). “No cure no pay” is immers een systeem waarbij, indien de procedure wordt gewonnen, er door de belanghebbende kosten worden gemaakt. De overeenkomst tussen belanghebbende en de gemachtigde brengt mee dat indien het bezwaar gegrond wordt verklaard en de heffingsambtenaar op grond daarvan een kostenvergoeding aan belanghebbende toekent, er kosten worden gemaakt voor het inschakelen van de gemachtigde. Hieruit volgt dat belanghebbende kosten heeft gemaakt in de bezwaarprocedure, zodat zij recht heeft op vergoeding van die kosten. De omstandigheid dat belanghebbende niet méér hoeft te betalen aan de gemachtigde dan (uiteindelijk) door de heffingsambtenaar wordt vergoed, is onvoldoende reden om te oordelen dat belanghebbende in beroep geen belang heeft bij een hogere vergoeding (vergelijk HR 13 juli 2012, nr. 11/02035, LJN BX0904, BNB 2012/256). Het feit dat belanghebbende het eventueel te ontvangen bedrag als gevolg van een overeenkomst met de gemachtigde moet doorbetalen aan de gemachtigde, maakt weliswaar het economische belang van belanghebbende feitelijk nihil, maar dat doet niet af aan het procesbelang van belanghebbende. Evenmin staat daaraan in de weg dat belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele proceskostenvergoeding ook aan de gemachtigde kan worden uitbetaald (vergelijk HR 16 november 2012, nr. 11/02517, LJN BY2770). Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ontvankelijk is.

De hoorzitting

2.6.

Ter zake van de kostenvergoeding voor het verschijnen op de hoorzitting door de gemachtigde heeft de heffingsambtenaar gesteld dat terecht het forfaitaire bedrag van € 218 is verdeeld over de vijf zaken die tijdens de hoorzitting zijn behandeld en waarvan de bezwaren gegrond zijn verklaard. Vaststaat dat sprake is van vijf individuele zaken, er vijf afzonderlijke bezwaarschriften zijn ingediend en tijdens de hoorzitting deze vijf individuele zaken – hoe kort ook – afzonderlijk zijn behandeld.

2.7.

Verdeling van het forfaitaire bedrag over meerdere zaken kan plaatsvinden indien sprake is van samenhangende zaken. Van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is sprake indien – voor zover hier van belang - de zaken nagenoeg identieke besluiten betreffen waartegen (nagenoeg) gelijktijdig op vergelijkbare gronden bezwaar is ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit, zodat de hoogte van de vergoeding niet beperkt blijft tot een evenredig gedeelte van het bedrag dat voor samenhangende zaken zou worden toegekend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar ten onrechte slechts éénvijfde punt heeft toegekend in het kader van de vergoeding voor de hoorzitting. Gelet hierop dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende voor de hoorzitting alsnog een volledig punt toe te kennen.

2.8.

Voorts heeft de heffingsambtenaar gesteld dat vaststelling van de kosten van de hoorzitting op grond van de forfaitaire regeling van artikel 2, eerste lid, letter a van het Besluit leidt tot een onredelijke uitkomst nu er voor de vijf zaken slechts één hoorzitting is geweest met een beperkte omvang van de werkzaamheden per zaak. Daarbij zijn volgens de heffingsambtenaar tijdens de hoorzitting geen nieuwe inzichten naar voren gebracht die geresulteerd hebben in een lagere waarde dan de reeds in de concept-uitspraak vermelde waarde. Aangezien de gemachtigde niet in beroep gaat tegen de vastgestelde waarde, behoefde er volgens de heffingsambtenaar geen hoorzitting plaats te vinden. Voorts is er een minimale tijd aan de onderhavige zaak tijdens de hoorzitting besteed. Volgens de heffingsambtenaar is sprake van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, die een afwijking van de forfaitaire regeling rechtvaardigt.

2.9.

Artikel 7:15 van de Awb in samenhang gelezen met artikel 2 van het Besluit biedt naar het oordeel van de rechtbank geen grond om bij een gegrond bezwaar af te zien van vergoeding voor het bijwonen van de hoorzitting. Dat de heffingsambtenaar de in een conceptuitspraak op bezwaar aangekondigde (verlaagde) waarde naar aanleiding van het hoorgesprek niet nader heeft verlaagd, maakt het verzoek van de gemachtigde om te worden gehoord en de aanwezigheid op een hoorzitting nog niet onredelijk of onnodig. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er evenmin reden tot matiging van de kostenvergoeding. De omstandigheid dat de hoeveelheid werk - en daarmee de kosten - voor de gemachtigde wellicht bescheiden in omvang is geweest, vormt nog geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. Het is immers een forfaitaire regeling, waarbij wordt geabstraheerd van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Gelet hierop faalt ook deze stelling van de heffingsambtenaar.

Het taxatierapport

2.10.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting zijn standpunt dat het indienen van een taxatierapport in de bezwaarfase niet noodzakelijk is, laten varen. Voorts heeft de heffingsambtenaar ter zitting het standpunt ingenomen dat een vergoeding van de kosten van het taxatierapport verhoogd dient te worden met omzetbelasting.

2.11.

In beroep stelt de heffingsambtenaar zich op het standpunt gesteld dat de kosten van het taxatierapport niet voor vergoeding in aanmerking komen nu de werkzaamheden van de deskundige (taxateur) niet onafhankelijk en onpartijdig zijn uitgevoerd. De heffingsambtenaar baseert zijn standpunt op de omstandigheid dat de taxateur voor zijn inkomen volledig afhankelijk is van de uitkomst van het geschil. Ter zitting heeft de gemachtigde bevestigd dat de taxateur op basis van ‘no cure no pay’ betaald wordt.

2.12.

De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft

gemaakt dat de taxateur niet onafhankelijk en onpartijdig als deskundige zijn werkzaamheden heeft verricht. De omstandigheid dat belanghebbende alleen bij gegrondheid van het bezwaar of beroep de kosten ter hoogte van de proceskostenvergoeding aan de taxateur is verschuldigd, is onvoldoende om in deze zin te oordelen. Voorts is uit de stukken noch anderszins gebleken dat de taxateur zijn werkzaamheden niet onafhankelijk en onpartijdig heeft verricht.

2.13.

Voor dat geval is de heffingsambtenaar van mening dat het aantal te vergoeden uren niet meer kan bedragen dan twee, aangezien volgens hem sprake is van een niet-inpandige taxatie (vergelijk de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, naar aanleiding van HR 13 juli 2012, nr. 11/02035, LJN: BX0904 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BX0904), gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). De heffingsambtenaar voert hiertoe aan dat het taxatierapport slechts de datum van opname vermeldt, zonder daarbij te vermelden dat het een inpandige opname betreft. De gemachtigde stelt dat er sprake is van een inpandige taxatie. Hij heeft ter zitting zijn eerdere standpunt in die zin bijgesteld dat conform voornoemde richtlijn vier uren vergoed dienen te worden in plaats van de vijf uren die feitelijk aan de taxatie zijn besteed. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat een inpandige woningtaxatie heeft plaatsgevonden. Derhalve bestaat recht op een vergoeding van 4 uren maal het uurtarief van € 50 met verhoging van 19% btw, zijnde € 238. In het taxatierapport is namelijk een gedetailleerde beschrijving opgenomen van de bouwaard, de gebruikte materialen, constructie en de indeling van de woning. Bij de indeling staan ook gegevens vermeld met betrekking tot de onderhoudstoestand en voorts zijn foto’s van de binnenzijde van de woning opgenomen in het taxatierapport. Dat enkel de datum van opname op de eerste pagina is vermeld en hieruit niet op te maken is dat inpandig is getaxeerd, acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een niet-inpandige taxatie.

Kosten kadastrale uittreksels

2.14.

Op grond van artikel 1, aanhef, onderdeel e, van het Besluit, in verbinding met artikel 2, aanhef, onderdeel e, van het Besluit komen de gemaakte kosten voor de uittreksels uit de openbare registers volledig voor vergoeding in aanmerking. Belanghebbende heeft gesteld dat deze kosten gemaakt zijn. De heffingsambtenaar heeft dit betwist. Hiertoe heeft de heffingsambtenaar aangevoerd dat het taxatierapport niet is voorzien van afschriften van zodanige uittreksels. Gelet op de geloofwaardige verklaring ter zitting van de gemachtigde en de factuur van de taxateur acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende € 8,20 kosten heeft gemaakt voor uittreksels uit de openbare registers. De kosten van € 8,20 komen derhalve voor vergoeding in aanmerking.

2.15.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard. De rechtbank vindt hierin aanleiding de heffingsambtenaar (tevens) te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank gaat hierbij uit van een wegingsfactor 0,5 en verwijst hiervoor naar de in 2.13 vermelde Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven.

2.16.

Voor wat betreft de waarde per punt gaat de rechtbank uit van € 235 voor de bezwaarfase en € 472 voor de beroepsfase. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Bij de toepassing van het tarief bedoeld in artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit, is van belang dat de waarde per punt, vermeld in onderdeel B1 van de bijlage bij voornoemd Besluit, is verhoogd bij besluit van 20 december 2012, Stb. 2012, 683. Deze wijziging is volgens het besluit van 20 december 2012, Stb. 2012, 684, met ingang van 1 januari 2013 in werking getreden. Laatstgenoemd besluit bevat ten aanzien van dit tarief geen voorschriften van overgangsrecht. In overeenstemming met de inmiddels door de Hoven gevolgde lijn (zie o.a. Hof ’s-Hertogenbosch 12 april 2013, nr. 12/00341, LJN BZ8512 en Hof Arnhem 15 januari 2013, nr. 12/00255, LJN BY9478), dient te gelden dat indien de rechter na vernietiging van de uitspraak op bezwaar een proceskostenvergoeding voor de kosten van bezwaar vaststelt of wijzigt, het verhoogde tarief moet worden toegepast, ook als het gaat om proceshandelingen die vóór 1 januari 2013 zijn verricht. Dit is in overeenstemming met de lijn die de hoogste algemene bestuursrechters hanteren bij de hoogte van het tarief voor handelingen die zien op de beroepsfase (zie Hoge Raad 19 april 2013, nr. 11/03600, LJN BX4034).

2.17.

Gelet op hetgeen in 2.7 en 2.13 tot en met 2.16 is overwogen dient de heffingsambtenaar in totaal € 1.188,20 (€ 235 voor het bezwaarschrift, € 235 voor de hoorzitting, € 238 voor het taxatierapport, € 8,20 voor de kadastrale uittreksels en € 472 voor de beroepsfase, zijnde 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 0,5) te vergoeden, waarvan al € 361,60 door de heffingsambtenaar is voldaan.

Deze uitspraak is gedaan op 3 mei 2013 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.A. Mandemakers, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 17 mei 2013

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.