Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:5595

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
09-08-2013
Zaaknummer
AWB-13_124
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:2289, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft de inkomsten uit hennepteelt niet verantwoord in zijn aangifte inkomstenbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, wat leidt tot omkering van de bewijslast. De inspecteur is uitgegaan van een redelijke schatting. Hij is niet gehouden aan het oordeel van de rechter in de ontnemingsprocedure. In beroep concludeert de inspecteur tot vermindering van de navorderingsaanslag. In zoverre is het beroep gegrond. Ten onrechte is rekening gehouden met het bedrag van de ontnemingsvordering, nu dit pas aftrekbaar is in het jaar van betaling. De rechtbank acht een boete van 50% passend en geboden, rekening houdend met de vaststelling van de navorderingsaanslag met omkering van de bewijslast en de financiële draagkracht van belanghebbende. Van dubbele bestraffing is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1849
FutD 2013-2059
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/124

uitspraak van 19 juni 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 6 december 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2008 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 80.212 (aanslagnummer [nummer].H.87) en de gelijktijdig bij beschikkingen vastgestelde vergrijpboete en heffingsrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2013 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Eindhoven, en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.200;

  • -

    vermindert de boetebeschikking dienovereenkomstig;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.179;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.225. De daarover verschuldigde belasting bedraagt € 2.616. In de aangifte zijn geen inkomsten uit hennepteelt opgenomen.

2.2.

Op 13 januari 2009 is door de politie Brabant Zuid-Oost in het door belanghebbende gehuurde pand [adres] te [plaats X] een hennepkwekerij aangetroffen. Uit het proces-verbaal blijkt dat er in totaal 254 hennepplanten zijn aangetroffen. Verder blijkt uit het proces-verbaal dat belanghebbende heeft verklaard dat er één eerdere oogst is geweest.

2.3.

Van belanghebbende is € 5.338 aan wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen. Dit voordeel is berekend op basis van de verklaringen van belanghebbende dat er een eerdere oogst is geweest van 2,1 kg en dat belanghebbende voor de henneptoppen die tijdens de doorzoeking van de woning zijn aangetroffen ongeveer € 3.300 per kg zou ontvangen. Het voorgaande leidt tot een opbrengst van € 6.930, waarvoor, in totaal, € 1.592 aan kosten in aanmerking zijn genomen. Tevens is belanghebbende veroordeeld tot een taakstraf van 130 uren. Belanghebbende heeft aan [A BV] een vergoeding voor de geleden schade betaald van € 3.616,66.

2.4.

Op 1 november 2011 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Onderzocht is of, en zo ja, hoeveel inkomsten er door belanghebbende zijn gegenereerd op grond van een overtreding van artikel 3 van de Opiumwet. Tevens is onderzocht of de inkomsten kunnen worden belast op grond van artikel 3.90 van de Wet IB 2001. Uitgaande van twee oogsten, heeft de inspecteur het behaalde resultaat uit overige werkzaamheden over de periode van 1 augustus 2008 tot en met 13 januari 2009 berekend op 254 planten maal 28,2 gram per plant maal een gramprijs van € 3,28 maal 2 oogsten is € 46.987. Naar aanleiding daarvan is een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 80.212. Tegelijkertijd is bij beschikkingen een vergrijpboete van € 11.119 en heffingsrente van € 2.899 vastgesteld.

2.5.

Bij uitspraken op bezwaar is het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd met de ontnemingsvordering van € 5.338 en nader vastgesteld op € 74.874. De boete is daarbij verminderd tot € 10.130 en de heffingsrente tot € 2.539.

2.6.

In geschil is of de navorderingsaanslag, de boete en de heffingsrente terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd dan wel vastgesteld.

Met betrekking tot de navorderingsaanslag

2.7.

Artikel 25, derde lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang dat, indien niet de vereiste aangifte is gedaan, bij de uitspraak op bezwaar de belastingaanslag wordt gehandhaafd, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de belastingaanslag onjuist is (verschuiving en verzwaring van de bewijslast). Een soortgelijke bepaling is voor de beroepsfase neergelegd in artikel 27e van de AWR. Hierin is bepaald dat indien niet aan de hiervoor genoemde verplichting is voldaan, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

2.8.

Voor de inkomstenbelasting geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte

slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting (vergelijk Hoge Raad 23 april 1986, nr. 23374, BNB 1986/276). Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (vergelijk Hoge Raad 20 mei 1987, nr. 23840, BNB 1987/208). Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (vergelijk Hoge Raad 11 april 2003, nr. 36822, LJN AE3220, BNB 2003/264).

2.9.

De inspecteur stelt dat het resultaat van de hennepteelt € 16.975 bedraagt, zijnde 254 planten maal 28,2 gram per plant maal een gramprijs van € 2,37. Het aantal gram per plant en de gramprijs zijn gebaseerd op het BOOM-rapport. Gelet op de schatting van de inspecteur heeft belanghebbende ten onrechte € 16.975 aan inkomsten uit werk en woning niet aangegeven. De werkelijk verschuldigde belasting bedraagt € 9.745, wat leidt tot een bedrag aan ten onrechte niet geheven belasting van € 9.745 min € 2.616 is € 7.129. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende over het onderhavige jaar niet de vereiste aangifte heeft gedaan, aangezien de ten onrechte niet geheven belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk is. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur mocht uitgaan van 254 planten, aangezien de op 13 januari 2009 bij belanghebbende aangetroffen kwekerij ook uit 254 planten bestond.

2.10.

Gelet op het vorenstaande dient belanghebbende te doen blijken dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Daar acht de rechtbank belanghebbende niet in geslaagd. Belanghebbende stelt dat uitgegaan dient te worden van het bedrag van de ontnemingsvordering. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie in de ontnemingsprocedure tot een bepaalde schatting van het voordeel is gekomen, brengt nog niet mee dat belanghebbende daarmee heeft doen blijken dat de schatting van de inkomsten op een hoger bedrag onjuist is. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de inspecteur er vanuit gaan dat bij de eerdere oogst ook twee kamers in gebruik waren. De enkele verklaring van belanghebbende dat bij de eerdere oogst slechts één kamer in gebruik was, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te doen blijken dat de inspecteur ten onrechte is uitgegaan van één kamer.

2.11.

In geval van omkering van de bewijslast dient de navorderingsaanslag wel te berusten op een redelijke schatting. De rechtbank stelt voorop dat er geen rechtsregel is die de inspecteur verplicht zich bij het opleggen van de aanslag aan te sluiten bij standpunten of oordelen betreffende een strafrechtelijke procedure en dat de omstandigheid dat het Openbaar ministerie en de rechter in de ontnemingsprocedure tot bepaalde schattingen van het voordeel is gekomen nog niet meebrengt dat belanghebbende daarmee heeft doen blijken dat de schatting van de inkomsten op een hoger bedrag onjuist is (vergelijk: Hoge Raad 27 april 2012, nr. 11/02847, LJN: BW4122).


2.12. De rechtbank acht de schatting van de inkomsten uit hennepteelt niet onredelijk. De rechtbank acht hierbij van belang dat de inspecteur is uitgegaan van het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, waarin wordt uitgegaan van de uitkomsten in de rapportage “Wederrechtelijk Verkregen Voordeel Hennepkwekerij bij Binnenteelt onder Kunstlicht”. Deze gegevens zijn gebaseerd op ervaringscijfers.

2.13.

Belanghebbende stelt dat de vaststelling van de ontnemingsvordering door de politierechter redelijk is en dat de inspecteur deze dient te volgen. De rechtbank overweegt dat geen rechtsregel de inspecteur ertoe verplicht zich bij zijn schatting aan te sluiten bij het oordeel van de rechter in de ontnemingsprocedure (vergelijk Hoge Raad 27 april 2012, nr. 11/02847, LJN: BW4122).

2.14.

Belanghebbende stelt verder dat nog rekening gehouden moet worden met de kosten die belanghebbende heeft gemaakt. Op grond van artikel 3.14, lid 1, aanhef en onderdeel d van de Wet IB 2001 komen bij het bepalen van de winst niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige door een Nederlandse strafrechter bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld. De door belanghebbende genoemde kosten komen derhalve niet voor aftrek in aanmerking.

2.15.

De inspecteur heeft in zijn verweerschrift gesteld dat het resultaat uit overige werkzaamheden te hoog is vastgesteld. De inspecteur concludeert derhalve tot vermindering van de navorderingsaanslag. In zoverre is het beroep gegrond. Verder stelt de inspecteur dat in de uitspraken op bezwaar ten onrechte rekening is gehouden met de ontnemingsvordering, nu deze pas op 15 december 2009 is ingesteld. De inspecteur beroept zich op interne compensatie en concludeert tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.225 plus € 16.975 is € 50.200.

2.16.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht gesteld dat in de uitspraken op bezwaar ten onrechte rekening is gehouden met het door belanghebbende terug betaalde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van € 5.338, nu dit bedrag pas aftrekbaar is in het jaar van betaling. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het resultaat uit overige werkzaamheden gesteld dient te worden op € 16.975, zodat het belastbaar inkomen uit werk en woning € 50.200 bedraagt.

Met betrekking tot de vergrijpboete

2.17.

Op grond van artikel 67e van de AWR kan de inspecteur, indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, een boete opleggen van 100% van het bedrag van de navorderingsaanslag.

2.18.

Nu sprake is van verzwegen inkomsten en de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende deze inkomsten niet heeft aangegeven om daarover geen belasting te betalen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van opzet.

2.19.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat geen boete kan worden opgelegd omdat hij strafrechtelijk reeds is veroordeeld en bij de boeteoplegging dus sprake is van dubbele bestraffing. De rechtbank verwerpt deze stelling, nu belanghebbende is veroordeeld voor het telen van hennep, terwijl de opgelegde boete ziet op het opzettelijk verzwijgen van aan de heffing onderworpen inkomsten. Van een dubbele beboeting van hetzelfde feit of dezelfde gedraging is aldus geen sprake.

2.20.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 januari 2008, nr. 41.832, LJN: BC1962, overwogen dat bij de beoordeling of een boete passend en geboden is rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat de boete is vastgesteld met omkering van de bewijslast. Dit betekent niet dat toepassing van omkering van de bewijslast in alle gevallen leidt tot matiging van de boete.

2.21.

Op grond van paragraaf 7, lid 5 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst kan rekening worden gehouden met de financiële omstandigheden van belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete.

2.22.

Naar het oordeel van de rechtbank is een boete van uiteindelijk 50% van het bedrag van de navorderingsaanslag, rekening houdend met de vaststelling van de navorderingsaanslag met omkering van de bewijslast en de financiële draagkracht van belanghebbende, op grond van het vorenoverwogene, passend en geboden. Gelet op hetgeen in 2.15 is overwogen, dient de boete overeenkomstig de vermindering van de navorderingsaanslag te worden verminderd.

Met betrekking tot de heffingsrente

2.23.

De rechtbank is van oordeel dat de heffingsrente is berekend met inachtneming van het bepaalde in artikel 30f van de AWR. Gelet op hetgeen in 2.15 is overwogen, dient de beschikking heffingsrente echter dienovereenkomstig te worden verminderd.

Slot

2.24.

Gelet op hetgeen in 2.15 is overwogen is het beroep gegrond verklaard.

2.25.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.179 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 235, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1). Overige kosten die op basis van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen zijn gesteld noch aannemelijk geworden.

Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2013 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 1 juli 2013

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.