Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:5456

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
19-07-2013
Zaaknummer
264938 HA RK 13-148
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking in strafzaak met parketnr. 994532-10 is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

Procedurenummer: 264938 HA RK 13-148

Beslissing van 11 juni 2013 inzake het wrakingsverzoek, ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats] ([land]),

verzoeker,

raadsman: mr. P.J. Hoogendam, advocaat te ’s-Gravenhage.

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de economische politierechter;

  • -

    het wrakingsverzoek zoals dit blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van verzoeker bij de economische politierechter van 13 mei 2013 (hierna: de terechtzitting);

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 7 juni 2013;

  • -

    de bij die behandeling namens verzoeker overgelegde pleitnota.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. G.J.J.M. Pick als economische politierechter (hierna: de economische politierechter) in de strafzaak tegen verzoeker, met parketnummer 02-994532-10. De economische politierechter berust niet in het verzoek tot zijn wraking.

2.2.

Verzoeker is niet in persoon verschenen. Wel zijn verschenen zijn raadsman, mr. P.J. Hoogendam (hierna: de raadsman), de economische politierechter en de Officier van Justitie (hierna: OvJ), mr. T.C.M. Hendriks.

3 Feiten

3.1.

In de strafzaak wordt verzoeker ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer runderen in de handel heeft gebracht, waaraan op enigerlei wijze een stof of stoffen, namelijk testosteronphenylpropiaat en/of testosteroncypionaat en/of testosterondecanoaat, was/waren toegediend. Subsidiair wordt hem ten laste gelegd, dat hij tot die verboden gedraging(en) opdracht, dan wel daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

3.2.

In de strafzaak heeft de toenmalige economische politierechter, niet zijnde mr. Pick, ter zitting van 18 juni 2012, op verzoek van de verdediging (onder meer) bepaald dat, voorafgaande aan de voortzetting van de behandeling ter zitting, de OvJ ervoor zorg moet dragen dat de zogeheten SOP A1025-richtlijn aan de stukken wordt toegevoegd om het mogelijk te maken daarover gerichte vragen te stellen.

3.3.

Bij brief van 5 september 2012 heeft de directeur van het onderzoeksinstituut RIKILT in Wageningen het openbaar ministerie als volgt bericht:

“RIKILT is terughoudend in het verstrekken van de SOP A1025, omdat de bewuste SOP informatie bevat aangaande het opsporings- en handhavingsbeleid van de NVWA: in deze SOP is nl. opgesomd welke (verboden) stoffen met de omschreven methode kunnen worden opgespoord. Openbaarmaking van de SOP zou de uitoefening van de toezichthoudende taak van de NVWA en de opsporing van strafbare feiten derhalve kunnen frustreren (informatie uit deze SOP geeft kwaadwillenden een exact inzicht in de reikwijdte van wat RIKILT en in het verlengde daarvan de NVWA wel en niet kunnen meten, waarop vervolgens kan worden geanticipeerd bij illegaal handelen).

Daarnaast is het zo dat het hier een geaccrediteerde SOP betreft. Geaccrediteerde SOP’s zijn reeds onafhankelijk beoordeeld en goedgekeurd door de door de overheid hiervoor aangewezen Raad van Accreditatie (RvA). Op grond van de accreditatie is de overheid volgens Europese en nationale wetgeving- en regelgeving verzekerd van een passend kwaliteitsniveau hetgeen derhalve niet nogmaals door de overheid behoeft te worden getoetst.

Bovenstaande redenen zijn voor RIKILT aanleiding om de genoemde SOP niet te verstrekken. RIKILT ziet wel de volgende alternatieve mogelijkheden:

- Een deskundige medewerker van RIKILT kan toelichting geven op schriftelijke of mondelinge vragen gesteld door de rechter of de verdediging over de in de SOP omschreven methode.

- U kunt de Raad van Accreditatie verzoeken om (opnieuw) een onafhankelijke deskundige aan te wijzen die deze specifieke SOP kan inzien, beoordelen en eventuele vragen van de rechter of de verdediging daaromtrent kan beantwoorden.”

3.4.

Ter voortgezette behandeling van de zaak door de economische politierechter op 5 november 2013 heeft de verdediging van verzoeker volhard in het verzoek de SOP 1025-richtlijn aan het dossier toe te voegen. Nadat de op die zitting verschenen getuige-deskundige Lasaroms (werkzaam bij RIKILT) is gehoord, heeft de economische politierechter het onderzoek ter zitting, mede op verzoek van de verdediging, voor onbepaalde tijd geschorst en de stukken in handen gesteld van de OvJ om de meetresultaten van de CCa-waarden aan het dossier te laten toevoegen.

3.5.

Bij brief van 28 maart 2013 heeft de directeur van RIKILT het openbaar ministerie bericht dat hij het volledige validatierapport van de toegepaste methode evenmin kan overhandigen, waarvoor hij heeft verwezen naar de argumenten als genoemd in de brief van 5 september 2012. Ten aanzien van de tevens gewenste analyserapporten deelt hij mee dat deze kunnen worden opgevraagd via de NVWA, die opdracht heeft gegeven voor het onderzoek. Wat betreft de waarde voor CCa deelt hij mee, dat er op basis van de meetgegevens slechts een indicatieve schatting kan worden gemaakt van het gehalte aan hormoonesters aanwezig in de haarmonsters, maar dat toetsing aan de waarde voor CCa wel mogelijk is. Voor deze geschatte gehalten verwijst hij naar een bijgevoegde tabel.

3.6.

Ter voortgezette behandeling van de zaak op 13 mei 2013 heeft de economische politierechter, nadat de verdediging en de OvJ hun standpunten over de noodzaak van toevoeging van de SOP 1025-richtlijn hebben kenbaar gemaakt, na beraadslaging beslist dat het openbaar ministerie de gevraagde SOP A1025-richtlijn niet ter beschikking hoeft te stellen. Hij heeft die beslissing als volgt gemotiveerd:

“De raadsman van verdachte vraagt bij herhaling om de SOP A1025. RIKILT verstrekt deze niet omdat daarmee in de toekomst het opsporingsbeleid kan worden gebrouilleerd. Ik merk op dat de economische politierechter op de zitting van 18 juni 2012 heeft beslist dat de SOPA1025 aan de stukken moest worden toegevoegd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 juni 2012 maak ik op dat de economische politierechter die dat besluit nam niet wist dat het RIKILT ernstige bezwaren tegen die verstrekking heeft. Ik word met een nieuwe situatie geconfronteerd. RIKILT maakt bezwaar tegen verstrekking. Dit bedrijf is Europees geaccrediteerd. RIKILT heeft aangeboden om een derde naar de onderzoeken te laten kijken om te zien of de procedure goed is gevolgd. Dit aanbod accepteerde de verdediging niet. Een contra-expertise is niet door de verdediging geaccepteerd. Het algemeen belang en verdedigingsbelang tegen elkaar afwegende prevaleert voor mij het algemeen belang. De verdediging heeft de aangeboden alternatieven niet geaccepteerd.”

3.7.

De raadsman heeft hierop (na schorsing van de behandeling ter terechtzitting) de economische politierechter namens verzoeker gewraakt. Hij heeft daartoe aangevoerd:

  • -

    dat de gehanteerde onderzoeksmethode niet goed is, omdat sprake kan zijn van contaminatie;

  • -

    dat de getuige-deskundige Lasaroms van RIKILT antwoorden heeft gegeven op aan hem gestelde vragen, waarbij is gesproken over de SOP A1025-richtlijnen;

  • -

    dat ter terechtzitting van 18 juni 2012 de toen zittende economische politierechter heeft beslist dat die richtlijnen aan de stukken moeten worden toegevoegd;

  • -

    dat echter thans de (huidige) economische politierechter op die beslissing is teruggekomen, omdat RIKILT op grond van opsporingstechnische redenen terughoudend is in de verstrekking van die richtlijnen, welke redenering de verdediging niet begrijpt;

  • -

    dat de alternatieven die door RIKILT zijn geboden en de mogelijkheid van een contra-expertise onvoldoende zijn;

  • -

    dat het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in haar uitspraak van 27 augustus 2009 (LJN: BJ6704) immers als elementair beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft overwogen dat de verdediging recht heeft op die stukken, die als basis dienen (in het onderhavige geval de richtlijnen die dienen bij de monsterneming en de analyse);

  • -

    dat door de beslissing van de economische politierechter door de verdediging niet valt te toetsen hoe een en ander bij de AID en RIKILT is verlopen; dat die toetsing daarmee buiten spel is gezet en dat ook de verdediging zich buiten spel voelt gezet;

  • -

    dat met die beslissing de economische politierechter een standpunt heeft ingenomen dat de partijdigheid en vooringenomenheid raakt;

  • -

    dat de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering door die beslissing niet zijn te beantwoorden en dat de economische politierechter door die beslissing partijdigheid heeft getoond.

4 Standpunten partijen

4.1.

Bij gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek heeft de raadsman van verzoeker dit nog als volgt toegelicht:

Samengevat stelt de raadsman zich op het standpunt dat uit jurisprudentie blijkt dat de SOP A1025 richtlijnen tot de processtukken zouden moeten behoren en dat ook niet meer kan worden teruggekomen op de beslissing om die richtlijnen aan de stukken te laten toevoegen. Voorts is niet duidelijk dat op geen enkele wijze tot het verstrekken van de richtlijnen kan worden overgegaan. Alleen al hierom is het oordeel van de economische politierechter, dat het algemeen belang zwaarder dient te wegen dan het individueel belang, onjuist en onvoldoende en onbegrijpelijk gemotiveerd.

Verder kan het door de economische politierechter aan zijn beslissing mede ten grondslag gelegde argument dat de verdediging alternatieven zou hebben, zoals een contra-expertise of het horen van een deskundige, die beslissing niet dragen.

Op grond van dit alles is de beslissing van de economische politierechter om de SOP A1025 richtlijnen niet te verstrekken niet alleen evident onjuist, maar ook onbegrijpelijk, wat maakt dat er een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid bestaat.

4.2.

De economische politierechter heeft aangevoerd:

Een voorgaande economische politierechter heeft inderdaad beslist dat de SOP A1025 richtlijnen aan de verdediging verstrekt moesten worden. RIKILT heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat dit voor de opsporingsmethodiek tot gevolg kan hebben dat verboden middelen in het vervolg worden gemaskeerd. Ik heb dit algemene belang afgewogen tegen het belang van verzoeker. Ik heb daarbij in aanmerking genomen dat RIKILT is gecertificeerd en voor haar onderzoeken aan normen moet voldoen. RIKILT heeft aangeboden het onderzoek toe te lichten, waartoe de deskundige Lasaroms ter zitting aanwezig was, die onder meer heeft verklaard dat van contaminatie, zoals de verdediging veronderstelt, geen sprake is geweest. Daarnaast bestond er voor verzoeker de mogelijkheid van een contra-expertise, waarvan hij geen gebruik wenst te maken.

Verder bestaat er geen enkele aanwijzing, dat er in het onderzoek iets is misgegaan.

Dit alles in aanmerking genomen, ben ik tot de conclusie gekomen dat het algemene belang dient te prevaleren. Ik betwist dat ik hiermee blijk zou hebben gegeven van vooringenomenheid, dan wel de schijn daartoe heb gewekt. Andere verzoeken van de verdediging zijn wel ingewilligd. Het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

4.3.

Volgens de OvJ is sprake van een weloverwogen, goed gemotiveerde, processuele beslissing met een uitsluitend zakelijk karakter. Enige vooringenomenheid kan daaruit volgens hem niet worden afgeleid. Hij concludeert eveneens tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

5 Motivering

5.1.

Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2.

Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt dient, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3.

Verzoeker komt met zijn wrakingsverzoek in beginsel op tegen een hem niet welgevallige processuele beslissing. Daarbij heeft te gelden dat een dergelijke beslissing geen gerechtvaardigde grond kan opleveren voor wraking, tenzij deze dermate onbegrijpelijk is, dat daaruit, naar objectieve maatstaven gemeten, een vooringenomenheid van de rechter volgt.

5.4.

De omstandigheid dat de economische politierechter rechter met zijn beslissing ten aanzien van de door de verdediging van verzoeker gewenste onderzoeksrichtlijnen is teruggekomen op een eerdere beslissing van een destijds met de behandeling van de zaak belaste collega, noch de aan de aan die beslissing ten grondslag gelegde redenen, maken, anders dan de verdediging van verzoeker betoogt, die beslissing onbegrijpelijk.

5.5.

De economische politierechter zag zich, in tegenstelling tot zijn collega, geconfronteerd met bezwaren van de zijde van het RIKILT tegen de verstrekking van de richtlijnen, wat hem tot een afweging van de betrokken belangen noopte.

5.6.

Anders dan verzoeker aanvoert, heeft de economische politierechter met die belangenafweging geen blijk gegeven van partijdigheid of vooringenomenheid, dan wel daartoe een gerechtvaardigde objectieve schijn gewekt. Met zijn beslissing is hij niet vooruitgelopen op zijn oordeel over de zaak. Dat die belangenafweging mogelijk onjuist zou zijn, zoals door de raadsman kennelijk wordt gesteld, staat in de wrakingsprocedure niet ter beoordeling. Verzoeker is daarvoor aangewezen op daartegen openstaande (andere) rechtsmiddelen.

5.7.

De namens verzoeker ter adstructie van zijn verzoek aangehaalde jurisprudentie ziet op situaties waarin andere omstandigheden een rol spelen en hebben derhalve niet de betekenis die verzoeker daaraan gehecht wil zien.

5.8.

Dit alles leidt ertoe dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de behandeling van de strafzaak met parketnummer 02-994532-10 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gedaan op 11 juni 2013, door mr. Th. Peters, voorzitter, mr. D. van Kralingen en mr. B.J. Duinhof, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.