Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:5859

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-08-2013
Datum publicatie
08-08-2013
Zaaknummer
STR-12_715360
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging moord. Mishandeling en bedreiging. Medeplegen. Invloed social media op verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 12/715360-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 augustus 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

wonende te [woonplaats], [adres],

gedetineerd in de penitentiaire inrichting Middelburg, locatie Torentijd, Torentijdweg 1, 4337 PE Middelburg,

ter terechtzitting verschenen,

raadsvrouw mr. Kouijzer, advocaat te Middelburg,

ter terechtzitting aanwezig,

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 juli 2013, waarbij de officier van justitie mr. Van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering - ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 oktober 2012 te Middelburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg, in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die

[slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] is/zijn gerend en/of (vervolgens) met een

(vuur)wapen meermalen, althans eenmaal, in de richting van die [slachtoffer 1]

en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] heeft geschoten en/of daarbij die

[slachtoffer 1] heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid

en/althans

hij op of omstreeks 17 oktober 2012 te Middelburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet in de richting van die

[slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] is/zijn gerend en/of

(vervolgens) met een (vuur)wapen meermalen, althans eenmaal, in de richting

van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] heeft geschoten

en/of daarbij die [slachtoffer 1] heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 17 oktober 2012 te Middelburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 4]

van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een

(vuur)wapen in de richting van die [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 2 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 17 oktober 2012 te Middelburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met

dat opzet met een (vuur)wapen in de richting van die [slachtoffer 4] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 17 oktober 2012 te Middelburg tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te

weten [slachtoffer 4]) in het gezicht heeft geslagen/gestompt, waardoor voornoemde

[slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden

en

hij op of omstreeks 17 oktober 2012 te Middelburg tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk die [slachtoffer 4] dreigend de

woorden toegevoegd (zakelijk weergegeven):"jij wilt ook problemen met [verdachte]

toch?" en/of daarbij een (vuur)wapen op die [slachtoffer 4] gericht en/of

(vervolgens) de woorden (zakelijk weergegeven):"beter ga je nu naar huis."

en/of heeft verdachte en/of zijn mededader(s) op een voor het slachtoffer
zichtbare en dreigende wijze een honkbalknuppel vastgehouden;

art 285 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 17 oktober 2012 te Middelburg, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, een of meer (vuur)wapens van

categorie III, te weten een enkelloops (kogel)geweer merk TOZ, type 78-04

.22lr en/of munitie van categorie III, te weten een patroonhouder gevuld met

20 .22 lr kogelpatronen merk CCI (randvuur) en/of 18 .320 kogelpatronen merk

Fiocchi (G.F.L.) (centraal vuur met rand), voorhanden heeft/hebben gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

5.

hij op of omstreeks 17 oktober 2012 te Middelburg tezamen meet een ander of

anderen, althans alleen, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten

een imitatiegeweer merk Gonher, type Condor, zijnde (een) voorwerp(en) dat/die

voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis

vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde

voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft op 17 oktober 2012 met een geweer geschoten op [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], waarbij [slachtoffer 1] levensgevaarlijk is verwond. Hij baseert zich daarbij op de verklaringen van de aangevers, de verdachte en van medeverdachte [medeverdachte], alsmede op het sporenonderzoek en de medische informatie. Het handelen van verdachte is te kwalificeren als poging tot moord, nu verdachte na het eerste treffen met de aangevers naar huis is gerend om enkele minuten later terug te keren met een geweer. Hij heeft vervolgens eerst geschoten op [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en daarna op [slachtoffer 4]. Verdachte heeft voldoende tijd gehad om zich te beraden op zijn besluit om op aangevers te schieten en hij heeft voldoende gelegenheid gehad om over de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. De gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van ernstig letsel aan het lichaam van de slachtoffers, dat het niet anders kan dan dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen een dodelijk gevolg zou kunnen hebben. De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit in vereniging met een ander heeft gepleegd.

De officier van justitie acht ook de onder 3 eerste en tweede cumulatief ten laste gelegde mishandeling en bedreiging van [slachtoffer 4] wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer 4], de verklaring van [medeverdachte] en de verklaring van [slachtoffer 3]. Verdachte heeft dit feit in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] gepleegd, nu [medeverdachte] aanwezig was, daarbij op een voor aangever dreigende wijze met een honkbalknuppel in zijn handen is blijven staan en zich niet heeft gedistantieerd of heeft getracht verdachte tegen te houden [slachtoffer 4] te mishandelen en te bedreigen.

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan het voorhanden hebben van een wapen en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 5 verzoekt de officier van justitie verdachte vrij te spreken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de verklaringen van de getuigen kritisch dienen te worden beschouwd, aangezien de indruk bestaat dat (een aantal van) de verklaringen uit loyaliteit is afgelegd. Zij wijst daarbij op de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris. Daaruit blijkt dat hij details die hij na het incident heeft vernomen in zijn verklaring bij de politie heeft verwerkt. De verdediging wijst eveneens op de verklaring van [getuige 2] dat hij er getuige van is geweest dat mensen afspraken hebben gemaakt om valse verklaringen af te leggen.

De verdediging is van mening dat, gelet op de verklaringen van verdachte bij de rechter-commissaris op 15 maart 2013 en ter terechtzitting, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 17 oktober 2012 met een geweer heeft geschoten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feit 1). Omdat er geen sprake is van voorbedachten rade is dit echter niet te kwalificeren als een poging tot moord, maar als een poging tot doodslag. Verdachte is weliswaar, nadat hij zich bedreigd voelde door de man met het masker, naar de woning van zijn vriendin gerend om zijn gitaartas met het geweer te halen, maar deze woning is op zeer korte afstand van de plaats waar hij zich op dat moment bevond. Hij is vervolgens naar buiten gegaan en onmiddellijk beginnen te schieten. Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum volgt dat verdachte intellectueel beperkt is en dat snel schakelen voor hem moeilijker is dan voor een gemiddeld persoon, hetgeen ook ter terechtzitting is gebleken. Op grond hiervan is de verdediging van mening dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedstoestand. De verdediging is daarnaast van mening dat [slachtoffer 3] niet ter plaatse aanwezig was en dat verdachte derhalve ook niet op hem heeft geschoten. Verdachte dient van dit onderdeel te worden vrijgesproken. Bovendien kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen van het bestanddeel ‘tezamen en in vereniging’. Medeverdachte [medeverdachte] was weliswaar aanwezig, maar hij wist niet dat in de gitaartas een wapen zat en er heeft ook geen overleg plaatsgevonden.

Met betrekking tot feit 2 is de verdediging van mening dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. In het dossier bevindt zich alleen de aangifte van [slachtoffer 4], die hij twee dagen nadat er op hem geschoten zou zijn, heeft afgelegd. Er is geen steunbewijs voor dit feit.

De onder 3 als eerste ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 4] kan wettig en overtuigend bewezen worden, gelet op de verklaring van aangever en verdachte. Het bestanddeel ‘tezamen en in vereniging’ kan echter niet bewezen worden. Verdachte dient echter van de onder 3 als tweede cumulatief ten laste gelegde bedreiging te worden vrijgesproken. Verdachte heeft geen vuurwapen op [slachtoffer 4] gericht en de bedreiging was niet tegen hem was gericht. De rol van [medeverdachte] is te duiden als de boel sussen. Hij heeft geen honkbalknuppel in zijn handen gehad.

De verdediging is van mening dat feit 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Tot slot dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde, nu het imitatiegeweer is aangetroffen in de schuur van [medeverdachte], verdachte daar geen wetenschap van had en hij ook niet de eigenaar van dit wapen was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank1

Feit 1 en 2

Op 17 oktober 2012 kort na 02:00 uur heeft er een schietpartij plaatsgevonden in de woonwijk Dauwendaele te Middelburg. Hierbij raakte [slachtoffer 1] (hierna ook het slachtoffer) levensbedreigend gewond. Hij werd na een zoekslag in de omgeving aangetroffen in een portiek aan de Kriekenhof te Middelburg.2 Hij was bij binnenkomst op de spoedeisende hulp in shock en had een ondertemperatuur. Er waren twee wonden zichtbaar, één aan de voorzijde ter hoogte van de rechtertepel en één aan de achterzijde van de borstkas. Het slachtoffer had een ingeklapte long en er was bloed aanwezig in de rechter borstkasholte. De behandeling op de spoedeisende hulpafdeling bestond uit het aanleggen van een drain in de borstholte om het bloed en vocht af te voeren, waarna hij verder werd bewaakt op de intensive care.3 Uit navraag bij de behandelende internist komt naar voren dat het slachtoffer vanaf het begin van de behandeling op de spoedeisende hulpafdeling niet meer in levensgevaar verkeerde daar de verwonding onder controle was. De Ggd-arts concludeert daaruit dat het slachtoffer in de periode voor zijn behandeling in levensgevaar is geweest gezien de verwonding en de conditie waarin hij in het ziekenhuis arriveerde en dat zijn conditie bij binnenkomst op de spoedeisende hulpafdeling kritiek was.4

Bij [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn geen letsels geconstateerd.

Naar aanleiding van het schietincident heeft op 17 oktober 2012 omstreeks 04:20 uur een forensisch onderzoek naar sporen plaatsgevonden. Hierbij werden op de Roozenburglaan te Middelburg, ter hoogte van het gezondheidscentrum, vier hulzen en een patroon aangetroffen. De hulzen en patroon betroffen munitie van het kaliber .22 LR. Verder werd in een brandgang tussen de Roozenburglaan en de Kriekenhof een kogelprojectiel aangetroffen.5

Op 17 oktober 2012 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de vriendin van verdachte aan [adres 1] te Middelburg. Tijdens deze doorzoeking is in de woonkamer een gitaarhoes aangetroffen met daarin onder andere een geweer voorzien van een patroonhouder, welke gevuld was met .22 LR munitie. Verder zijn in de woning een honkbalknuppel en 18 stuks .32 revolver munitie aangetroffen.6

Tijdens de veiligheidsfouillering van verdachte werd in zijn broekzak één patroonhouder aangetroffen met daarin .22 LR munitie.7

Voorts heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in een kelderbox behorende bij de woning [adres 2] te Middelburg. Hierbij is onder andere achter een kast een imitatiegeweer aangetroffen.8

De aangetroffen wapens en munitie zijn onderzocht door een tactisch rechercheur. Het in de woning [adres 1] te Middelburg aangetroffen wapen bleek een enkelloops (kogel)geweer van het merk TOZ, type 78-04, kaliber .22 LR te zijn en is geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De aangetroffen patroonhouders behoorden bij het hiervoor genoemde kogelgeweer en bevatten ieder tien stuks identieke kogelpatronen van het merk CCI, kaliber .22 LR en zijn allen randvuur. De 18 stuks kogelpatronen waren van het merk Fiocchi (G.F.L.), kaliber .320 en betroffen allen centraal vuur met rand. Het aangetroffen kogelgeweer en de aangetroffen munitie zijn een vuurwapen en munitie in de zin van artikel 1 onder 3 respectievelijk 4, gelet op artikel 2 lid 1 respectievelijk lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie. Het voorhanden hebben hiervan is verboden op grond van artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.9

Geloofwaardigheid en betrouwbaarheid verklaringen
De rechtbank is van oordeel dat de zich in het dossier bevindende verklaringen van aangever(s) en diverse getuigen met de nodige voorzichtigheid gelezen dienen te worden om de navolgende redenen. Gebleken is uit diverse in dit dossier afgelegde getuigenverklaringen dat op de website [naam website] vrijwel direct na het schietincident berichten met details daarover zijn verschenen. In dit licht weegt de rechtbank de verklaring van getuige [getuige 2], afgelegd op 13 juni 2013 bij de rechter-commissaris, waarin deze onder meer verklaard dat hij er getuige van is geweest dat door verschillende personen werd afgesproken om valse verklaringen af te leggen met als doel verdachte en [medeverdachte] zolang mogelijk ’binnen’ te houden zwaar. Uit het dossier en de diverse verklaringen die zijn afgelegd blijkt voorts dat er geruime tijd voor het incident sprake was van oplopende spanningen tussen enerzijds verdachte (en in mindere mate medeverdachte [medeverdachte]) en anderzijds aangever(s) en een aantal van de bij de groep van aangevers behorende getuigen. Een en ander in samenhang bezien leidt tot het oordeel dat niet uitgesloten kan worden dat diverse van de betrokken personen er belang bij (kunnen) hebben om anders dan de waarheid te verklaren en dat om die reden de afgelegde verklaringen met de nodige voorzichtigheid dienen te worden gelezen. Dit geldt in ieder geval voor verklaringen waarin niet consistent en tegenstrijdig is verklaard danwel waarvan vast staat dat de verklaring (mede) is beïnvloed door informatie verkregen nadien van derden of mogelijke via social media (zie hiervoor).

Aangever [slachtoffer 3] heeft over de gang van zaken tijdens het schietincident verklaringen afgelegd tegenover de politie en de rechter-commissaris. Deze verklaringen zijn op hoofdlijnen en op belangrijke onderdelen niet consistent en zelfs tegenstrijdig. Zo heeft [slachtoffer 3] bij de politie verklaard dat hij die nacht alleen was, maar bij de rechter-commissaris, zonder duidelijke uitleg, dat hij die nacht samen was met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Daarnaast is de verklaring van [slachtoffer 3] afgelegd enkele uren na het schietincident op relevante onderdelen niet eensluidend met die van de andere aangevers en getuigen. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 3] met grote terughoudendheid moet worden beoordeeld en om die reden niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Ditzelfde geldt voor de verklaringen van getuige [getuige 1], ook deze zijn op belangrijke onderdelen niet consistent en zelfs tegenstrijdig. [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris op 18 juni 2013 onder andere verklaard dat hij zijn verklaring bij de politie heeft afgelegd nadat hij op straat veel over het schieten had gehoord, dat er naar zijn zeggen veel werd gespeculeerd en dat hij details in zijn politieverklaring heeft verwerkt die hij na het schieten had gehoord. Dit leidt tot het oordeel dat aan het waarheidsgehalte en derhalve de betrouwbaarheid van zijn verklaringen moet worden getwijfeld en dat deze om die reden niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Gebeurtenissen op 16 en 17 oktober 2012

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij op 16 oktober 2012 in de middag naar het winkelcentrum ging en dat hij daar [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2]) tegenkwam. In het verleden is een aantal keren ingebroken in het schuurtje van zijn zus waar [medeverdachte] aan brommers sleutelde en dat gebruikt werd als plaats om te ‘chillen’. [medeverdachte] verdacht een groep waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] deel van uitmaakten van deze inbraken. Hierover ontstond die middag (wederom) ruzie. Die middag heeft [slachtoffer 2] [medeverdachte] een paar klappen in zijn gezicht gegeven. De rechter-commissaris heeft tijdens het verhoor van [medeverdachte] op 19 oktober 2012 geconstateerd dat er een blauwe verkleuring rond het oog van [medeverdachte] te zien was.
Verdachte heeft verklaard dat[naam 1], de ‘[naam 1]’ (de rechtbank begrijpt: [naam 1]), vertelde dat zij die avond terug zouden komen om [medeverdachte] te mishandelen. Verdachte heeft verklaard om die reden die avond bij [medeverdachte] te zijn gebleven.

De avond van 16 oktober 2012 waren verdachte en [medeverdachte] in het schuurtje van [medeverdachte] behorende bij de woning aan [adres 2] te Middelburg. In/bij het schuurtje waren op enig moment die avond tevens aanwezig [getuige 2], [naam 1], [naam 2] en [getuige 1]. [medeverdachte] was in het schuurtje aan het sleutelen aan brommers, terwijl de andere personen in de gemeenschappelijke ruimte voor het schuurtje aan het ‘chillen’ waren.10 Verdachte is die avond nog even weggeweest. Op een gegeven moment ging iedereen naar huis behalve verdachte, [medeverdachte], [getuige 2] en [naam 2]. Zij zijn samen naar de Box gegaan.11 [medeverdachte] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zich niet veilig voelde vanwege het conflict eerder die dag en dat hij daarom een honkbalknuppel had meegenomen.12 Op enig moment zag verdachte personen staan; [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en een derde persoon met volgens verdachte een capuchon en een masker op. Deze laatste persoon hield volgens verdachte een hand achter zijn rug. [getuige 2] en [naam 2] zijn weggegaan. Verdachte heeft verklaard dat hij tegen [medeverdachte] heeft gezegd dat hij had gezien dat ze gewapend waren en dat hij vervolgens naar huis is gerend om een wapen te halen.13 De rechtbank acht deze verklaring van verdachte – anders dan de officier van justitie die er vanuit gaat dat het wapen in het eerder genoemde schuurtje lag - , mede gelet op de verklaring van [slachtoffer 1] dat verdachte wegrende door de tunnel in de richting van de [straat 1] en dat hij door diezelfde tunnel ook weer terug kwam, geloofwaardig. Verdachte heeft in de woning tegen [medeverdachte] gezegd dat hij de gitaarhoes moest pakken, hetgeen [medeverdachte] ook heeft gedaan. In de gitaarhoes zat een geweer. Daarna is verdachte met [medeverdachte] teruggegaan, heeft hij het geweer uit de gitaarhoes gehaald en is hij gaan schieten toen hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zag.14

[slachtoffer 1] heeft op 17 oktober 2012 aangifte gedaan van poging tot moord dan wel doodslag die dag jegens hem gepleegd. Hij heeft verklaard dat hij die nacht samen was met [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2]) en zijn neef [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3]). Omstreeks 01:30 uur die nacht kwam hij verdachte tegen op straat. Toen hij naar verdachte toe liep rende deze weg om korte tijd later terug te komen. Verdachte begon gelijk te schieten. [medeverdachte] was bij hem. [slachtoffer 1] is door het tweede schot geraakt.15

[slachtoffer 2] is op 17 oktober 2012 kort na het schietincident als getuige gehoord en op 19 oktober 2012 heeft hij aangifte gedaan van poging tot doodslag gepleegd jegens hem. Hij heeft verklaard dat hij in de nacht van 17 oktober 2012 omstreeks 02:00 uur samen met [slachtoffer 1] en een familielid van [slachtoffer 1] in Middelburg liep, toen op de Saffierplaats verdachte op hen afkwam. Verdachte draaide zich opeens om en liep weg. Ongeveer twee minuten later kwam hij terug met [medeverdachte] en begon op een afstand van ongeveer 20 meter op hem en [slachtoffer 1] te schieten.16

Conclusie

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte in de nacht van 17 oktober 2012 in Middelburg meerdere keren met een geweer op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geschoten waarbij [slachtoffer 1] levensbedreigend gewond is geraakt.

Niet vaststaande feiten en omstandigheden

De rechtbank constateert dat op basis van het dossier niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte die nacht ook op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft geschoten. Zij overweegt daartoe het volgende.

[slachtoffer 3] heeft op 17 oktober 2012 kort na het schietincident aangifte gedaan van poging tot moord dan wel doodslag. Hij heeft verklaard dat hij op 16 oktober 2012 kort voor middernacht met de bus in Middelburg is aangekomen, dat hij vervolgens via de tunnel bij het station een woonwijk is ingelopen en dat er toen een man naar hem riep. Deze man kwam in zijn richting lopen met een wapen. [slachtoffer 3] is weggerend en hoorde achter hem schoten. De politie heeft tevergeefs getracht [slachtoffer 3] nader te horen omdat zijn verklaring op relevante onderdelen punten niet overeenkomt met de verklaringen van de andere aangevers en getuigen. Op 28 januari 2013 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rechter-commissaris om onder andere [slachtoffer 3] als getuige te horen. Uiteindelijk is [slachtoffer 3] op 15 juli 2013 door de rechter-commissaris gehoord. Zoals hiervoor reeds overwogen is deze tweede verklaring op belangrijke punten tegenstrijdig met zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring en heeft de rechtbank zijn verklaringen niet voor het bewijs gebruikt en zij kunnen daardoor ook niet dienen tot vaststelling van het feitencomplex omtrent zijn stelling dat verdachte op hem zou hebben geschoten.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij weliswaar samen was met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], maar dat [slachtoffer 3] een stukje verderop stond toen verdachte begon te schieten. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte op hem en [slachtoffer 1] heeft geschoten en dat verdachte daarna ook op [slachtoffer 3] heeft geschoten, maar hij dat niet heeft gezien.

Verdachte heeft ontkend op [slachtoffer 3] te hebben geschoten en heeft verklaard dat hij [slachtoffer 3] die nacht niet heeft gezien. Hij heeft verklaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het gezelschap waren van een man die hij de ‘[naam 3]’ noemt en die woonachtig is in de [straat 2] of [straat 3] te Vlissingen.

De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat [slachtoffer 3] in de buurt van het schietincident is geweest. Hoewel niet uit te sluiten valt dat verdachte mogelijkerwijs ook op een derde persoon heeft geschoten, kan de rechtbank bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs niet met voldoende zekerheid vast stellen dat deze derde persoon [slachtoffer 3] is geweest. De rechtbank zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging onder 1 primair vrijspreken.

[slachtoffer 4] heeft op 19 oktober 2012, derhalve twee dagen na het schietincident, aangifte gedaan van poging tot moord dan wel doodslag. Hij heeft verklaard dat hij op de Roozenburglaan te Middelburg liep toen hij een hem onbekende jongen zag aankomen rennen met daarachter verdachte en [medeverdachte]. Verdachte had een wapen in zijn handen waarmee hij op de jongen schoot. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte het wapen (een geweer) vervolgens op [slachtoffer 4] heeft gericht. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte tevens op dat moment gericht op [slachtoffer 4] heeft geschoten, nu uit de aangifte blijkt (zie hierna onder feit 3) dat [slachtoffer 4] vrijwel gelijktijdig van verdachte een vuistslag heeft gekregen. Daaruit volgt dat de afstand tussen verdachte en [slachtoffer 4] op dat moment zeer kort was en in ieder aannemelijk te kort om te blijven richten en vervolgens te schieten. De rechtbank acht meer in het bijzonder niet aannemelijk dat de handelingen (het gericht schieten met een geweer en het geven van een vuistslag in het gezicht) gelijktijdig hebben plaatsgevonden, nu [slachtoffer 4] niet door een kogel van verdachte is geraakt De verklaring van [slachtoffer 4] voor zover deze ziet op het gericht schieten, wordt bovendien niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel en verdachte heeft ontkend op [slachtoffer 4] te hebben geschoten. De rechtbank zal verdachte derhalve van feit 2 primair en subsidiair vrijspreken.

Het (voorwaardelijk) opzet
Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot moord en subsidiair poging tot doodslag. Voor opzet is voldoende indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood van de slachtoffers zou kunnen intreden. Daarbij zijn van belang de omstandigheden waaronder de handelingen hebben plaatsgevonden alsmede de aard van het gedrag. Verdachte heeft verklaard dat hij die bewuste nacht [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en de ‘[naam 3]’ is tegengekomen. Doordat de ‘[naam 3]’ volgens verdachte een capuchon over zijn hoofd had, een masker droeg en zijn hand op zijn rug hield, voelde hij zich dusdanig bedreigd dat hij naar de woning van zijn vriendin is gerend om zijn gitaarhoes met daarin zijn geweer te halen. Vervolgens is hij met [medeverdachte] in zijn kielzog terug gelopen in de richting van de plaats waar hij [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en de ‘[naam 3]’ voor het laatst had gezien, heeft hij het geweer uit de hoes gehaald en heeft hij meerdere keren op hen geschoten17. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte opzettelijk op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geschoten. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk dat iemand komt te overlijden, indien er meerdere keren met een geweer op hem wordt geschoten. Gelet op het vorenstaande en op de hiervoor door de rechtbank vastgestelde feiten is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn handelingen tot de dood van de slachtoffers zouden kunnen leiden en heeft hij die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toe genomen. Hiermee staat vast dat verdachte opzet had op de levensberoving van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Voorbedachten rade

Voor voorbedachten rade is volgens vaste jurisprudentie het uitgangspunt dat voor een bewezenverklaring hiervan voldoende is dat komt vast te staan dat verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn (voorgenomen) daad en zich daarvan rekenschap te geven. Voorbedachten rade dient te worden afgeleid uit de uiterlijk waarneembare feiten en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.
De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat geen sprake is van voorbedachten rade nu de handelingen in een paar seconden hebben plaatsgevonden, verdachte intellectueel beperkt is en schakelen in het denken voor hem daardoor moeilijker is dan voor een gemiddeld persoon. Verdachte is daardoor niet in staat geweest tot kalm beraad en rustig overleg, aldus de verdediging.
Verdachte heeft verklaard dat er oplopende spanningen waren als gevolg van het conflict dat hij al vanaf 2010 had met een groep waartoe onder andere [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] behoorden, dat hij had gehoord dat zij het plan hadden hem neer te schieten, dat hij zich daardoor bedreigd voelde en dat hij daarom (geregeld) een kogelwerend vest droeg en dat hij het conflict met behulp van de politie niet kon oplossen. Hij heeft verder verklaard dat ‘de emmer vol was’ toen hij in de nacht van 17 oktober 2012 [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en de ‘[naam 3]’ op straat tegenkwam en hij zich door de gemaskerde man bedreigd voelde omdat hij een arm achter zijn rug hield. Hij is naar huis gerend om een wapen te halen en heeft tegen [medeverdachte] gezegd dat ze gewapend waren. Thuis heeft hij tegen [medeverdachte] gezegd dat hij de gitaarhoes moest pakken, hetgeen [medeverdachte] ook heeft gedaan. In de gitaarhoes zat een geweer. Daarna is hij met [medeverdachte] teruggegaan, heeft hij het geweer uit de gitaarhoes gehaald en is hij direct gaan schieten toen hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zag.18
De rechtbank is, gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en het daaruit volgende tijdsverloop, van oordeel dat verdachte ruim voldoende gelegenheid heeft gehad zich te beraden op het besluit om met een geweer op de slachtoffers te schieten, nu verdachte voorafgaand aan dat schieten meerdere momenten heeft gehad om zich te bezinnen en op zijn besluit terug te komen. In de rapporten die zijn opgemaakt betreffende de persoon van verdachte zijn te weinig aanknopingspunten te vinden om te kunnen concluderen dat de persoon van verdachte aan een bewezenverklaring van kalm beraad en rustig overleg in de weg staat

Medeplegen of alleen gepleegd

Van medeplegen is sprake wanneer twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen. Tevens veronderstelt medeplegen een bewuste en nauwe samenwerking, wat inhoudt dat de verdachten willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van het strafbare feit, in dit geval een poging tot moord. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van medeplegen. Weliswaar heeft [medeverdachte] op verzoek van verdachte in de woning van de vriendin van verdachte de gitaarhoes gepakt en aan verdachte gegeven, maar zowel verdachte alsook [medeverdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte] op dat moment niet wist dat er een geweer in deze hoes zat. [medeverdachte] is achter verdachte aangegaan en zag pas dat verdachte een wapen bij zich had toen hij dit aan het eind van de straat uit de gitaarhoes haalde en gelijk begon te schieten. De eerste schoten verklaart hij tevens niet te hebben gezien, omdat hij op enige afstand achter verdachte liep en verdachte inmiddels een hoek was omgegaan. Uit dit verloop van de feitelijke gebeurtenissen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat er tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] enig vooropgezet plan bestond, gericht op het schieten door verdachte. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat [medeverdachte] wist, begreep of moest begrijpen dat [verdachte] op de aangevers zou gaan schieten. Dat [verdachte] zou overgaan tot die geweldshandeling kon naar het oordeel van de rechtbank door [medeverdachte] niet worden voorzien. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat medeverdachte [medeverdachte] (voorwaardelijk) opzet heeft gehad, gericht op het toebrengen van dodelijk letsel zoals onder 1 eerste en tweede cumulatief ten laste is gelegd, zodat medeplegen van deze feiten niet bewezen kan worden verklaard.

Feit 3

[slachtoffer 4] heeft op 19 oktober 2012 tevens aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Hij heeft verklaard dat verdachte, nadat deze gericht op hem had geschoten, hem een vuistslag in het gezicht gaf waardoor hij twee dagen last van zijn kaak heeft gehad. Verdachte richtte daarna het wapen weer op hem en zei ‘jij wilt ook problemen met [verdachte] toch?’. Verdachte draaide zich vervolgens om en [medeverdachte] zei tegen hem ‘beter ga je nu naar huis’.19

Verdachte heeft verklaard dat hij na het schieten op [slachtoffer 1] [slachtoffer 4] zag. Hij heeft tegen hem gezegd ‘jij brengt die man hier’ en hij heeft hem vervolgens een klap in zijn gezicht gegeven. [medeverdachte] was op dat moment bij hem en had een honkbalknuppel in zijn hand.20

[medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte zich, nadat hij had op de anderen had geschoten, naar [slachtoffer 4] keerde en dat hij hem een klap gaf. [medeverdachte] heeft vervolgens tegen [slachtoffer 4] gezegd dat hij beter naar huis kon gaan, omdat hij, naar hij later ter zitting verklaart, bang was dat er iets zou gebeuren. Op dat moment had [medeverdachte] een honkbalknuppel bij zich.21

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 4] heeft mishandeld door hem in zijn gezicht te stompen. Ook acht zij wettig en overtuigen bewezen dat verdachte het vuurwapen op [slachtoffer 4] heeft gericht en dat [medeverdachte] daar bij stond met een honkbalknuppel in zijn hand. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tegen [slachtoffer 4] heeft gezegd ‘jij wilt ook problemen met [verdachte] toch?’, nu alleen aangever hierover heeft verklaard, er geen steunbewijs is en verdachte dit heeft ontkend. Verder staat vast dat [medeverdachte] tegen [slachtoffer 4] heeft gezegd dat hij beter weg kon gaan, maar de rechtbank is van oordeel dat deze woorden niet te kwalificeren zijn als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling. Zij zal verdachte dan ook van deze zinsneden vrijspreken.

Medeplegen of alleen gepleegd

Van medeplegen is sprake wanneer twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen. Tevens veronderstelt medeplegen een bewuste en nauwe samenwerking, wat inhoudt dat de verdachten willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van het strafbare feit, in dit geval de mishandeling en bedreiging van [slachtoffer 4]. De rechtbank is van oordeel dat daar in deze zaak sprake van is. Dommissie stond met een honkbalknuppel op zeer korte afstand van verdachte en [slachtoffer 4] toen verdachte [slachtoffer 4] een stomp in het gezicht gaf waarbij eerst een vuurwapen op hem was gericht. [medeverdachte] heeft zich aldus niet gedistantieerd van de handelingen van verdachte. Integendeel, hij heeft zich met een wapen in zijn hand bij verdachte gevoegd, terwijl hij kort daarvoor getuige was geweest van het feit dat verdachte extreem gewelddadig was geweest door gericht op meerdere personen te schieten. Gelet op deze zeer gewelddadige setting moet [medeverdachte] hebben kunnen voorzien dat verdachte ook geweld tegen [slachtoffer 4] zou gebruiken en hem zou bedreigen. De zichtbare aanwezigheid van Dommissie, voorzien van een honkbalknuppel, draagt onder de geschetste omstandigheden bij aan het door verdachte uitgeoefende geweld en de bedreiging. Aldus is sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 17 oktober 2012 te Middelburg tezamen en in vereniging met [medeverdachte] [slachtoffer 4] een stomp in zijn gezicht heeft gegeven en hem heeft bedreigd, zoals hierna bewezen verklaard.

Feit 4

De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat geen sprake is van medeplegen, gelet op hetgeen zij hiervoor ten aanzien van feit 1 heeft overwogen alsook:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 25 juli 2013;22

- de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van het wapen en de munitie;23

- het proces-verbaal van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie met betrekking tot het onderzoek aan de aangetroffen wapens en munitie.24

Feit 5

De rechtbank acht feit 5 niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken. Zij overweegt daartoe dat dit imitatiewapen achter een kast is aangetroffen in de schuur waar [medeverdachte] aan brommers sleutelt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat verdachte enige wetenschap had van dit wapen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 17 oktober 2012 te Middelburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade,[slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg, in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die

[slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] is/zijn gerend en/of (vervolgens) met een

(vuur)wapen meermalen, althans eenmaal, in de richting van die [slachtoffer 1]

en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] heeft geschoten en/of daarbij die

[slachtoffer 1] heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 17 oktober 2012 te Middelburg tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te

weten [slachtoffer 4]) in het gezicht heeft geslagen/gestompt, waardoor voornoemde

[slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en

hij op of omstreeks 17 oktober 2012 te Middelburg tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk die [slachtoffer 4] dreigend de

woorden toegevoegd (zakelijk weergegeven):"jij wilt ook problemen met [verdachte]

toch?" en/of daarbij een (vuur)wapen op die [slachtoffer 4] gericht en/of

(vervolgens) de woorden (zakelijk weergegeven):"beter ga je nu naar huis."
en/of heeft verdachte en/of zijn mededader(s) op een voor het slachtoffer
zichtbare en dreigende wijze een honkbalknuppel vastgehouden;

4.

hij op of omstreeks 17 oktober 2012 te Middelburg, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, een of meer (vuur)wapens van

categorie III, te weten een enkelloops (kogel)geweer merk TOZ, type 78-04

.22lr en/of munitie van categorie III, te weten een patroonhouder gevuld met

20 .22 lr kogelpatronen merk CCI (randvuur) en/of 18 .320 kogelpatronen merk

Fiocchi (G.F.L.) (centraal vuur met rand), voorhanden heeft/hebben gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Hij voert daartoe aan dat verdachte op de openbare weg met een geweer heeft geschoten op de slachtoffers, hetgeen voor gevoelens van onveiligheid en angst heeft gezorgd in de woonwijk alsook in de maatschappij. De impact op de plaatselijke samenleving was groot. Verdachte was er op uit om een kennelijk aanwezig conflict te beslechten met vuurwapens en dit dient te worden bestreden. Dat geen van de slachtoffers is gedood dan wel dat er geen omstanders zijn getroffen is niet aan verdachte te danken. Verdachte heeft niet mee willen werken aan een onderzoek naar zijn geestvermogens waardoor niet vast te stellen is of er sprake is van een verminderde toerekeningsvatbaarheid. Hij is eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. Tot slot wijst de officier van justitie op een soortgelijke zaak waarin de rechtbank Middelburg vonnis heeft gewezen (LJN BR5336).

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit, gelet op hetgeen zij te bewijzen acht, de gevangenisstraf te beperken tot vier jaar, waarvan een gedeelte voorwaardelijk. Het Pieter Baan Centrum (verder: PBC) heeft, gelet op de weigering van verdachte mee te werken aan het onderzoek, geen advies kunnen geven met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte of eventuele interventies en/of een behandeling. Verdachte staat open voor begeleiding door de reclassering en De Waag. Hij wil zijn kinderen een stabiel gezin bieden en wil regulier werk vinden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf of maatregel aan verdachte moet worden opgelegd houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Zij heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich in de nachtelijke uren van 17 oktober 2012 op een openbare weg in een woonwijk te Middelburg schuldig gemaakt aan een poging tot moord door met een geweer meerdere malen gericht op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te schieten. [slachtoffer 1] is hierbij levensbedreigend gewond geraakt en het is niet aan de gedragingen van verdachte te danken dat hij, of [slachtoffer 2], niet is overleden. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan. Dergelijke geweldsmisdrijven getuigen van een ernstig gebrek aan respect van verdachte voor de lichamelijke integriteit en gezondheid van de slachtoffers. Verdachte heeft met zijn handelen hierop een grove inbreuk gemaakt. Tevens heeft hij de rechtsorde in zeer ernstige mate geschokt en gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij veroorzaakt. Bij de schietpartij heeft verdachte een vuurwapen en munitie van categorie III voorhanden gehad en gebruikt, hetgeen gevaar heeft opgeleverd en tot onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen heeft geleid.

Daarnaast heeft verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de mishandeling en bedreiging van [slachtoffer 4] door hem in het gezicht te stompen en een vuurwapen op hem te richten, terwijl de mededader daar met een honkbalknuppel in de hand bij stond. Hij heeft daarmee op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

De rechtbank houdt voorts rekening met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld, onder andere voor geweldsmisdrijven. Het feit dat verdachte nog in een proeftijd liep heeft hem er niet van weerhouden zich thans opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.

Met betrekking tot de persoonlijkheid van verdachte zijn in het verleden rapporten opgemaakt waaruit naar voren komt dat verdachte op een laag intellectueel niveau functioneert, dat hij lijdende is aan een cannabisafhankelijkheid en aan een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven, met paranoïde, schizotypische en antisociale trekken. In onderhavige zaak is opdracht gegeven tot een psychologisch en psychiatrisch onderzoek van verdachte. Verdachte heeft echter geweigerd zijn medewerking te verlenen aan deze onderzoeken, waardoor de deskundigen geen diagnose en/of inhoudelijk advies hebben kunnen geven. De deskundigen hebben geadviseerd om verdachte klinisch te laten observeren in het PBC.

Verdachte is vervolgens op bevel van de rechtbank opgenomen in het PBC en heeft wederom geweigerd zijn medewerking aan een onderzoek te verlenen. Ondanks deze weigering om volledig mee te werken met het onderzoek zijn de onderzoekers van het PBC op basis van observaties, milieuonderzoek, collaterale informatie en de korte onderzoeksgesprekken in het rapport van 12 juni 2013 tot de conclusie gekomen dat er bij verdachte sprake is van een intellectuele beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is er sprake van misbruik van cannabis. Vanuit de intellectuele beperkingen vloeit voort dat verdachte snel het overzicht verliest en dan achterdochtig of gewelddadig kan reageren. Hij overvraagt zichzelf door onder meer een criminele leefstijl, die voortvloeit uit de stoornissen, en lijkt de gevolgen van zijn gedrag niet te overzien. Bovengenoemde stoornissen betreffen langer durende stoornissen waren aanwezig ten tijde van de feiten. De onderzoekers van het PBC kunnen geen advies geven over de al dan niet verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, nu door de weigering van verdachte om mee te werken aan het onderzoek op geen enkele wijze is komen vast te staan op welke manier hij tot de ten laste gelegde feiten is gekomen. Zij kunnen evenmin een advies geven aangaande interventies en behandeling van de stoornisgerelateerde factoren die met recidive samen hangen. Vanuit het oogpunt van zorg op basis van de risicofactoren hechten de onderzoekers er aan op te merken dat een op genezing gerichte behandeling niet reëel is, aangezien de stoornissen van verdachte niet behandelbaar zijn. Een vorm van risicomanagement lijkt het hoogst haalbare, waar bij gedacht kan worden aan het vinden van een passende opleiding en werk, passende huisvesting, financiële hulpverlening en toezicht.

De onderzoekers van het PBC hebben desgevraagd op 27 juni 2013 laten weten dat zij bij het schrijven van hun rapport nog geen kennis hadden genomen van de inhoud van de door verdachte op 15 maart 2013 ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring, maar dat deze verklaring de conclusies van de onderzoekers niet verandert en dat er geen reden is nader te rapporteren.

Nu verdachte elke medewerking aan de onderzoeken heeft geweigerd hebben de deskundigen niet kunnen concluderen of en zo ja, in welke mate verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank kan hier dan ook geen rekening mee houden bij het bepalen van de strafmaat. Anderzijds is op basis van het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat er door de slachtoffers gedurende een langere periode voor het onderhavige incident bedreigingen zijn geuit in de richting van verdachte en diens familie. De indruk is dat sprake was van een al veel langer bestaand conflict met steeds verder oplopende spanningen tussen verdachte en [medeverdachte] enerzijds en de groep waartoe [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] behoren. Gelet op de persoon van verdachte, zoals hiervoor beschreven, is aannemelijk dat dit er aan zal hebben bijgedragen dat verdachte tot onderhavig incident is gekomen. De rechtbank zal daarmee in het voordeel van verdachte rekening houden.

Bij de bepaling van een passende strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de geldende (straf)richtlijnen en de straffen die doorgaans in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is oplegging van een langdurige gevangenisstraf voor deze feiten passend en geboden. De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van vier maal poging tot moord. Nu de rechtbank bewezen acht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan twee maal poging tot moord, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek van de tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in overeenstemming is met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte. Zij ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 12.279,60, waarvan € 7.279,74 ter zake van materiële schade en € 5.000,00 ter zake van immateriële schade voor feit 1.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 2.500,00 ter zake van immateriële schade voor feit 1.

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van € 5.000,00 ter zake van immateriële schade voor de feiten 2 en 3.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat behandeling van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en vordert dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. Hij voert daartoe aan dat een deel van de schade ook voor rekening van medeverdachte [medeverdachte] dient te komen. Verdachte en [medeverdachte] hebben echter geen gelijke rollen in het gebeurde vervuld en geen evenredige bijdrage aan het ontstaan van de schade geleverd. Daardoor is niet eenvoudig vast te stellen welk deel van de schade aan welke verdachte is toe te rekenen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet eenvoudig van aard zijn, gelet op de voorgeschiedenis en het feit dat sprake is van enige eigen schuld. De verdediging verzoekt de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair betoogt zij dat aan [slachtoffer 2] een voorschot van € 800,00 kan worden toegekend en dat de vordering van [slachtoffer 1] ter zake de immateriële schade dient te worden beperkt. De vordering van [slachtoffer 1] ter zake de materiële schade dient te worden afgewezen nu iedereen die in Nederland woont of werkt verplicht is een basisverzekering, die de standaard ziektekosten dekt, af te sluiten.

Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 4] bepleit zij afwijzing dan wel niet-ontvankelijkverklaring van een groot deel van de vordering gelet op de door haar betoogde vrijspraak ten aanzien van feit 2 en 3 tweede cumulatief. Voor de onder 3 eerste cumulatief ten laste gelegde mishandeling is een bedrag van € 150,00 billijk.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Zoals hiervoor is overwogen, is sprake geweest van een al veel langer bestaand conflict met steeds verder oplopende spanningen tussen verdachte en [medeverdachte] enerzijds en de groep waartoe [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] behoren. Hierdoor is sprake van een zekere mate van eigen schuld van de benadeelde partijen maar dit percentage is niet eenvoudig vast te stellen. Voor de vaststelling van een schadebedrag is meer onderzoek vereist dan in het kader van het strafgeding mogelijk is. De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zullen om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. Zij kunnen hun vorderingen alsnog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend voor de door hem gestelde geleden immateriële schade als gevolg van feit 2 en 3. Verdachte is vrijgesproken van feit 2, het feit waaruit het overgrote deel van de gevorderde schade naar het oordeel van de rechtbank zou zijn ontstaan. Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit, te weten een stomp in het gezicht en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Ten aanzien van de hoogte van die schade kan op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld dat die tenminste € 150,00 bedraagt, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [slachtoffer 4] zal in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van zijn vordering kan hij alsnog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu verdachte de onder 3 bewezen verklaarde strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor iedere hoofdelijk aansprakelijk.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 24c, 27, 36f, 45, 47, 57, 285, 289 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 tweede cumulatief, 2 primair, 2 subsidiair en 5 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1 eerste cumulatief, 3 eerste en tweede cumulatief en 4 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Poging tot moord, meermalen gepleegd;

feit 3 eerste cumulatief en tweede cumulatief: Medeplegen van mishandeling en medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 4: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III, meermalen gepleegd;


verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat die vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partijen voornoemd in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4], te dezer zake als postadres kiezende: postbus 275, 4330 AG Middelburg, ten kantore van mr. R. Wouters, van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer 4] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 4] (feit 3) € 150,00 (honderdvijftig euro) te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. A.M.P Geelhoed en mr. J.B. Smits, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P.M. Philipsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 augustus 2013.

Mr. Geelhoed en mr. Smits hebben dit vonnis niet kunnen ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal van 28 november 2012 daaronder begrepen het aanvullend dossier van 21 januari 2013 met registratienummer PL193C 2012079663 van de regio politie Zeeland, beiden opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 196 respectievelijk 197 tot en met 224.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 105 van voornoemd eindproces-verbaal.

3 De letselbeschrijving betreffende verdachte van 25 oktober 2012, opgemaakt door Ggd-arts E.M. Bakker, forensisch geneeskundige, pagina 97 en 98 van voornoemd eindproces-verbaal.

4 De letselbeschrijving betreffende verdachte van 15 januari 2013, opgemaakt door Ggd-arts E.M. Bakker, forensisch geneeskundige, pagina 223 en 224 van voornoemd eindproces-verbaal.

5 Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 114 ‘onderzoekslocatie’ en ‘onderzoek plaats delict’ van voornoemd eindproces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 50 en het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 115 ‘onderzoek woning [adres 1] te Middelburg’ van voornoemd eindproces-verbaal.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 47 van voornoemd eindproces-verbaal.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 65 van voornoemd eindproces-verbaal.

9 Het proces-verbaal van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie ter zake het onderzoek voorwerpen met betrekking tot Wet wapens en munitie, pagina 209 tot en met 214 van voornoemd eindproces-verbaal.

10 De processen-verbaal verhoor van verdachte en [medeverdachte] door de rechter-commissaris op 15 maart 2013. De processen-verbaal verhoor van , [naam 1] en[naam 2] door de rechter-commissaris op 13 en 14 juni 2013.

11 De processen-verbaal verhoor van verdachte en [medeverdachte] door de rechter-commissaris op 15 respectievelijk 28 maart 2013.

12 De processen-verbaal verhoor van verdachte en [medeverdachte] door de rechter-commissaris op 15 respectievelijk 28 maart 2013.

13 Het proces-verbaal verhoor van verdachte door de rechter-commissaris op 15 maart 2013 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 juli 2013.

14 Het proces-verbaal verhoor van verdachte door de rechter-commissaris op 15 maart 2013 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 juli 2013.

15 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], pagina 86 en 87 van voornoemd eindproces-verbaal.

16 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2] van 17 oktober 2012 en het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], pagina 79 en 80 respectievelijk 83 van voornoemd eindproces-verbaal.

17 Het proces-verbaal verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris op 15 maart 2013.

18 Het proces-verbaal verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris op 15 maart 2013.

19 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4], pagina 102 van voornoemd eindproces-verbaal.

20 Het proces-verbaal verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris op 15 maart 2013.

21 Het proces-verbaal verhoor van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris op 28 maart 2013.

22 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 juli 2013.

23 Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 114 ‘onderzoekslocatie’ en ‘onderzoek plaats delict’ van voornoemd eindproces-verbaal. De processen-verbaal van bevindingen, pagina 47 respectievelijk 50 en 51 van voornoemd eindproces-verbaal.

24 Het proces-verbaal van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie ter zake het onderzoek voorwerpen met betrekking tot Wet wapens en munitie, pagina 209 tot en met 214 van voornoemd eindproces-verbaal.