Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:5858

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-08-2013
Datum publicatie
09-08-2013
Zaaknummer
801163-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:2625, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Grenslijkzaak (TGO Kluis). De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 11 jaren met aftrek van voorarrest wegens het plegen van doodslag op zijn vrouw door opzettelijk uitwendig geweld uit te oefenen op haar lichaam, het verbergen van het lijk en het in bezit hebben van 1 kinderpornografische afbeelding. Uitgebreide motivering met betrekking tot de vaststelling van de deskundigheid van de gehoorde personen op zitting alsmede een uitgebreide strafmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/801163-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 augustus 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats],

wonende te [adres 1], [woonplaats 1] (België),

raadsman mr. Kuijpers, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 juni 2011, 10 juni 2011, 14 juni 2011, 27 juni 2011, 27 september 2011, 28 september 2011, 3 juli 2013 en 4 juli 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Van Delft, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 26 juli 2013 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is ter zitting van 30 augustus 2012 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 13 april 2007 zijn vrouw [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd dan wel dat hij al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht als gevolg waarvan zij is overleden dan wel dat hij al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld waardoor zij is overleden dan wel dat hij [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft gelaten door niet tijdig adequate medische hulp in te roepen nadat [slachtoffer] ernstig letsel had opgelopen;

feit 2: in de periode van 13 april 2007 tot en met 18 februari 2008 het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen;

feit 3: in de periode van 1 december 2007 tot en met 27 februari 2008 samen met een ander of anderen kinderporno in zijn bezit heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] en het vervolgens verbergen van haar lichaam (feit 1 primair en feit 2). Hij baseert zich daarbij op het volgende.

Uit het telecomonderzoek naar de telefoons van verdachte en [slachtoffer], diverse getuigen-verklaringen en de verklaring van verdachte zelf volgt dat verdachte en [slachtoffer] op 13 april 2007 samen in de echtelijke woning aan de [adres 2] te Baarle Nassau/-Hertog aanwezig waren en een heftige ruzie hebben gehad. Verdachte heeft diezelfde avond rond

middennacht in een sms aan [getuige 1] laten weten dat hij ‘nu toch een def. oplossing moet zoeken’. Na 13 april 2007 ontbreekt ieder spoor van [slachtoffer] en is zij als het ware opgehouden te bestaan.

Op 18 februari 2008 is de echtelijke woning doorzocht, waarbij in een kamer die aan de woonkamer grenst een witte kist met daarop geplakt kindertekeningen werd aangetroffen. In deze kist bevond zich een kliko met daarin een stoffelijk overschot van een mens. Uit tandheelkundig onderzoek is gebleken dat dit stoffelijk overschot [slachtoffer] betreft.

Verdachte heeft verklaard dat hij voornoemde kist heeft gemaakt. Dit wordt later ook bevestigd door DNA-onderzoek. Na uitgebreid onderzoek dat door de Unit FTO en later door TNO aan de kist is verricht, moet worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat degene die de kist heeft gemaakt ook degene is die de kliko met daarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in de kist heeft geplaatst. De deskundigen van TNO zijn ter zitting kritisch ondervraagd maar zijn bij hun bevindingen gebleven.

Met betrekking tot doodsoorzaak volgt uit de rapporten van de pathologen en de verklarin-gen die zij ter zitting hebben afgelegd, dat de op het rechterbovenbeen van [slachtoffer] aangetroffen klieving, indien bij leven aangebracht, tot de dood kan hebben geleid en dat daarom verbloeding tot de mogelijkheden behoort. Verder kan verwurging als doodsoorzaak niet worden uitgesloten. Een natuurlijk overlijden wordt door de deskundigen weliswaar niet uitgesloten, maar lijkt gelet op de wijze waarop het stoffelijk overschot is aangetroffen en de gedragingen van verdachte slechts een theoretische mogelijkheid, aldus de officier van justitie.

Voorts kan uit diverse getuigenverklaringen en meldingen bij de politie worden geconcludeerd dat verdachte [slachtoffer] voorafgaand aan 13 april 2007 ook al naar het leven heeft gestaan. Dit gegeven draagt bij aan de overtuiging dat verdachte [slachtoffer] op 13 april 2007 om het leven heeft gebracht. Datzelfde geldt voor het feit dat verdachte na het overlijden van [slachtoffer] tegen diverse personen verschillende mededelingen heeft gedaan over haar verblijfplaats en over contacten die hij na 13 april 2007 nog met haar gehad zou hebben. Later is gebleken dat deze mededelingen volstrekt onjuist waren en kennelijk waren bedoeld om vrienden, kennissen en familie op een dwaalspoor te zetten om het eigen strafbare handelen te verhullen.

De officier van justitie komt tot de eindconclusie dat verdachte [slachtoffer] door verwurging en/of door het toebrengen van de verwonding aan het bovenbeen om het leven heeft gebracht waarna hij haar in een kliko en vervolgens in een door hem vervaardigde kist heeft verborgen.

Ook feit 3 kan volgens de officier van justitie bewezen worden verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij de gewraakte afbeeldingen op zijn laptop heeft gezet. Na onderzoek door de politie aan deze laptop is komen vast te staan dat de afbeeldingen in kwestie voldoen aan de criteria voor kinderporno zoals bedoeld in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht. Aangezien [getuige 2] heeft toegegeven dat zij een deel van de foto’s heeft gemaakt, kan ook het medeplegen van het in bezit hebben van kinderporno worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van feiten 1 en 2 niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat uit de rapportages van de pathologen en hun verkla-ringen ter zitting niet blijkt wat de doodsoorzaak van [slachtoffer] is. De pathologen dr. Kubat, dr. Jacobs en dr. Van der Goot hebben aangegeven dat het mogelijk is dat [slachtoffer] een natuurlijke dood is gestorven. De pathologen dr. Shorrock en dr. Spendlove hebben aangegeven dat dit niet het geval is, maar zij hebben dit gemotiveerd met ongefundeerde argumenten, terwijl zij onvoldoende kennis hebben op het gebied van de klinische pathologie. Zij kunnen daarom niet als deskundige aangemerkt worden.

Met betrekking tot de kist waarin de kliko met daarin het lichaam van die [slachtoffer] is aangetroffen, stelt de verdediging zich op het standpunt dat het technisch mogelijk is dat een ander dan verdachte de rechterzijwand van de kist heeft verwijderd zonder daarbij schade aan de rest van de kist en de kliko te berokkenen, de kliko vervolgens in de kist heeft geplaatst, de binnenzijde van de kist heeft dichtgemaakt met purschuim en ten slotte de rechterzijwand van de kist weer terug heeft geplaatst. Het laatste rapport van TNO verandert niets aan deze mogelijkheid. Daarnaast is de verdediging van mening dat ir. Oudenhuijzen en de heer De Jong, onderzoekers van TNO, niet als deskundigen kunnen worden aangemerkt, omdat zij niet eerder opgetreden of geschoold zijn als forensisch deskundige. Zij hebben daardoor onvoldoende kennis ter zake het inrichten van een deskundigenrapport in strafzaken, zodat niet is voldaan aan de vereisten zoals gesteld in artikel 343 van het Wetboek van Strafvordering. De onderzoeksresultaten zijn dan ook nutteloos en kunnen geen bijdrage leveren aan het bewijs.

Ten aanzien van het DNA-onderzoek is de verdediging van mening dat de heer Eikelenboom, die het onderzoek heeft uitgevoerd, zich net als zijn collega’s schuldig heeft gemaakt aan tunnelvisie. Hij heeft te veel gezocht naar steun voor het scenario dat verdachte betrokken is geweest bij het verbergen van de kliko in de kist. De verdediging stelt voorts dat het aangetroffen DNA-materiaal van verdachte kan zijn, omdat hij de kist in elkaar heeft gezet en in het huis leefde. De verdediging concludeert dat het DNA-onderzoek op geen enkele manier kan bijdragen aan een ondersteuning van het scenario dat verdachte de kliko met daarin het lichaam van [slachtoffer] in de kist heeft gezet en verantwoordelijk is voor het aanbrengen van het purschuim in de ombouw van de vuilcontainer.

Met betrekking tot feit 3 dient verdachte eveneens te worden vrijgesproken omdat de beelden niet meer dan vakantiefoto’s zijn. Het zijn foto’s van zijn dochtertje die zich als een vrouw verkleedt, zoals een klein meisje dat doet. Daarnaast voldoen de foto’s niet aan de criteria om als kinderpornografisch aangemerkt te worden. Ten slotte had verdachte geen kwaad opzet op het in bezit hebben van de foto’s. Hij kwam terug uit Amerika, een land waar ze bijzonder streng zijn waar het kinderporno betreft en hij wist dat hij langs de douane moest waar zijn laptop mogelijk onderzocht zou worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Voordat de rechtbank haar oordeel geeft over het tenlastegelegde, zal zij eerst definitief oordelen over de deskundigheid van de rapporteurs wiens rapporten en verklaringen ter zitting de rechtbank zal gebruiken bij haar overwegingen met betrekking tot het bewijs en van wie de deskundigheid door de verdediging is betwist.

De verdediging heeft zich in dat kader op het standpunt gesteld dat, kort gezegd, dr. Shorrock en dr. Spendlove, werkzaam voor IFS, niet hebben verklaard conform artikel 343 van het Wetboek van Strafvordering en evenmin voldoen aan de eisen die in artikel 51i, lid 4 van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 12, lid 2 van het Besluit register deskundige in strafzaken staan vermeld. Met betrekking tot ir. Oudenhuijzen en de heer De Jong is de verdediging van mening dat zij niet voldoen aan de in artikel 343 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen.

De rechtbank heeft bij elk van voornoemde rapporteurs getoetst of hij de vereiste deskundigheid bezit en volgens welke methode hij te werk is gegaan, waarom de betrokkene die methode betrouwbaar acht en in hoeverre hij in staat is die methode vakkundig toe te passen. De rechtbank heeft voornoemde rapporteurs ter zitting uitgebreid gehoord en tijdens dit verhoor hebben zowel de verdediging als de officier van justitie voldoende ruimte gekregen om de rapporteurs te ondervragen. De rechtbank is, gelet op de antwoorden die door de rapporteurs zijn gegeven, van oordeel dat zij voldoen aan de kwalificaties waarover een getuige-deskundige dient te beschikken. Daarom zal zij de rapporteurs aanmerken als getuige-deskundigen en hun bevindingen als zodanig betrekken bij haar oordeel. Het verweer wordt dan ook verworpen.

De rechtbank overweegt in het bijzonder ten aanzien van de deskundigheid van

dr. Spendlove als volgt. De rechtbank heeft de deskundigheid van dr. Spendlove in volle onafhankelijkheid beoordeeld en zij is daarbij bijvoorbeeld niet gebonden aan een uitgebracht advies van het College van Procureurs Generaal met betrekking tot deze deskundige. Dr. Spendlove is in Nederland opgeleid als basisarts. Daarna heeft hij zich in het buitenland gespecialiseerd op het gebied van de “Rechtsmedizin”. Hij mag zichzelf daarom forensisch patholoog noemen (een in Nederland niet bestaand specialisme). In het buitenland heeft hij een groot aantal lijkschouwingen verricht, met name ook in strafzaken. Het rapport dat hij in de onderhavige zaak heeft uitgebracht geeft een heldere weergave van zijn bevindingen. Ook zijn presentatie ter terechtzitting getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een gedegen kennis van de materie. Het vorenstaande betekent dat voor de rechtbank het werk van dr. Spendlove op gelijk niveau staat als dat van zijn collega’s en dus ook volwaardig bij de beoordeling van deze zaak zal worden betrokken, zoals reeds hiervoor is overwogen.

Feiten 1 en 2

De familie van [slachtoffer] heeft bij de politie in Wit-Rusland gemeld dat zij vanaf 13 april 2007 geen contact meer kregen met [slachtoffer]. Naar aanleiding van deze melding heeft Interpol Wit Rusland aan Interpol in België een bericht verzonden over de vermissing en dit heeft uiteindelijk in België geleid tot een strafrechtelijk onderzoek naar de vermissing van [slachtoffer]. Op 11 januari 2008 werd een vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek ingediend door de procureur des konings tegen verdachte, die vervolgens de onderzoeksrechter heeft verzocht om een doorzoeking in de woning van verdachte aan [adres 2] te verrichten1. Op 15 januari 2008 heeft de Belgische onderzoeksrechter een rechtshulpverzoek naar Nederland verzonden met het verzoek een doorzoeking te verrichten in het Nederlandse gedeelte van de woning aan [adres 2] te Baarle-Nassau/-Hertog2. Aan dit verzoek werd op 18 februari 2008 door de rechter-commissaris uitvoering gegeven. Op die dag hebben Belgische en Nederlandse opsporingsambtenaren de woning doorzocht, waarbij de Belgische opsporingsambtenaren het Belgische deel en de Nederlandse opsporingsambtenaren het Nederlandse deel voor hun rekening namen. Bij de doorzoeking werd in een kamer die aan de woonkamer grenst een witte kist aangetroffen met daarop geplakt kindertekeningen. Deze kist stond in het Nederlandse gedeelte van de woning3. Door de lijkenhond werd bij de kist een lijkengeur waargenomen. De kist werd vervolgens met behulp van een mobiel röntgenscanapparaat doorgelicht waarbij een bot van vermoedelijk een mens werd waargenomen. De kist is geopend en in de kist werd een kliko aangetroffen die behoorde bij het adres [adres 2]. Op de kliko zat een dikke laag purschuim tot aan de onderkant van het deksel van de kist. In de kliko zelf werd een stoffelijk overschot van een mens aangetroffen. Het lichaam was naakt en zat verpakt in een slaapzak. Daaromheen was de hoes van een bruidsjurk aangebracht. Verder lagen er papiersnippers in de kliko. De rest van de binnenkant van de kliko was gevuld met purschuim. Het deksel van de kliko was afgekit met witte kit4. Het stoffelijk overschot is na gebitsvergelijkend onderzoek geïdentificeerd als zijnde [slachtoffer]5.

Verdachte heeft ontkend verantwoordelijk te zijn voor de dood van [slachtoffer] of het (daarna) verbergen van haar stoffelijk overschot. De rechtbank zal de beantwoording van de vraag of de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, opsplitsen in een drietal deelvragen en deze achtereenvolgens behandelen en beantwoorden.

I. Is verdachte degene geweest die het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een kliko in voornoemde kist heeft geplaatst?

Verdachte heeft verklaard6 dat hij de kist in januari of februari 2007 – dus voor de verdwijning van [slachtoffer] – samen met [getuige 3] – heeft gemaakt.

[getuige 4] heeft78 een week in de woning van verdachte verbleven. Zij verliet op zondag 3 juni 2007 de woning van verdachte. Hieruit leidt de rechtbank af dat [getuige 4] van 27 mei 2007 tot en met 3 juni 2007 in de woning van verdachte heeft verbleven. Tevens verklaart [getuige 4] dat de witte kast die op de aan haar getoonde foto staat helemaal anders staat, dat de tekeningen er toen niet waren en dat de kleur toen anders was. In de periode dat [getuige 4] er was, stond op de plaats van de witte kast een ladekast.

[getuige 5] is op 6 juni 2007 samen met [getuige 6] bij verdachte gaan werken9. Op het moment dat [getuige 5] de schets van de speelkamer van [naam dochter] wordt getoond, verklaart zij dat [naam dochter] op de witte kast haar tekeningen plakte. Verder verklaart zij dat het in de hoek van de speelkamer stonk. [getuige 6] heeft verklaard10 dat verdachte haar het huis liet zien, waarbij haar de kist opviel omdat de kist niet bij het huis paste. Toen [getuige 6] dat aan verdachte vroeg, zei hij letterlijk: ‘Die heb ik voor [naam dochter] gemaakt toen [slachtoffer] vertrokken is’. [getuige 6] rook dat de kist splinternieuw was en verder rook zij een sterke verflucht. Verdachte heeft er naar eigen zeggen anderhalve dag over gedaan om de kist te maken11. [getuige 7] heeft ten slotte verklaard12 dat verdachte, in de tijd vanaf dat hij had gezegd dat [slachtoffer] weg was tot het moment dat [getuige 5] werd aangesteld, druk bezig was met spuitbussen en met geklop en getimmer in het woongedeelte van het pand.

De rechtbank leidt op grond van bovenstaande verklaringen af dat de kist in de periode van 3 juni 2007 tot en met 5 juni 2007 is gebouwd. De verklaring van verdachte dat hij de kist heeft gemaakt in januari of februari 2007 is derhalve kennelijk leugenachtig en bedoeld om de waarheid te bemantelen.

Over de bouw van de kist heeft verdachte een aantal verklaringen afgelegd. Tijdens zijn verhoor op 11 maart 200813 verklaart hij dat hij de kist heeft voorzien van hoeklatten en dat de rafelende kantjes door die hoeklatten werden afgedekt. De hoeklatten op de bovenkant van de kist, de horizontale delen waren in verstek gezaagd en de verticale hoeklatten zaten er koud tegenaan. De hoeklatten waren de grootste die er waren, want de schroeven moesten bedekt worden. Volgens verdachte was de maat 4 bij 4. De hoeklatten zijn in Baarle-Nassau gehaald. Verdachte heeft de hoeklatten gelijmd in plaats van gespijkerd, omdat de latten anders kapot gaan. Bij het verhoor van verdachte op 4 maart 201114 verklaart hij dat hij de hoeklatten met kit van het merk Fix it All heeft vastgelijmd.

De Unit FTO heeft ook over de bouw van de kist gerapporteerd. Uit dit rapport15 komt naar voren dat de randen van de kist met hoeklatten afgewerkt waren en dat deze hoeklatten met transparante kit en/of lijm op de kist waren bevestigd. De hoeklatten die aan de bovenzijde waren aangebracht, waren in verstek gezaagd. Tevens bleek dat de kier tussen de plaat van de bovenzijde en de muur met purschuim was dichtgemaakt. Bij het aanbrengen van het purschuim kwamen minimaal 3 spatjes op de muur terecht. Daarna werd op de kier een balkje gelegd dat aan de zijde van de muur en aan de zijde van de bovenplaat voorzien was van transparante kit. Het balkje werd met de kit aan de kist en de muur bevestigd. Bij het verwijderen van het balkje was een deel van het pleisterwerk en verf van de muur aan het balkje blijven zitten. Op de muur was ongeveer in het midden van het balkje de verf en het daaronder zittende pleisterwerk blijven zitten. Daar waren drie spatjes purschuim zichtbaar op de verf van de muur. Tussen de kopse kant van het balkje en de muur werd eveneens purschuim aangetroffen. Over deze lat verklaart16 verdachte dat hij de ruimte die over bleef toen met kit opgevuld heeft en dat daarop nog een lat is gelegd. Verdachte verklaart17 met betrekking tot het deksel dat op de kist zit, dat deze deksel dicht was.

De rechtbank overweegt dat uit de verhoren van 4 maart 2008 en 11 maart 2008 volgt dat verdachte de kist heeft gemaakt en van hoeklatten heeft voorzien, dat hij deze hoeklatten erop heeft gelijmd en dat hij dit gedaan heeft met lijm van het merk Fix it All. Hierbij betrekt de rechtbank de verklaring van verdachte ter zitting18 dat hij bij zijn verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd, blijft. De verklaring van verdachte, overigens pas ter zitting afgelegd, dat hij gebruik heeft gemaakt van een dubbelzijdig plakkende lat acht de rechtbank gelet op de gebezigde bewijsmiddelen ongeloofwaardig.

De kist die tijdens de doorzoeking werd aangetroffen, is nader technisch onderzocht, zowel door de Unit FTO van de politie als door TNO. Uit het rapport van Unit FTO blijkt dat de kist zoals aangetroffen niet meer geopend kon worden zonder zichtbare schade aan te richten19. TNO heeft twee maal een nader onderzoek naar de kist gedaan. In hun tweede rapportage20 komen de onderzoekers tot de navolgende bevindingen:

  1. om zeker te stellen of er altijd beschadigingen optreden aan de rechter zijplaat en de afwerklatten, is de kist nagebouwd. Met inachtneming van de droogtijd en uithardtijd van de gebruikte materialen is geprobeerd om de afwerklatten te demonteren zonder de MDF plaat en de afwerklatten te beschadigen. Dat is niet gelukt;

  2. bij onderzoek van de rechter zijplaat zijn geen beschadigingen op de MDF plaat en de verflaag aangetroffen anders dan die zijn ontstaan bij het demonteren van de kist door de Unit FTO. Bovendien kwamen de beschadigingen aan de MDF plaat en de afwerklatten uit het laboratorium en de plaats delict overeen;

  3. de rechter zijplaat was onder meer met schroeven gemonteerd op het houten frame van de kist. Er zijn geen dubbele schroefgaten gevonden in het houten frame van de kist, die wel zouden zijn gevonden wanneer de rechter zijplaat vervangen zou zijn door een soortgelijke, niet beschadigde, MDF plaat. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de schroeven op exact dezelfde positie kunnen worden geplaatst op een nieuwe MDF plaat, zelfs wanneer de oude plaat als mal gebruikt zou worden;

  4. de kist was aan de buitenzijde volledig afgewerkt met witte verf. De verflaag bestond uit één laag en niet uit twee afzonderlijke lagen. Dit impliceert dat de verflaag in één keer is aangebracht of dat de tweede verflaag binnen 24 uren na het aanbrengen van de eerste laag is aangebracht, terwijl de eerste laag nog niet uitgehard was;

  5. het is niet aannemelijk dat er tijdens het bouwen van de kist en het herplaatsen van de rechter zijplaat vier materialen door verschillende personen zijn gebruikt, die overeenkomen;

  6. uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat het niet mogelijk is om de laag purschuim aan te brengen met een dikte die overeenkomt met de dikte uit de plaats delict, waarbij het deksel van de kist gemonteerd was.

Ter zitting heeft ir. Oudenhuijzen verklaard21 dat het scenario ‘de kist was geconstrueerd, de vuilcontainer was ingebracht en vervolgens was de kist kort daarna afgesloten en afgewerkt’, het meest waarschijnlijke scenario is.

De rechtbank neemt voornoemde bevindingen over.

De rechtbank is, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte verantwoordelijk is voor de bouw van de kist zoals deze op 18 februari 2008 door de politie is aangetroffen en daarmee voor het plaatsen in de kist van de kliko met daarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer]. Het door verdachte geschetste alternatieve scenario, te weten dat [getuige 3] de zijkant van de kist heeft verwijderd en de kliko met het stoffelijk overschot erin heeft geplaatst, acht de rechtbank niet aannemelijk. Niet alleen wordt dit scenario door voornoemde rapporten van de Unit FTO en TNO min of meer uitgesloten omdat het simpelweg technisch niet mogelijk is, maar ook bevinden zich geen stukken in het dossier die dit scenario ondersteu-nen. Voorts is uit het onderzoek gebleken dat het DNA van [getuige 3] niet in of rond de kist is aangetroffen en heeft [getuige 3] verklaard dat hij deze kist niet met verdachte samen heeft gebouwd.

II. en III. Is [slachtoffer] door misdrijf om het leven gekomen en is verdachte hiervoor verantwoordelijk?

Medische stukken

Door een aantal deskundigen, te weten dr. Spendlove en dr. Shorrock namens IFS en dr. Kubat en dr. Van der Goot namens het NFI, zijn onderzoeken uitgevoerd naar de doodsoorzaak van [slachtoffer]. Zij hebben hun bevindingen in rapporten vastgelegd en zijn eveneens ter zitting gehoord als deskundige.

De rechtbank stelt aan de hand van de rapporten en de verklaringen ter zitting vast dat de bevindingen en de conclusies op belangrijke onderdelen uiteenlopen. Dr. Shorrock en dr. Spendlove zijn van mening dat het overlijden van [slachtoffer] onrechtmatig respectievelijk niet-natuurlijk is geweest waarbij de meest waarschijnlijke doodsoorzaak een snijverwon-ding is het rechter dijbeen is. Dr. Kubat verklaart dat zij geen doodsoorzaak heeft kunnen vaststellen en derhalve niet kan aangeven of [slachtoffer] op natuurlijke of onnatuurlijke wijze is overleden. De verwonding op het rechterbovenbeen is zeer waarschijnlijk postmortaal ontstaan. Dr. Van der Goot concludeert dat geen anatomische of toxicologische doodsoor-zaak aanwijsbaar is. Het letsel aan het rechterbeen is niet eenduidig te interpreteren, maar zou – indien bij leven toegebracht – het overlijden kunnen verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van enkel voornoemde rapporten de vraag of [slachtoffer] door misdrijf om het leven is gekomen, niet valt te beantwoorden. De rechtbank stelt echter wel vast dat alle deskundigen de mogelijkheid van een niet natuurlijk overlijden niet uitsluiten. Dr. Shorrock22 verklaart hierover nader dat het voor jonge- en anderszins gezonde volwassenen ongewoon is om zonder voorafgaande symptomen aan een natuurlijke oorzaak te overlijden. Indien een natuurlijke doodsoorzaak wordt overwogen, dient het medische dossier van [slachtoffer] te worden bekeken, aldus Shorrock. Tijdens het onderzoek door de politie zijn de medische stukken van [slachtoffer] in België opgevraagd en ontvangen23. Dr. Kubat, dr. Van der Goot en dr. Spendlove hebben deze medische voorgeschiedenis ingezien. Dr. Kubat24 verklaart hierover dat er, hoewel ze het niet kan uitsluiten, geen aanleiding bestaat om te concluderen dat er sprake is geweest van een ziekelijke afwijking. Van der Goot25 concludeert dat de bloedwaarden die hij heeft ingezien, niet duiden op iets acuuts. Dr. Spendlove26 verklaart dat uit de medische stukken niet geconcludeerd kan worden dat [slachtoffer] een hartinfarct heeft gehad.

Verdachte heeft in dit kader verklaard27 dat [slachtoffer] niet aan een ziekelijke afwijking leed. Wel had zij kort voor april 2007 een ongeval gehad waaraan zij geen klachten had

overgehouden.

Wijze van aantreffen van het stoffelijk overschot

Zoals hiervoor reeds overwogen,28 is het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen in een kliko in een houten omkisting in de woning van verdachte. Haar lichaam was naakt en zat verpakt in een slaapzak. Daaromheen was een hoes aangebracht van een bruidsjurk. Verdachte heeft begin juni 2007 de houten omkisting gemaakt en hierin de kliko met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] geplaatst. Verdachte heeft hierover naar het oordeel van de rechtbank een kennelijk leugenachtige verklaring afgelegd.

Eerdere incidenten

Door een aantal getuigen is verklaard over het geweld binnen de relatie van verdachte en [slachtoffer]. [getuige 8]29 verklaart dat verdachte haar via msn-berichten heeft laten weten dat [slachtoffer] een verhouding met een Russische man had waar hij achter was gekomen en waarover ze een heftige ruzie hebben gehad. [getuige 10] verklaart30 dat [slachtoffer] haar op 12 april 2007 belde en dat zij vertelde dat verdachte haar een dag eerder had geprobeerd te wurgen door haar bij de keel te pakken. Verder had [slachtoffer] verteld dat wanneer [naam dochter] er niet bij was geweest, hij dit ook echt gedaan zou hebben.

[getuige 9] 31 kreeg in februari 2007 een sms-bericht van [slachtoffer] met de tekst: ‘RJ tried to kill me with handen’. [getuige 3]32 had van [slachtoffer] gehoord dat verdachte in de week voor 13 april 2007 haar keel had dichtgeknepen. Hij had een rode streep en druksporen in de keel en de hals van [slachtoffer] gezien. [getuige 11] had op 21 maart 2007 van [slachtoffer] gehoord33 dat verdachte haar bij de keel had vastgepakt en had geprobeerd om haar te wurgen. [slachtoffer] liet haar nek zien en [getuige 11] zag duidelijk rode striemen. Ook uit de politiesystemen in België blijkt dat [slachtoffer] tweemaal een melding heeft gedaan. De eerste melding was op 10 februari 201034, waarbij een huilende [slachtoffer] aangeeft dat zij ruzie met haar man heeft. De tweede melding wordt gedaan op 19 februari 200735, waarin zij huilend en hevig geëmotioneerd aangeeft dat zij ruzie met verdachte heeft en daarbij letterlijk zegt: ‘Hij probeert mij dood te doen, net’.

De rechtbank leidt uit vorengaande af dat de verklaringen van de getuigen over het plegen van geweld door verdachte tegen [slachtoffer] worden bevestigd door de bevindingen in de politiesystemen in België. De rechtbank ziet in deze bewijsmiddelen een aanwijzing dat verdachte [slachtoffer] voor haar verdwijnen op 13 april 2007 naar het leven heeft gestaan.

De aanwezigheid van verdachte en [slachtoffer] in de woning op 13 april 2007 en de daarop volgende verdwijning van [slachtoffer]

Op 13 april 2007 om 16.56.53 uur36 stuurt verdachte een sms-bericht naar [slachtoffer] met de inhoud: ‘You go zonnebank? Not to hot?’ Diezelfde dag om 16.59.46 uur37 stuurt [slachtoffer] een bericht terug met de tekst: ‘Nee its not to hoy. Its just ok’. Op voornoemde tijdstippen straalt de telefoon van [slachtoffer] aan op de telefoonmast gelegen aan de Parallelweg 1B te Baarle-Hertog. Deze mast staat op ongeveer 1 kilometer van de woning van verdachte en [slachtoffer]38. Op 13 april om 20.34 uur39 straalt de telefoon van [slachtoffer] wederom aan op de telefoonmast gelegen aan de Parallelweg 1B te Baarle-Hertog.

Verdachte zelf verklaart40 dat hij rond 20.00 uur thuis was. Dit wordt bevestigd door het telecomonderzoek. Uit dit onderzoek41 volgt dat de telefoon van verdachte op 13 april 2007 om 20.57 uur aanstraalde op de telefoonmast gelegen aan de Parallelweg 1B te Baarle-Hertog. Uit het onderzoek42 komt verder naar voren dat de telefoon van verdachte op 13 april 2007 van 22.30 uur tot 14 april 2007 om 04.51 uur eveneens aanstraalde op de telefoonmast gelegen aan de Parallelweg 1B te Baarle-Hertog.

Verdachte heeft voorts verklaard43 dat hij in de avond van 13 april 2007 in de woning aan [adres 2] met [slachtoffer] heeft gesproken over de relatie die zij en [getuige 3] zouden hebben. Verdachte heeft [slachtoffer] die avond geconfronteerd met hetgeen hij van [getuige 1] had vernomen, te weten dat [getuige 3] de minnaar van [slachtoffer] was. Verdachte was daarvoor eerder naar huis gekomen.

Uit het dossier blijkt dat van [slachtoffer], na het versturen van het sms-bericht op 13 april 2007 om 16.59.46 uur en na het gesprek dat verdachte met [slachtoffer] heeft gehad, niets meer is vernomen. Zo verklaren [getuige 10] en [getuige 12]4445, de zussen van [slachtoffer], dat [slachtoffer] na 13 april 2007 geen contact meer met familie heeft gelegd, terwijl zij nagenoeg dagelijks contact hadden. Op 13 april 2007 is er sms-verkeer tussen [getuige 1] en verdachte. In de sms-berichten van 13 april 2007 om 22.31.39 uur en 22.42.36 uur46 deelt verdachte mede dat ‘zij is weggegaan’ en ‘ze heeft half toegegeven’. Uit de verklaring van verdachte47, nadat hij met dit bericht geconfronteerd werd, blijkt dat hij van [getuige 1] had vernomen dat [getuige 3] geen neef van [slachtoffer] was, maar dat [getuige 3] haar minnaar was.

Diezelfde dag om 23.26.34 uur stuurt verdachte een sms-bericht naar [getuige 1]48 met de volgende inhoud: ‘Maakt mij niet uit, maar ik wil niemand tot last zijn. ik moet toch def. (de rechtbank begrijpt: definitieve) oplossing zoeken. Plus dan moet je nog vroeg op?!’. Om 23.29.3849 spreken [getuige 1] en verdachte af dat [naam dochter] (de dochter van verdachte en [slachtoffer]) bij [getuige 1] gaat slapen. Op 14 april 2007 om 08.07.51 uur deelt [getuige 1]50 mede dat [naam dochter] wakker is en dat zij op de bank hebben geslapen. Op 15 april 200751 bracht verdachte [naam dochter] naar zijn ouders. Op woensdagmiddag gaat hij haar ophalen, zodat [naam dochter] donderdagmiddag weer met zijn ouders mee kan. Getuige [getuige 13], de juffrouw van de school van [naam dochter], heeft verklaard52 dat [naam dochter] in april 2007 bij kinderopvang ‘[naam kinderopvang]’ te Heeze is gekomen. De opa en oma van [naam dochter] hebben haar aangemeld. Het was een spoedgeval, omdat de moeder van [naam dochter] naar Rusland zou zijn vertrokken met een andere man. [naam dochter] vertelde haar op 18 april 2007 uit het niets dat haar mama weg was en haar in de steek had gelaten. Ook zei [naam dochter] dat haar mama nooit meer terug kwam. Verdachte heeft ten slotte verklaard53 dat hij [slachtoffer] op 13 april 2007 voor het laatst heeft gezien en gesproken.

Uit vorenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte in de avond van 13 april 2007 in ieder geval van 20.00 uur tot 22.30 uur samen met [slachtoffer] in zijn woning is geweest en haar op dat moment heeft geconfronteerd met de informatie die hij van [getuige 1] had vernomen, te weten dat [getuige 3] de minnaar van [slachtoffer] was. Na deze avond heeft niemand meer iets van [slachtoffer] vernomen.

Verklaringen van verdachte over de afwezigheid van [slachtoffer]

In het dossier zijn getuigenverklaringen opgenomen waarin over de afwezigheid van [slachtoffer] na 13 april 2007 wordt gerelateerd. Op 15 april 2007 stuurde verdachte een sms-bericht54 naar [getuige 2] waarin staat dat [slachtoffer] volgens de laatste berichten morgen vliegt. Op 17 april 200755 voert verdachte een gesprek met [getuige 3], waarin hij zegt dat [slachtoffer] in Minsk is. Op 23 april 200756 belt verdachte met zijn moeder waarin zij vraagt of verdachte niets meer van [slachtoffer] heeft gehoord. Verdachte antwoordt hier ontkennend op. In datzelfde gesprek praat verdachte ook met zijn vader waartegen hij zegt dat er niets gebeurd is. Op 24 april 200757 voert verdachte een gesprek met zijn moeder, waarin hij zegt dat [slachtoffer] die morgen nog heeft gebeld en dat [slachtoffer] tegen hem had gezegd dat zij in Minsk zat. Tegen [getuige 12] heeft verdachte verklaard58 dat [slachtoffer] naar Amsterdam vertrokken was en dat zij zonder [naam dochter] was gegaan. Verder vertelde hij dat [slachtoffer] met niemand, en dus ook niet met familie, contact wilde hebben. Tegen [getuige 14]59 heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] na haar verdwijning nog telefonisch contact met hem had opgenomen. Verdachte sprak ook met [getuige 15]. [getuige 15] verklaart60 dat hij in mei 2007 en juni 2007 contact met verdachte had en dat verdachte hem vertelde dat zijn vrouw op een terras in Eindhoven voor de ogen van zijn dochtertje was doodgereden. [getuige 16] verklaart61 dat verdachte heeft verteld dat hij zijn vrouw een geldbedrag had gegeven en dat zij voor dat geld afstand van hun kind had gedaan.

De rechtbank overweegt dat verdachte na het overlijden van [slachtoffer] aantoonbaar verschillende valse mededelingen over haar afwezigheid heeft gedaan, die naar het oordeel van de rechtbank niet anders uitgelegd kunnen worden dan het op een dwaalspoor zetten van familie en vrienden. De verklaring van verdachte dat hij de verschillende verklaringen heeft afgelegd om zo op zakelijk gebied meer tijd te krijgen om een oplossing te zoeken voor de oplopende schulden, acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu verdachte ook tegen personen waarbij hij geen schulden had valse mededelingen heeft gedaan. Uit het dossier blijkt verder niet dat verdachte enige actie heeft ondernomen om [slachtoffer] te zoeken dan wel dat hij bijvoorbeeld door de politie nader onderzoek naar haar vermissing heeft laten verrichten. Verder betrekt de rechtbank bij haar oordeel de verklaring van verdachte dat hij de auto en sieraden van [slachtoffer] al had weg gegeven62.

Beantwoording van de vragen II en III:

Hoewel voornoemde deskundigen in hun rapporten en hun toelichting ter zitting geen eenduidig antwoord kunnen geven op de vraag of [slachtoffer] door misdrijf om het leven is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat op basis van alle voornoemde feiten en omstan-digheden - in onderlinge samenhang bezien - moet worden geconcludeerd dat gewelddadig handelen de doodsoorzaak is.

De omstandigheden waaronder het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen, te weten in een bruidszak en slaapzak verpakt, in een kliko gedeponeerd en geplaatst in een door verdachte gebouwde houten kist en aldus bijna luchtdicht verborgen, is voor de rechtbank een zeer sterke aanwijzing dat zij door geweld van buitenaf om het leven is gebracht. Een natuurlijke dood van deze jonge vrouw zonder noemenswaardige ziektegeschiedenis acht de rechtbank om die reden dan ook hoogst onwaarschijnlijk, te meer omdat voor deze theoretische mogelijkheid geen serieuze aanknopingspunten zijn te vinden. Bij de secties zijn geen ziekelijke orgaanafwijkingen geconstateerd en uit toxicologisch onderzoek is gebleken dat de dood niet verklaard kan worden door alcohol, drugs en/of geneesmiddelen.

De rechtbank acht gezien bovenstaande bewezen dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van niet nader te duiden uitwendig toegepast geweld op haar lichaam. Voor de stelling van de officier van justitie dat [slachtoffer] is overleden doordat verdachte haar in haar rechter bovenbeen heeft gesneden of gestoken en/of dat hij haar heeft gewurgd ziet de rechtbank onvoldoende bewijs in het dossier.

Voorts beantwoordt de rechtbank de vraag of verdachte degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, eveneens op basis van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, bevestigend.

Eindconclusie

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door opzettelijk uitwendig geweld uit te oefenen op haar lichaam, tengevolge waarvan zij is overleden. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van doodslag, zoals onder feit 1 primair ten laste is gelegd.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van moord. Uit het dossier is immers niet gebleken dat sprake was van een tevoren opgevat plan om [slachtoffer] van het leven te beroven of dat verdachte de tijd had zich te beraden over zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Tevens acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verbergen van het lijk van [slachtoffer] op de wijze zoals hieronder onder feit 2 bewezen wordt verklaard.

Feit 3

Op 19 december 200763 is verdachte met zijn 6-jarige dochter [naam dochter] en zijn vriendin [getuige 2] naar Amerika gereisd. Op 27 februari 20086465 werd verdachte op luchthaven Schiphol aangehouden op het moment dat hij uit Amerika kwam. Bij zijn aanhouding werden twee laptops inbeslaggenomen. Bij onderzoek aan de laptop van het merk Acer type Aspire 4520 werden afbeeldingen aangetroffen die mogelijk kinderporno-grafisch van aard zijn. De afbeeldingen werden geanalyseerd66. Op afbeelding [bestandsnaam 1] staat een meisje van een jaar of zes à zeven. Zij draagt een topje en een zwarte BH en staat rechtop met haar gezicht richting de camera. Met haar rechterhand trekt zij het kruis van haar stringslipje enigszins aan de kant en haar linkerhand steekt zij in het slipje. Hierdoor lijkt het alsof zij haar vagina vingert. Verder is gebleken67 dat voornoemde afbeelding op 17 januari 2008 gemaakt is met camera Sony DSC-S80. De gemaakte foto’s werden via een kabeltje door verdachte op de computer gezet, aldus [getuige 2]68. Volgens verdachte69 heeft hij de foto’s gekopieerd om ze vervolgens op de laptop te zetten.

Ter zitting heeft de rechtbank een kleurenprint bekeken van de afbeeldingen die worden genoemd in de tenlastelegging. De rechtbank heeft waargenomen dat op foto [bestandsnaam 1] een minderjarig meisje is te zien en dat de afbeelding overeenkomt met de hiervoor door de politie gegeven omschrijving. Naar het oordeel van de rechtbank is de door het meisje op die foto aangenomen houding een zodanige dat daarmee kennelijk mede het opwekken van een seksuele prikkeling is beoogd. Gelet op deze uiterlijke verschijningsvorm is de rechtbank van oordeel dat deze foto een afbeelding bevat van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht, zodat sprake is van kinderpornografie. Hetgeen door de raadsman en verdachte is aangevoerd, maakt dit niet anders.

De rechtbank acht, op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in bezit hebben van twee gegevensdragers met daarop 1 kinderpornografische foto. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het medeplegen omdat het dossier daarvoor onvoldoende aanknopings-punten biedt.

De rechtbank zal verdachte tevens vrijspreken van de overige ten laste gelegde afbeeldingen, omdat deze foto’s geen afbeeldingen bevatten van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair)

hij op of omstreeks 13 april 2007, althans in of omstreeks de periode van 13 april 2007 tot en met 18 februari 2008 te Baarle-Nassau, althans in Nederland en/of te Baarle-Hertog, althans in Belgie opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

  • -

    met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp die [slachtoffer] in haar rechterbovenbeen gesneden en/of gestoken en/of

  • -

    die [slachtoffer] gewurgd of doen stikken en/of samendmldcend geweld toegepast op de hals/keel van die [slachtoffer], in elk geval bij die [slachtoffer] op enige wijze de ademhaling belemmerd, tengevolge of mede ten gevolge van welke handeling(en) die [slachtoffer] is overleden, in elk geval opzettelijk zodanig geweld tegen/op die [slachtoffer] uitgeoefend dat zij is overleden.

2.

hij op of omstreeks 13 april 2007, althans in of omstreeks de periode van 13 april 2007 tot en met 18 februari 2008 te Baarle-Nassau, althans in Nederland en/of Baarle Hertog, althans in Belgie het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers heeft hij verdachte

  • -

    het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer] in een slaapzak en/of bruidszak verpakt en/of (vervolgens)

  • -

    het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer] in een afvalcontainer gedeponeerd en/of (vervolgens)

  • -

    een houten kist/kubus om die afvalcontainer met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] heen gebouwd waardoor die afvalcontainer met daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] aan het zicht werd onttrokken, althans die container met daarin het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer] in houten kist/kubus verborgen;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 december 2007 tot en met 27 februari 2008, in elk geval op of omstreeks 27 februari 2008, in Miami en/of elders in de Verenigde Staten en/of op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meermalen (telkens) (een) afbeelding(en) en/of (een) gegevensdrager(s), te weten meerdere foto’s/fotografische afbeeldingen en/of een laptop (Acer Type Aspire 4520) en/of een mobiele telefoon (Sony Ericsson K810i) en/of een digitale camera (Sony DSC-S80)

heeft vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of in bezit heeft gehad, terwijl die afbeeldinge(n) en/of gegevensdragers één of meer afbeeldingen van een seksuele gedragingen bevatte(n), waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit (onder meer):

* het betasten van de geslachtsdelen en/of de borsten en/of tepels en/of de billen door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (met de penis en/of vinger(s)/hand(en) en/of een voorwerp en/of de tong) (afbeeldingen zoals omschreven op blz. 8358: [bestandsnaam 2] en/of [bestandsnaam 1] en/of [bestandsnaam 3])

en/of

* het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij deze persoon gekleed en/of opgemaakt is en/of in een omgeving en/of met voorwerpen en/of in een (erotisch getinte) houdingen poseert die niet bij de leeftijd past en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van de kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de uitsnede van de afbeelding/film en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden (afbeelding zoals omschreven op blz.8357: [bestandsnaam 4] en/of afbeeldingen zoals omschreven op blz. 8358: afbeeldingen [bestandsnaam 2] en/of [bestandsnaam 5] en/of [bestandsnaam 6] en/of [bestandsnaam 1] en/of [bestandsnaam 7] en/of [bestandsnaam 3]).

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 jaren met aftrek van voorarrest. Bij de bepaling van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte geen relevante documentatie ten aanzien van het tenlastegelegde heeft.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd, omdat verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zijn echtgenote [slachtoffer] van het leven beroofd. Door deze daad heeft verdachte diens dochter [naam dochter] en naasten hun geliefde moeder, familielid en vriendin afgenomen. Zij kunnen niet anders dan verder leven met dit vreselijke gemis.

Doordat verdachte op geen enkel moment inzicht heeft willen geven in zijn beweegredenen, rest voor de nabestaanden de onwetendheid over het waarom van haar dood. Voorts heeft verdachte zich ontdaan van het naakte lichaam van [slachtoffer] door het in een slaapzak en bruidszak te verpakken en deze met het hoofd naar beneden in een afvalcontainer te deponeren. Vervolgens heeft verdachte een houten kist/kubus om die afvalcontainer gebouwd, waardoor die afvalcontainer met daarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aan het zicht werd onttrokken. Verdachte is hierdoor op een gruwelijke en respectloze wijze omgegaan met het lichaam van de overledene. Dit levert een schok op voor de nabestaanden en ook voor een ieder die dit zal lezen of vernemen. De rechtsorde is hierdoor ernstig geschokt. De onschendbaarheid van het lichaam vormt een belangrijk onderdeel van onze beschaving en de wijze waarop met het lichaam van een overledene wordt omgegaan, is van belang voor de rouwverwerking van de nabestaanden. Verdachte heeft hier in zeer ernstige mate inbreuk op gemaakt. De rouwverwerking is eveneens bemoeilijkt door de vele maanden waarin de nabestaanden in onzekerheid verkeerden of [slachtoffer] nog in leven was. De koelbloedige en berekenende wijze waarop verdachte na afloop te werk moet zijn gegaan, laat de rechtbank dan ook een rol spelen bij de bepaling van de strafmaat. De rechtbank houdt voorts ernstig in het nadeel van verdachte rekening met het feit dat hij [naam dochter], gedurende de periode dat het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in de kist verborgen zat, in de omgeving van deze kist heeft laten spelen waarbij zij zelfs stickers en tekeningen op de kist heeft geplakt. Zij heeft daarmee, zonder dat zij het wist, voor het graf van haar vermiste moeder zitten spelen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank ten slotte acht geslagen op de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank ook het in het bezit hebben van de kinderpornografische afbeelding meegewogen.

De rechtbank zal ambtshalve toetsen of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, in deze zaak geschonden is.

De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 27 februari 2008, zijnde de datum waarop verdachte voor de eerste keer in verzekering is gesteld.

De rechtbank stelt vast dat sinds 27 februari 2008 tot het vonnis in eerste aanleg een termijn van ruim vijf jaar en 5 maanden is verstreken. Dat de laatste inhoudelijke behandeling pas op 3 juli 2013 plaatsvond, is zeker niet alleen aan het optreden van het openbaar ministerie te wijten. Het betreft een zeer complexe zaak, zowel medisch, juridisch als technisch waarbij op verzoek van de verdediging, de officier van justitie én de rechtbank veel getuigen en deskundigen ter zitting zijn gehoord waarna door TNO aanvullende tijdrovende technische onderzoeken zijn uitgevoerd. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank het recht van de verdachte op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn niet geschonden.

Alles afwegend acht de rechtbank, gelet op de aard en de ernst van de feiten, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 jaren passend. Gelet op voornoemde strafverzwarende omstandigheden zal deze straf worden vermeerderd met 3 jaren, zodat een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren met aftrek van voorarrest aan verdachte zal worden opgelegd. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 Het beslag

De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, aangezien deze voor het bewijs en eventueel nader uit te voeren onderzoek van belang zijn.

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen. Ten aanzien van de inbeslaggenomen laptop van verdachte (beslagnummer 25) bepaalt de rechtbank dat deze laptop pas na schoning, indien deze schoning technisch mogelijk is, door de politie aan verdachte teruggegeven mag worden.

8 Bevel tot gevangenneming

Ter terechtzitting van 4 juli 2013 heeft de officier van justitie de gevangenneming van de verdachte gevorderd. De verdediging is in de gelegenheid geweest zich over deze vordering uit te laten.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de onderhavige uitspraak wordt verdachte ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren met aftrek van voorarrest. Verdachte wordt aldus veroordeeld voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien is sprake van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren is gesteld en is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit, de rechtsorde door het bewezen verklaarde feit ernstig geschokt. Dit brengt mee dat sprake is van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert van de verdachte. De rechtbank zal dan ook de gevangenneming van de verdachte bevelen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 57, 151, 240b en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 (primair): doodslag;

feit 2: een lijk verbergen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden

te verhelen;

feit 3: een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die

kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit

hebben;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 11 jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- beveelt de gevangenneming van verdachte;

Beslag

- gelast de bewaring aangezien deze voor het bewijs van belang zijn van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1, 2, 7, 13, 13B, 13C, 13D, 13E, 13F, 13G, 46 en 76;

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 3, 24, 27 en 75.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Dekker en mr. Prenger, rechters, in tegenwoordigheid van Vermaat, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 augustus 2013.

Mr. Dekker is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 13 april 2007, althans in of omstreeks de periode van 13

april 2007 tot en met 18 februari 200$ te Baarle-Nassau, althans in Nederland

en]of te Baarle-Hertog, althans in Belgie opzettelijk en al dan niet met

voorbedachte rade, [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp die [slachtoffer] in haar

rechterbovenbeen gesneden en/of gestoken en/of

- die [slachtoffer] gewurgd of doen stikken en/of samendrukkend geweld toegepast op

de hals/keel van die [slachtoffer], in elk geval bij die [slachtoffer] op enige wijze de

ademhaling belemmerd, tengevolge of mede ten gevolge van welke handeling(en)

die [slachtoffer] is overleden, in elk geval opzettelijk zodanig geweld tegen/op die

[slachtoffer] uitgeoefend dat zij is overleden.

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 april 2007, althans in de periode van 13 april 2007

tot en met 18 februari 2008 te Baarle-Nassau, althans in Nederland en/of te

Baarle Hertog, althans in Belgie, aan een persoon genaamd [slachtoffer], zijnde

zijn verdachtes echtgenote, opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade,

zwaar lichamelijk letsel (een steek/snijwond in het rechterbovenbeen), heeft

toegebracht, door opzettelijk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in liet been van

voomoemde [slachtoffer] te steken en/of snijden, in elk geval door opzettelijk

geweld tegen/op die [slachtoffer] uit te oefenen, terwijl het feit de dood

tengevolge heeft gehad;

art 303 Wetboek van Strafrecht

art 304 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 2 Wetboek van Strafrecht

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 april 2007, althans in de periode van 13 april 2007

tot en met 18 februari 2008 te Baarle-Nassau, althans in Nederland en/of te

Baarle Hertog, althans in Belgie opzettelijk, al dan niet met voorbedachte

rade, mishandelend

- een persoon (te weten [slachtoffer], zijnde zijn verdachtes

echtgenote), na kalm beraad en rustig overleg met een mes, althans een scherp

en/of puntig voorwerp in het rechterbovenbeen heeft gestoken en/of gesneden, althans

- zodanig geweld heeft uitgeoefend tegen/op een persoon (te weten [slachtoffer], zijnde

zijn, verdachtes echtgenote)

tengevolge waarvan deze is overleden;

art 303 Wetboek van Strafrecht

art 304 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 3 Wetboek van Strafrecht

derde subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 februari 2007, althans in de periode van 13 februari

2007 tot en met 18 februari 2008 te Baarle Nassau, althans in Nederland en/of

te Baarle Hertog, althans in Belgie, opzettelijk [slachtoffer], zijnde zijn

verdachtes echtgenote, tot wiens onderhoud en/of verpleging en/of verzonging

hij verdachte krachtens wet en/of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze

toestand heeft gebracht en/of gelaten, immers heeft hij verdachte, toen

voomoemde [slachtoffer] ernstig letsel (een verwonding aan het rechterbovenbeen)

had opgelopen, nagelaten tijdig adequate medische hulp in te roepen,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 255 Wetboek van Strafrecht

art 257 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 13 april 2007, althans in of omstreeks de periode van 13

april 2007 tot en met 18 februari 2008 te Baarle-Nassau, althans in Nederland

en/of Baarle Hertog, althans in Belgie het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen

en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de

oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers heeft hij

verdachte

- het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer] in een slaapzak en/of

bruidszak verpakt en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer] in een afvalcontainer

gedeponeerd en/of (vervolgens)

- een houten kist/kubus om die afvalcontainer met daarin het stoffelijk

overschot van die [slachtoffer] heen gebouwd waardoor die afvalcontainer met

daarin het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] aan het zicht werd

onttrokken, althans die container met daarin het stoffelijk overschot van

voornoemde [slachtoffer] in houten kist/kubus verborgen;

art 151 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december

2007 tot en met 27 februari 2008, in elk geval op of omstreeks 27 februari

2008, in Miami en/of elders in de Verenigde Staten en/of op de luchthaven

Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meermalen

(telkens) (een) afbeelding(en) en/of (een) gegevensdrager(s), te weten

meerdere foto's/fotografische afbeeldingen en/of een laptop (Acer Type Aspire

4520) en/of een mobiele telefoon (Sony Ericsson K810i) en/of een digitale

camera (Sony DSC-S80)

heeft vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of in bezit heeft gehad,

terwijl die afbeeldinge(n) en/of gegevensdrager één of meer afbeeldingen van

seksuele gedragingen bevatte(n), waarbij (telkens) een persoon die kennelijk

de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijn-

baar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit (onder

meer):

* het betasten van de geslachtsdelen en/of de borsten en/of tepels en/of de

billen door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft

bereikt (met de penis en/of vinger(s)/hand(en) en/of een voorwerp en/of de

tong) (afbeeldingen zoals omschreven op blz. 8358: [bestandsnaam 2] en/of

[bestandsnaam 1] en/of [bestandsnaam 3])

en/of

* het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die

kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij deze

persoon gekleed en/of opgemaakt is en/of in een omgeving en/of met

voorwerpen en/of in (erotisch getinte) houdingen poseert die niet bij de

leeftijd past en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende

afbeeldingen/filmfragmenten van de kleding ontdoet en/of (waarna) door het

camerastandpunt en/of de uitsnede van de afbeelding/film en/of de

(onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon nadrukkelijk

de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden (afbeelding zoals

omschreven op blz.8357: [bestandsnaam 4] en/of afbeeldingen zoals omschreven op

blz. 8358: afbeeldingen [bestandsnaam 2] en/of [bestandsnaam 5] en/of [bestandsnaam 6]

en/of [bestandsnaam 1] en/of [bestandsnaam 7] en/of [bestandsnaam 3])

(zie dossier blz. 8312 tm 8367)

art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL203M/08-002491 van politie Midden- en West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 8370. Het geschrift, zijnde vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek door de procureur des konings, pagina 652 van voornoemd dossier;

2 Een geschrift, zijnde een rechtshulpverzoek, pagina’s 2271 tot en met 2278 van voornoemd dossier;

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 17], pagina 2285 van voornoemd dossier;

4 Het proces-verbaal opgemaakt door Unit FTO, pagina’s 2716 en 2717 van voornoemd dossier;

5 Een geschrift, zijnde een verklaring van tandarts forensisch odontoloog, pagina 2317 van voornoemd dossier;

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1636 en 1637 van voornoemd dossier;

7 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 4], pagina 1089 van voornoemd dossier;

8 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 4], pagina’s 3512 en 3515 van voornoemd dossier;

9 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 5], pagina’s 3226 tot en met 3231 van voornoemd dossier;

10 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 6], pagina 3618 van voornoemd dossier;

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 1952 van voornoemd dossier;

12 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 7], pagina’s 3884 en 3885 van voornoemd dossier;

13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 1963 tot en met 1971 van voornoemd dossier;

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 1751 van voornoemd dossier;

15 Het proces-verbaal opgemaakt door Unit FTO, pagina 307 van voornoemd dossier;

16 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 1758 van voornoemd dossier;

17 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 1960, van voornoemd dossier;

18 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 3 juli 2013;

19 Het proces-verbaal opgemaakt door Unit FTO, pagina’s 296 tot en met 310 van voornoemd dossier;

20 Een geschrift, zijnde een rapport opgemaakt door TNO in maart 2013, los opgenomen;

21 De verklaring van de getuige-deskundige ir. Oudenhuijzen, afgelegd op de zitting van 3 juli 2013;

22 Het deskundigenverslag van dr. Shorrock van 1 mei 2009, pagina 3043 van voornoemd dossier.

23 Het proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen, pagina’s 611 tot en met 646 van voornoemd dossier;

24 De verklaring van de getuige-deskundige dr. Kubat, afgelegd op de zitting van 27 september 2011, opgenomen in het proces-verbaal van die zitting, pagina 11;

25 De verklaring van de getuige-deskundige dr. Van der Goot, afgelegd op de zitting van 28 september 2011, opgenomen in het proces-verbaal van die zitting, pagina 13;

26 De verklaring van de getuige-deskundige dr. Spendlove, afgelegd op de zitting van 9 juni 2011 opgenomen in het proces-verbaal van die zitting, pagina 8;

27 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 3 juli 2013;

28 Zie voetnoot 4;

29 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 8], pagina 2425;

30 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 10], pagina’s 4024 tot en met 4043 van voornoemd dossier;

31 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 9], pagina 2360 van voornoemd dossier;

32 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 3], pagina’s 3208 en 3209 van voornoemd dossier;

33 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 11], pagina 657 (map 22) van voornoemd dossier;

34 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 2501 tot en met 2504 van voornoemd dossier;

35 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 2505 tot en met 2508 van voornoemd dossier;

36 Een geschrift, zijnde een tapgesprek, pagina 523 van voornoemd dossier;

37 Een geschrift, zijnde een tapgesprek, pagina 524 van voornoemd dossier;

38 Het proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens, pagina 138 van het aanvullend dossier;

39 Het proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens, pagina 138 van het aanvullend dossier;

40 Het proces-verbaal verbatim uitwerken verhoor verdachte, pagina 1710 van voornoemd dossier;

41 Het proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens, pagina 137 van het aanvullend dossier;

42 Het proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens, pagina 137 van het aanvullend dossier;

43 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 1497 van voornoemd dossier;

44 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 10], pagina’s 4024 tot en met 4043 van voornoemd dossier;

45 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 12], pagina’s 4066 en 4067 van voornoemd dossier;

46 Een geschrift, zijnde twee sms-berichten, pagina 144 van het aanvullend dossier;

47 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 1495 en 1496 van voornoemd dossier;

48 Een geschrift, zijnde een sms-bericht, pagina 145 van het aanvullend dossier;

49 Een geschrift, zijnde een sms-bericht, pagina 145 van het aanvullend dossier;

50 Een geschrift, zijnde een sms-bericht, pagina 145 van het aanvullend dossier;

51 Een geschrift, zijnde een sms-bericht, pagina 150 van het aanvullend dossier;

52 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 13], pagina’s 3748 tot en met 3752 van voornoemd dossier;

53 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 3 juli 2013;

54 Een geschrift, te weten een gespreksverslag, pagina 183 (map 21) van voornoemd dossier;

55 Een geschrift, te weten een gespreksverslag, pagina 511 van voornoemd dossier;

56 Een geschrift, te weten een gespreksverslag, pagina 513 van voornoemd dossier;

57 Een geschrift, te weten een gespreksverslag, pagina 514 van voornoemd dossier;

58 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 10], pagina’s 4033 en 4034 van voornoemd dossier;

59 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 14], pagina 3169 van voornoemd dossier;

60 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 15], pagina 3268 van voornoemd dossier;

61 Het proces-verbaal van verhoor als getuige [getuige 16], pagina 3960 van voornoemd dossier;

62 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 3 juli 2013;

63 Het proces-verbaal, pagina 8316 van voornoemd dossier;

64 Het proces-verbaal, pagina 8316 van voornoemd dossier;

65 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 8323 van voornoemd dossier;

66 Het proces-verbaal Analyse afbeeldingen, pagina’s 8357 tot en met 8359 van voornoemd dossier;

67 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 8362 van voornoemd dossier;

68 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 8348 van voornoemd dossier;

69 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 8339 van voornoemd dossier.