Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:5621

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
29-07-2013
Zaaknummer
02/810726-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:63, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag tijdens een avond stappen in het uitgaansgebied in Oosterhout op 19 januari 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/810726-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 juni 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

raadsman mr. Z. Yeral, advocaat te Etten-Leur.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 juni 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Kerkhofs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden of zwaar te mishandelen, dan wel deel heeft uitgemaakt van een groep die geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], door hem te schoppen en te slaan.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

3.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er een onnodige inbreuk op de privacy van verdachte is gemaakt. Op 25 februari 2013 zijn camerabeelden van geweldshandelingen tegen [slachtoffer] in het uitgaansgebied van Oosterhout in het opsporingsprogramma Bureau Brabant op de televisie getoond. De verdediging is van mening dat deze beelden niet uitgezonden hadden hoeven te worden, nu er genoeg aanwijzingen waren om verder te rechercheren zonder voornoemde beelden uit te zenden. Verdachte zou immers door meerdere verbalisanten zijn herkend vóór het uitzenden van de beelden. Dit brengt met zich dat politie en justitie, naar de mening van de verdediging, genoeg aanknopingspunten hadden om verder onderzoek te doen naar de geweldshandelingen. Door dit na te laten is er een grove inbreuk gemaakt op de privacy van verdachte, hetgeen een schending oplevert van artikel 8 van het EVRM. Dit levert naar de mening van de verdediging een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op. Door het uitzenden van genoemde beelden is verdachte in zijn belangen geschaad. Daarom dient het Openbaar Ministerie primair niet-ontvankelijk verklaard te worden. Subsidiair is door de verdediging verzocht om strafvermindering.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte de enige was die is herkend voordat de camerabeelden werden uitgezonden. Van de medeverdachten stond op dat moment niet vast wie zij waren. Vervolgens is de afweging gemaakt om verdachte niet aan te houden, omdat niet was te voorzien wat hij zou verklaren over de medeverdachten. Om die reden is er volgens de officier van justitie voor gekozen om de camerabeelden uit te zenden. Nu er een goede afweging heeft plaatsgevonden ten aanzien van het uitzenden van de camerabeelden, is de officier van justitie van mening dat er geen sprake is geweest van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. Het verzoek van de raadsman om de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie uit te spreken, dient dan ook verworpen te worden.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie oordeelt de rechtbank als volgt.

Wettelijk kader

Wanneer persoonsgegevens aan derden worden verstrekt ter uitvoering van de politietaak kan er sprake zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Een dergelijke inbreuk is slechts gerechtvaardigd als deze bij wet is voorzien (artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM). De Wet politiegegevens (Wpg) voorziet in de wettelijke basis voor het verwerken van persoonsgegevens als hiervoor bedoeld. Slechts voor de in deze wet opgenomen doelen en met inachtneming van de gestelde waarborgen, is schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer toegestaan.

Artikel 19 Wpg bepaalt dat de verantwoordelijke in bijzondere gevallen, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, in overeenstemming met het op grond van de Politiewet 1993 bevoegd gezag, kan beslissen tot het verstrekken van politiegegevens aan derden. De politiegegevens kunnen slechts worden verstrekt voor de in dit artikel genoemde doelen, waaronder het opsporen van strafbare feiten.

Op basis van artikel 1, onder a en d, Wpg kan worden vastgesteld dat het door de politie ter beschikking stellen aan derden (waaronder de audio-visuele media) van het door middel van (beveiligings)camera’s verkregen beeldmateriaal valt onder het verstrekken van politiegegevens aan derden, als bedoeld in artikel 19 Wpg.

Inhoudelijk

Het tonen van de camerabeelden op televisie ten behoeve van de opsporing, heeft een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Beoordeeld dient te worden of het verstrekken van deze gegevens door de politie met het oog op een zwaarwegend algemeen belang noodzakelijk was.

Dit noodzaakcriterium houdt in dat aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldaan moet zijn, alvorens kan worden overgegaan tot het vertrekken van gegevens aan derden. Een middel is proportioneel wanneer de zwaarte hiervan in verhouding staat tot het beoogde doel. De ernst van het feit speelt hierbij een rol. Verdachte wordt verdacht van een feit – de artikelen 287 jo. 45 of 302 jo. 45 of 141 van het Wetboek van Strafrecht - waarbij overeenkomstig het gestelde in artikel 67, eerste lid onder a Sv, voorlopige hechtenis is toegelaten. De rechtbank stelt vast dat met opsporing hiervan een zwaarwegend algemeen belang is gediend. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat de gebeurtenissen in volle openbaarheid hebben plaatsgevonden in een uitgaansgebied in Oosterhout en de rechtsorde ernstig hebben geschokt, in die zin dat beroering in de maatschappij is ontstaan. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste van proportionaliteit.

Voor de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het vereiste van subsidiariteit moet worden beoordeeld of de opsporing van verdachte had kunnen worden bereikt met een voor hem minder belastend middel. Gelet op het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 19 januari 2013 heeft er een vechtpartij plaatsgevonden in een uitgaansgebied te Oosterhout. Op 24 januari 2013 heeft [slachtoffer] hiervan aangifte gedaan. In het desbetreffende uitgangsgebied hangen diverse camera’s ten behoeve van de veiligheid en openbare orde. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bekijken op 26 januari 2013 de opgenomen beelden. Door [verbalisant 2] wordt een omstander herkend. Eveneens op 26 januari 2013 worden genoemde verbalisanten door de Regionale Toezicht Ruimte naar een persoon gestuurd, die wordt herkend als een mogelijke betrokkene bij de vechtpartij op 19 januari 2013. Deze persoon blijkt verdachte te zijn. Na vaststelling van de identiteit van verdachte, mag hij zijn weg vervolgen.

Verbalisant [verbalisant 1] bekijkt op 31 januari 2013 de beelden nogmaals en relateert dat verdachte zeer waarschijnlijk één van de bij de vechtpartij betrokken personen is.

Verbalisant [verbalisant 2] bekijkt op 5 februari 2013 eveneens de beelden nogmaals en hij herkent verdachte als een persoon die tijdens de vechtpartij op 19 januari 2013 tweemaal een klap uitdeelt.

Op 13 februari 2013 wordt verdachte door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op de Klappeijstraat herkend als één van de mogelijke daders van de vechtpartij op 19 januari 2013. Zijn identiteit wordt vervolgens vastgesteld. Bij deze gelegenheid zegt verdachte nog: “Dit is nou al de tweede keer dat jullie mij controleren. Waarom is dat. Is dat vanwege die vechtpartij.”.

Op 17 februari 2013 krijgt verbalisant [verbalisant 5], op dat moment belast met een horecadienst in Oosterhout, de melding dat er in de Klappeijstraat een aantal personen zouden lopen, die zouden voldoen aan het signalement van de daders van de vechtpartij op 19 januari 2013. Verbalisant [verbalisant 5] houdt deze personen staande en stelt hun identiteit vast. Het blijkt te gaan om de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Een derde persoon geeft op te zijn [medeverdachte 3]. De verbalisant relateert dat de uiterlijke kenmerken van deze derde persoon overeenkomen met die van één van de daders van de vechtpartij op 19 januari 2013.

Eveneens op 17 februari 2013 verklaart getuige [getuige 1] over de vechtpartij. Hij geeft daarbij informatie over twee personen die betrokken zouden zijn bij de vechtpartij.

Op 20 februari 2013 wordt door de politie aan de officier van justitie verzocht een opdracht te geven tot het tappen van verdachte.

Op 22 februari 2013 en 23 februari 2013 worden flyers, met de aankondiging dat beelden op 25 februari 2013 zullen worden getoond in het opsporingsprogramma Bureau Brabant, opgehangen en uitgedeeld in het uitgangsgebied van Oosterhout.

Op 25 februari 2013 krijgen 1730 deelnemers van Burgernet in Oosterhout een mailbericht dat de beelden van de vechtpartij op 25 februari 2013 zullen worden getoond in het opsporingsprogramma Bureau Brabant.

Vervolgens worden de beelden op 25 februari 2013 getoond in het opsporingsprogramma Bureau Brabant.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden kan worden geconstateerd dat door meerdere verbalisanten is gerelateerd dat verdachte is herkend, dan wel dat hij zeer waarschijnlijk één van de daders van de vechtpartij is geweest. Bovendien worden ook medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] door de politie vóór het uitzenden van de camerabeelden bij de vechtpartij geplaatst. Getuige [getuige 1] heeft voorts in zijn verklaring aanknopingspunten voor verder onderzoek verschaft. Tot slot blijkt uit de op 20 februari 2013 opgemaakte processen-verbaal betreffende de aanvraag bevel opneming telecommunicatie (tap) en vordering verstrekking gebruikersgegevens (pagina’s 275 en 279 van het procesdossier) dat verdachte kennelijk op dat moment door het Openbaar Ministerie reeds als verdachte werd aangemerkt. Nu verdachte en een aantal medeverdachten reeds bij de politie in beeld waren, had het naar de oordeel van de rechtbank op de weg van politie en justitie gelegen om verdachte en die medeverdachten eerst zelf met de camerabeelden te confronteren, alvorens over te gaan tot de inzet van het zware opsporingsmiddel dat thans is ingezet. De rechtbank volgt derhalve niet het standpunt van de officier van Justitie ter terechtzitting, dat het in het kader van het onderzoek op dat moment al noodzakelijk was om dit middel in te zetten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet aan het vereiste van subsidiariteit is voldaan.

Voorts overweegt de rechtbank dat in de Aanwijzing opsporingsberichtgeving van 16 maart 2009 van het College van Procureurs-Generaal (Stcrt. 2009, 51) (hierna: de Aanwijzing) nadere (beleids)regels worden gegeven over de inzet van opsporingsberichtgeving. Ingevolge § 4.1 moet de hoofdofficier van justitie, op voorstel van de (zaaks)officier van justitie, toestemming geven voor de inzet van opsporingsberichtgeving. In § 7.1.2 van de Aanwijzing is opgenomen dat publicatie en verwijdering van opsporingsberichtgeving die tot doel heeft beperkt (lokaal of regionaal) aandacht voor het bericht te krijgen, wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving (R.O.O.) Voor regionale berichtgeving is toestemming vereist van de hoofdofficier van justitie.

In de onderhavige zaak is sprake geweest van regionale opsporingsberichtgeving. Van overleg in deze concrete zaak met het R.O.O. is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat er voor de berichtgeving toestemming is gegeven door de hoofdofficier van justitie. In het relaasproces-verbaal is enkel de mededeling opgenomen dat de rechercheofficier van justitie opdracht heeft gegeven om een gedeelte van de camerabeelden in het opsporingsprogramma Bureau Brabant te tonen. Dat er sprake zou zijn van een mandatering van deze bevoegdheden, zoals ter terechtzitting door de officier van justitie is aangevoerd, is evenmin gebleken. Dit brengt met zich dat niet gebleken is dat voldaan is aan alle formele eisen die de Aanwijzing stelt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het vormverzuim niet dusdanig is dat ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is dan ook niet aan de orde. Het verweer van de verdediging wordt op dit punt verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Gelet op de ernst van het verzuim, het belang van het geschonden voorschrift en het nadeel dat daardoor voor de verdachte is veroorzaakt, is de rechtbank wel van oordeel dat dit dient te leiden tot strafvermindering. Bij de bespreking van de strafmaat zal hier nader op worden ingegaan.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer]. Zij baseert zich daarbij op de aangifte, de camerabeelden waarop het feit is geregistreerd, de getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte ter zitting.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat verdachte een ruzie waarnam tussen een medeverdachte en het slachtoffer, een zeer grote man. Verdachte heeft voor zijn medeverdachten op willen komen en het slachtoffer daarom twee klappen gegeven, waarvan er in ieder geval één raak was. Nadat het slachtoffer op de grond terecht was gekomen en hij werd geslagen en geschopt door enkele medeverdachten, heeft verdachte getracht het slachtoffer te beschermen tegen verdere slagen en schoppen. Hieruit blijkt dat verdachte geen enkele opzet heeft gehad het slachtoffer van het leven te beroven dan wel zwaar te mishandelen. Het primair tenlastegelegde kan aldus niet worden bewezen. De verdediging refereert zich ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde openlijke geweldpleging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 19 januari 2013 krijgen de verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7], op dat moment belast met horecatoezicht in onder andere de Klappeijstraat te Oosterhout, een melding van een vechtpartij in de Klappeijstraat. Op de plaatst delict treffen de verbalisanten vervolgens een bewusteloze persoon aan op straat. Zij herkennen de bewusteloze persoon als [slachtoffer]. Volgens omstanders is [slachtoffer] in elkaar geslagen door een aantal personen. De verbalisanten constateren dat [slachtoffer] verwondingen heeft in zijn gezicht. Het rechteroog van [slachtoffer] is al opgezwollen en verkleurd en ook heeft hij een zichtbare verwonding aan zijn lip.

Terwijl [slachtoffer] door de verbalisanten naar huis wordt gebracht, geeft hij aan dat hij door meerdere personen is aangevallen en dat hij te dronken was om zich goed te verweren.1

[slachtoffer] vertelt vervolgens dat hij op 19 januari 2013 in de Klappeijstraat heeft geprobeerd met twee meisjes een gesprek aan te knopen. De meisjes hadden hier geen behoefte aan en zeiden tegen [slachtoffer] dat hij weg moest gaan. Hierop ontstond een verbaal conflict tussen [slachtoffer] en een jongen. [slachtoffer] besloot door te lopen. De jongen liep achter hem aan en sloeg hem met gebalde vuist in het gezicht. Vervolgens voelde [slachtoffer] dat hij een harde klap op zijn achterhoofd kreeg. [slachtoffer] raakte vervolgens buiten bewustzijn.2

In de Klappeijstraat hangen diverse camera’s ten behoeve van de veiligheid en de openbare orde. Deze camera’s hebben de vechtpartij geregistreerd.3 De camerabeelden zijn ter zitting bekeken door de rechtbank.

De rechtbank heeft in ieder geval het volgende waargenomen.

Een man wordt door een persoon (persoon 1), die hem van achteren nadert, op het gezicht geslagen. Vervolgens maakt persoon 1 een slaande beweging. Een tweede persoon (persoon 2), die samen met een derde persoon (persoon 3) op korte afstand van de man en persoon 1 staan, trapt de man tegen de rug. Persoon 1 slaat vervolgens nogmaals in het gezicht van de man, waarna er weer een trap in de rug volgt door persoon 2. Persoon 2 slaat daarop volgend twee keer tegen het achterhoofd van de man. Een vierde persoon (persoon 4) komt in beeld en slaat de man in het gezicht. Persoon 3 slaat vervolgens tegen het achterhoofd van de man. Persoon 1 slaat weer tegen het gezicht van de man, waarna persoon 4 een slaande beweging in de richting van het gezicht van de man maakt. Vervolgens komt er een vijfde persoon (persoon 5) het beeld in rennen en deze springt tegen de man op, waardoor zij beiden ten val komen. Persoon 5 staat weer op en geeft de man twee slagen in het gezicht. Terwijl de man op de grond ligt, maakt persoon 1 nog een trappende beweging richting het hoofd van de man.4

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op 19 januari 2013 met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] was. [medeverdachte 1] heeft tegen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] gezegd dat hij de man zou slaan. [medeverdachte 1] heeft de eerste klap gegeven. [medeverdachte 4] heeft de man tegen de rug geschopt. De kleine persoon die vervolgens in beeld komt, is volgens [medeverdachte 1] een persoon genaamd “[naam 1]”. Dan slaat [medeverdachte 2] de man in de nek en [medeverdachte 1] slaat nog een keer. [medeverdachte 1] ziet dan een persoon genaamd “[medeverdachte 3]” op de man springen, waardoor deze valt. Terwijl de man op de grond ligt, slaat “[medeverdachte 3]” de man. [medeverdachte 1] zelf schopt de man en hij denkt dat hij hem ergens bij de nek en de schouder raakt. Vervolgens komt “[naam 1]” er tussen.5

Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat medeverdachte [medeverdachte 1] aan het vechten was met iemand anders. Hij is er naar toe gerend, is naar het hoofd van die man gesprongen en heeft hem een klap gegeven. Vervolgens ziet verdachte dat “[medeverdachte 3]” tegen de man op springt, daardoor valt en met zijn achterhoofd op de grond terecht komt. Verdachte ziet dan dat “[medeverdachte 3]” een aantal keer met de vuist in het gezicht van de man slaat.6 Dit wordt bevestigd door getuige [getuige 2]. Zij ziet dat “[medeverdachte 3]” de man, terwijl deze op de grond ligt, met gebalde vuisten twee of drie harde klappen in het gezicht geeft.7

Tot slot ziet verdachte dat [medeverdachte 1] de man, terwijl deze op de grond ligt, in het gezicht trapt. Verdachte heeft daar een naar gevoel van gekregen.8

Op grond van het vorenstaande constateert de rechtbank dat de man aangever [slachtoffer] is en dat persoon 1 medeverdachte [medeverdachte 1] is. Persoon 2 is medeverdachte [medeverdachte 4], persoon 3 is medeverdachte [medeverdachte 2], persoon 4 is verdachte en persoon 5 is medeverdachte [medeverdachte 3].

De rechtbank is van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden blijkt dat [slachtoffer] in eerste instantie ruzie had met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] hebben dit van nabij gevolgd. Terwijl [slachtoffer] door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] in het gezicht of op het hoofd geslagen respectievelijk tegen het lichaam getrapt werd, stond [medeverdachte 2] op zeer korte afstand te kijken. Vervolgens is verdachte in beeld gekomen en deelde ook hij een klap uit aan [slachtoffer]. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gaven meteen na deze klap ook kort achter elkaar een klap aan [slachtoffer]. Vervolgens kwam [medeverdachte 3] op [slachtoffer] afgesprongen, waardoor deze viel en met zijn achterhoofd op de straat kwam. [medeverdachte 3] deelde nog twee klappen uit tegen het hoofd van [slachtoffer] en tot slot schopte [medeverdachte 1] tegen het hoofd van [slachtoffer].

De verdediging stelt dat verdachte geen enkele opzet heeft gehad het slachtoffer van het leven te beroven dan wel zwaar te mishandelen. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat verdachte geen opzet heeft gehad op het van het leven beroven van [slachtoffer]. De rechtbank overweegt daarbij het navolgende. Op grond van genoemde feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat eerst door twee personen, te weten door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4], geweldshandelingen zijn verricht tegen [slachtoffer]. Vervolgens is verdachte in beeld gekomen met in ieder geval één klap. Vrijwel meteen daarna heeft medeverdachte [medeverdachte 2] een klap tegen het achterhoofd van [slachtoffer] gegeven. Na die klap is het toegepaste geweld verergerd. [slachtoffer] is namelijk door toedoen van medeverdachte [medeverdachte 3] op zijn achterhoofd gevallen en op de straat terecht gekomen, waarna medeverdachte [medeverdachte 3] tweemaal hard met gebalde vuisten in het gezicht van [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl deze weerloos op de grond lag. Verdachte heeft nog geprobeerd om mensen weg te duwen bij [slachtoffer], maar op dat moment heeft medeverdachte [medeverdachte 1] tegen het hoofd van [slachtoffer] geschopt. De rechtbank is van oordeel dat juist het ten val brengen van [slachtoffer], waardoor deze hard met zijn hoofd op de straat terechtkomt én het op het hoofd slaan en schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer], terwijl deze weerloos op de grond ligt, een poging tot doodslag oplevert. Deze geweldshandelingen kunnen echter niet aan verdachte worden toegerekend, temeer daar hij nog geprobeerd heeft andere personen bij [slachtoffer] weg te houden. Hij zal dan ook worden vrijgesproken van (het medeplegen van) poging tot doodslag.

Wel is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot zware mishandeling. Uit de camerabeelden blijkt genoegzaam dat [slachtoffer] in eerste instantie omringd was door medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4]. [slachtoffer] werd meerdere malen in het gezicht geslagen en tegen het lichaam getrapt. Dit was nog gaande op het moment dat verdachte in beeld komt en [slachtoffer] vrijwel meteen in het gezicht slaat. Door een dergelijke mate van geweld uit te oefenen heeft verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. Dat het letsel relatief gering is gebleven, doet hier niet af. Naar het oordeel van de rechtbank had het toegepaste geweld veel ernstiger letsel kunnen opleveren. Dat dit niet is gebeurd, is in ieder geval niet te danken aan het handelen van verdachte en zijn medeverdachten. Wel heeft verdachte zich, door zo te handelen, doelbewust aangesloten bij de geweldshandelingen die op dat moment gaande waren. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit een nauwe en bewuste samenwerking op ten aanzien van de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer].

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op of omstreeks 19 januari 2013 te Oosterhout ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen,

althans eenmaal

-die [slachtoffer] in en/of op het gezicht en/of op/tegen het (achter)hoofd heeft

geslagen en/of gestompt en/of

-die [slachtoffer] heeft geduwd en/of tegen het lichaam heeft getrapt en/of

-die [slachtoffer] heeft besprongen (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of

(vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag

-die [slachtoffer] in het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of tegen het

lichaam heeft getrapt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen 76 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarden;

  • -

    begeleiding door de jeugdreclassering,;

  • -

    deelname aan IOG of een andere vorm van gezinstherapie;

  • -

    deelname aan TOPs! Onderwijs.

Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een werkstraf van 90 uur, subsidiair 45 dagen vervangende jeugddetentie.

De officier van justitie ziet, anders dan de verdediging, in het feit dat nog geen uitvoering is gegeven aan artikel 51h Sv. geen aanleiding tot strafvermindering.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat, nu door de politie en de officier van jusititie geen enkele inspanning is gedaan voor bemiddeling tussen het slachtoffer en de verdachte, er door de officier van justitie niet is voldaan aan de wettelijke plicht opgenomen in artikel 51h Sv. Hierdoor is verdachte benadeeld. Volgens de verdediging levert dit een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv op, hetgeen tot strafvermindering moet leiden.

De verdediging ziet het belang van de maatregel van hulp en steun. Daarnaast wil verdachte graag een dagbesteding. Indien er begeleiding wordt opgelegd, dan verzoekt de verdediging deze zo spoedig mogelijk op te starten.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer]. Hij heeft zich gemengd in een vechtpartij tussen het slachtoffer en zijn medeverdachten op het moment dat het slachtoffer reeds was ingesloten tussen enkele medeverdachten. De rechtbank bestempelt dit feit als ernstig. Door de aantasting van de lichamelijke integriteit hebben dergelijke feiten een grote impact op slachtoffers, ook op het psychische vlak. Slachtoffers houden hier veelal gedurende langere tijd sterke gevoelens van angst aan over. Voorts heeft het feit geleid tot een heftige schok binnen de samenleving en algehele gevoelens van verontwaardiging en onveiligheid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het psychologisch onderzoeksrapport van drs. M.J.G.M. Wetsteijn van 8 mei 2013. Hieruit blijkt dat verdachte zijn rol in het geheel bestempelt als marginaal en uiteindelijk als vredestichter. Bij verdachte kan worden gedacht aan een volledige mate van toerekeningsvatbaarheid. Hij is cognitief voldoende in staat consequenties van eigen handelen te overzien en bovendien kan niet worden gesproken van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Verdachte heeft zich impulsief in de vechtpartij gemengd. Hij vertoont antisociaal gedrag en een gebrek aan empathie. Verdachte is voldoende bekend met normen en waarden, maar zijn primaire aandrang en impulsiviteit, zoals solidariteit met vrienden, weegt zwaarder. De ouders van verdachte bestempelen het handelen van verdachte als fout. Zij tonen zich beschermend en verontschuldigend ten opzichte van verdachte. De deskundige adviseert een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen, die wordt ingevuld - naast de begeleiding door de jeugdreclassering - met de hulpvorm FFT in het gezin en een Equiptraining, thans TOPs! Onderwijs genaamd.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) adviseert verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, onder de voorwaarden dat hij zich dient te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering in het kader van de maatregel hulp en steun, ook als dit inhoudt medewerking aan zowel individuele als gezinsbehandeling. Van een gedragsbeïnvloedende maatregel kan naar de mening van de raad nog geen sprake zijn, nu verdachte een first offender is en het recidiverisico laag wordt ingeschat.

Namens de jeugdreclassering is ter zitting verklaard dat er zorgen zijn over verdachte. Hij houdt zich aan zijn schorsingsvoorwaarden, maar onderneemt verder niets. Er is onvoldoende structuur binnen het gezin om de ontwikkeling van verdachte te waarborgen en bij vader ontbreken enkele vaardigheden. Voorts toont verdachte gebrekkig inzicht in wat zijn handelen met anderen doet. De jeugdreclassering acht een Equiptraining van belang en meent dat IOG makkelijker in te zetten is binnen het gezin dan FFT. Daarnaast is het van groot belang dat er op zo kort mogelijke termijn een dagbesteding wordt gevonden. Verdachte wil graag aan een opleiding beginnen, maar hij zit sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis thuis en dit frustreert hem.

Naast de ernst van het feit heeft de rechtbank bij de bepaling van de straf, in het voordeel van verdachte, rekening gehouden met zijn blanco strafblad.

Naar aanleiding van het standpunt van de verdediging dat het bepaalde in artikel 51h Sv moet leiden tot strafvermindering overweegt de rechtbank dat artikel 51h Sv blijkens de wetsgeschiedenis tot doel heeft in een zo vroeg mogelijk stadium tot een herstelgesprek tussen het slachtoffer en de verdachte te komen. Of een dergelijk gesprek tot de mogelijkheden behoort, zal afhankelijk zijn van de ernst van het feit en de bereidheid van zowel het slachtoffer als de verdachte. Gebleken is dat de gebeurtenis op het slachtoffer een enorme impact heeft gehad, zodanig dat hij de confrontatie met de verdachte en zijn medeverdachten (nog) niet aankan. Zo durft het slachtoffer niet meer uit te gaan in Oosterhout en is hij vanwege zijn angst voor verdachte en zijn medeverdachten niet ter terechtzitting verschenen. Nu uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het slachtoffer tot dit moment niet open staat of heeft gestaan voor bemiddeling, zou deze bemiddeling naar het oordeel van de rechtbank geen kans van slagen hebben gehad en is het niet onbegrijpelijk dat de politie dit middel niet heeft ingezet. Van strafvermindering op deze grond kan derhalve geen sprake zijn.

Onder 3.1.3 heeft de rechtbank geoordeeld dat er gelet op het daar overwogene sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Volgens vaste jurisprudentie dient de vraag welk gevolg hieraan moet worden verbonden, te worden beoordeeld aan de hand van het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor voor de verdachte is veroorzaakt. Zoals hiervoor al is overwogen, kan een inbreuk op het recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer enkel worden toegestaan op een wijze die bij wet is voorzien. Hieruit volgt reeds dat het belang van het geschonden voorschrift in deze aanzienlijk is. Nu de beelden van verdachte zonder gebleken toestemming van het bevoegde gezag in het opsporingsprogramma Bureau Brabant zijn getoond, oordeelt de rechtbank dat sprake is van een ernstig verzuim. Dat een en ander de verdachte ook feitelijk heeft benadeeld, blijkt wel uit de door hem bij de politie gegeven reden om zich te melden. Hij is ook daadwerkelijk herkend. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat een en ander dient te leiden tot strafvermindering, in die zin dat de op te leggen werkstraf met 15 uren zal worden verminderd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit, de gedragingen van verdachte en zijn uiteindelijke poging de medeverdachten het geweld te doen laten beëindigen, alsmede aan de persoon van verdachte. Echter, in verband met de toegepaste strafvermindering ten gevolge van het vormverzuim zal de op te leggen werkstraf 15 uren lager uitvallen.

Gelet op de leeftijd van verdachte zal de rechtbank bepalen dat hij, bij omzetting van de werkstraf in het geval hij op dat moment de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie.

De rechtbank zal tevens bepalen dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen jeugdreclasseringtoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.305,76 voor het tenlastegelegde feit. Een bedrag van € 1.000,= ziet op immateriële schade en € 305,76 op materiële schade (€ 29,49 aan eigen risico, € 12,77 aan medicatie, € 3,50 aan reiskosten en

€ 240,= aan kledingschade).

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de schade aan de kleding van het slachtoffer weliswaar niet is onderbouwd, doch de rechtbank acht het begrijpelijk en redelijk dat het slachtoffer niet meer met deze kleding wenst te worden geconfronteerd, nog los van de schade die is ontstaan als gevolg van de aangevoerde bloedvlekken.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Gelet op de hiervoor genoemde problematiek van verdachte ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 77l, lid 5, van het Wetboek van Strafrecht te bepalen dat verdachte, indien hij bij aanvang van de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77m, 77n, 77p, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: Medeplegen poging tot zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 76 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht niet ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens jeugdreclassering, ook voor zover dat inhoudt deelname aan IOG of een andere vorm van gezinsondersteuning;

* dat verdachte deelneemt aan TOPs! Onderwijs;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen jeugdreclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 75 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 38 dagen;

- bepaalt dat verdachte bij omzetting van de werkstraf in het geval hij op dat moment de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie overeenkomstig artikel 77p, lid 4, van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.305,76, waarvan € 305,76 ter zake van materiële schade en € 1.000,= ter zake van immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. (BP.20)

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 1.305,76 te betalen en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 26 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04C)

- bepaalt dat verdachte indien hij bij aanvang van de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie overeenkomstig artikel 77l, lid 5, van het Wetboek van Strafrecht;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kouwenhoven, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Scheij en mr. Bogaert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Tafazzul en Verhulst-Langer, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 juni 2013.

Griffier Verhulst-Langer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 19 januari 2013 te Oosterhout ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen,

althans eenmaal

-die [slachtoffer] in en/of op het gezicht en/of op/tegen het(achter)hoofd heeft

geslagen en/of gestompt en/of

-die [slachtoffer] heeft geduwd en/of tegen het lichaam heeft getrapt en/of

-die [slachtoffer] heeft besprongen (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of

(vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag

-die [slachtoffer] in het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of tegen het

lichaam heeft getrapt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 302 jo 45

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 januari 2013 te Oosterhout met een ander of anderen, op

of aan de openbare weg, te weten in de Klappeijstraat, in elk geval op of aan

een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer]

, welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal

-stompen en/of slaan in het gezicht en/of op/tegen het hoofd, althans het

lichaam en/of

- duwen en/of schoppen/trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

-bespringen van die [slachtoffer] (waardoor deze [slachtoffer] ten val kwam) en/of

(vervolgens) terwijl deze [slachtoffer] op de grond ligt

-schoppen en/of trappen en/of stompen en/of slaan in/op/tegen het gezicht

en/of het hoofd en/of het lichaam;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL203M 2013014170 van politie Midden- en West-Brabant, district Bergen op Zoom opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 309. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 26 en 27 van voornoemd eind-proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 28 en 29 van voornoemd eind-proces-verbaal.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 50 van voornoemd eind-proces-verbaal.

4 de eigen waarneming van de rechtbank gedaan ter zitting van 11 juni 2013.

5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], pagina’s 170, 172, 173 en 174 van voornoemd eind-proces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina’s 180 en 181 van voornoemd eind-proces-verbaal.

7 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], pagina 118 van voornoemd eind-proces-verbaal.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina 181 van voornoemd eind-proces-verbaal.