Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:5047

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-07-2013
Datum publicatie
08-07-2013
Zaaknummer
02/810674-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:4029, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verdachte wordt veroordeeld voor moord op zijn schoonzoon; 15 jaar gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 810674-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juli 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte] [achternaam]

geboren op[geboortedag 1] te[geboorteplaats]

gedetineerd in het Huis van Bewaring Grave te Grave

raadsman mr. Urcun, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juni 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Smale, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte[slachtoffer] heeft vermoord, dan wel dat hij hem opzettelijk heeft gedood.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe is aangevoerd dat, kort samengevat, de rapporten die zijn uitgebracht door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) en het Forensic Radiology Consultancy (door de verdediging aangeduid als MUMC) tegenstrijdigheden bevatten. Om die reden kan het niet anders zijn dan dat in ieder geval een van deze twee instanties een grove fout moet hebben gemaakt. Hier is geen nader onderzoek naar gedaan, hetgeen volgens de verdediging niet meer te herstellen is. Verdachte kan zich niet verdedigen tegen een incompleet dossier hetgeen naar de opvatting van de verdediging dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen wanneer sprake is van een doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van een verdachte, niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan volgen. De officier van justitie is van mening dat hiervan in de onderhavige zaak geen sprake is, temeer nu de verdediging de mogelijkheid heeft gehad de desbetreffende deskundigen te (laten) horen, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt.

De rechtbank leest in het rapport van het NFI dat bij het slachtoffer,[slachtoffer], sprake is van 6 inschotopeningen aan de rechterzijde van het lichaam. Daarnaast zijn 2 uitschotopeningen aan de linkerzijde aangetroffen. Verder zijn er 5 kogels en 4 kogelfragmenten in het lichaam van[slachtoffer], aangetroffen. Bij sectie op het lichaam van[slachtoffer] is geconcludeerd dat het intreden van de dood zonder meer verklaard wordt door algehele weefselschade door fors bloedverlies en orgaanfunctiestoornissen, opgelopen door meerdere schotletsels.

In het rapport van het MUMC leest de rechtbank dat[slachtoffer] 6 inschotopeningen aan de rechterzijde van het lichaam heeft, waarvan 1 in het hoofd, een doorschot betrof. Daarnaast is sprake van een inschot aan de linkerzijde van het hoofd en een schampschot aan de linkerzijde van het hoofd. Door de radioloog van het MUMC zijn 7 projectiedelen gezien.

Geconcludeerd is dat de doodsoorzaak kan zijn een verbloeding vanuit de letsels in de thorax, letsels van het ruggenmerg of letsels van de hersenen of een combinatie hiervan.

Met de verdediging en de officier van justitie constateert de rechtbank dat er op onderdelen verschillen bestaan tussen de waarnemingen c.q. conclusies van de geraadpleegde deskundigen.
De vraag is of deze verschillen, waar door het openbaar ministerie geen nader onderzoek naar is gedaan, dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, zoals verzocht door de verdediging.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt slechts dan een niet-ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie indien de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (het Zwolsman-criterium).
Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake. Anders dan de verdediging betoogt gaat het hier naar het oordeel van de rechtbank om een waardering van bewijsmiddelen en raakt dit niet de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank deelt ook niet het standpunt van de raadsman dat hierdoor sprake zou zijn van een incompleet dossier, waardoor het niet mogelijk zou zijn op adequate wijze de verdediging te voeren.

De officier van justitie is mitsdien ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte[slachtoffer] heeft gedood. Zij baseert zich daarbij op diverse processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van het lichaam van[slachtoffer] en het vaststellen van de identiteit van die persoon. Bij sectie bleek dat de dood van het slachtoffer zondermeer verklaard kan worden door de gevolgen van meerdere schotletsels. Daarnaast baseert zij zich op diverse rapporten van het NFI en de Unit FTO, waarbij volgens de officier van justitie is vastgesteld dat DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen in de auto op de plaats delict. Op kleding van verdachte is bloed van het slachtoffer aangetroffen. Op de jas van verdachte zijn kruitsporen aangetroffen. Uit telecomgegevens is volgens de officier van justitie vast te stellen dat verdachte en het slachtoffer op vrijdag 3 februari 2012 rond 19.00 uur telefonisch contact hebben gehad en uit onderzoek naar de zendmastgegevens van de telefoon van verdachte is op te maken dat de telefoon van verdachte op voornoemd tijdstip een zendmast aanstraalde die gelegen was nabij de plaats delict.

Ten slotte baseert de officier van justitie zich op tap- en OVC-gesprekken (opnemen vertrouwelijke communicatie).

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat verdachte[slachtoffer] heeft vermoord. Zij baseert zich daarbij op de omstandigheid dat verdachte al enkele weken daarvoor het vuurwapen heeft klaargelegd en dit op de avond van het plegen van het feit vanuit zijn woning heeft meegenomen. De hoeveelheid kogels die op het slachtoffer is afgevuurd, lijkt er op te duiden dat het slachtoffer echt dood moest. De officier van justitie is van mening dat deze omstandigheden duiden op een weloverwogen besluit, welk besluit daarna kalm is uitgevoerd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Verdachte heeft ontkend het feit gepleegd te hebben. Er is voorts sprake van tegenstrijdige bevindingen van deskundigen van het NFI en het MUMC. Deze tegenstrijdige bevindingen, de onduidelijke hoeveelheid kogels en het feit dat op de binnenzijde van het bestuurdersportier en het portierraam slechts sprake is van bloedspatten terwijl een grotere hoeveelheid bloed verwacht mag worden, maken dat het aannemelijk is dat er meerdere daders zijn die verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de dood van[slachtoffer].

De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat de resultaten die zijn verkregen uit het forensisch-technisch onderzoek vanwege de tegenstrijdigheden tussen de rapporten van het NFI en het MUMC, niet gebezigd kunnen worden als bewijsmiddel. Dit gegeven dient er verder toe te leiden dat alle andere bevindingen die uit het forensisch-technisch onderzoek naar voren zijn gekomen als mogelijk onbetrouwbaar niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

Ten aanzien van de aangetroffen handschoen is aangevoerd dat het niet aannemelijk is, gezien de plek waar de handschoen lag, dat de dader de handschoen is vergeten. De handschoen bevat, anders dan de linkermouw van de zwarte jas, geen kruitsporen. Dit kan naar de mening van de verdediging niet kloppen.

Er zijn geen getuigen die iets opvallends hebben waargenomen tussen 19.05 uur en 20.00 uur. Evenmin zijn er getuigen die een schot hebben gehoord tussen die tijdstippen. Het schietincident kan dan ook niet tussen laatstgenoemde tijdstippen hebben plaatsgevonden. Voor de tijd gelegen na 20.00 uur heeft verdachte een alibi; hij was toen met zijn vrouw op bezoek bij de familie[naam]. De door de familie[naam] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen kunnen niet als bewijs worden gebezigd nu die verklaringen op elkaar zijn afgestemd.

Ook de verklaring van de getuige [getuige] kan niet als bewijs meegenomen worden omdat deze getuige verdachte niet voor 100% herkend heeft.

Verder is aangevoerd dat[slachtoffer] een tweede telefoon moet hebben gehad. Hier is geen onderzoek naar gedaan.

Het feit dat de telefoon van verdachte de zendmast bij de Deken Batenburgstraat in Dongen heeft aangestraald, vormt nog geen bewijs dat verdachte daar ook ter plaatse is geweest. Het is slechts een aanwijzing dat het toestel op het moment van aanstralen in de buurt van die zendmast was De mogelijkheid bestaat echter ook dat de telefoon in verband met “overbezetting” van de dichtstbijzijnde zendmast, een andere zendmast heeft gekozen die verder weg was gelegen.

Dat er bloed van[slachtoffer] op de jas van verdachte zit, is verklaarbaar door een bloedneus die [slachtoffer] heeft opgelopen tijdens een incident met zijn zoontje, waarbij ook verdachte aanwezig was. Deze verklaring van verdachte vindt naar de mening van de verdediging steun in diverse verklaringen van familieleden.

Ten aanzien van de aangetroffen kruitsporen op de jas van verdachte is aangevoerd dat deze zijn veroorzaakt toen verdachte in december 2011 in Turkije een schot heeft gelost met het wapen van zijn vader. De resultaten met betrekking tot deze kruitsporen kunnen naar de mening van de verdediging dan ook niet bijdragen tot het bewijs.

Uit OVC-gesprekken tussen verdachte en zijn echtgenote is niet gebleken van een bekentenis van verdachte. Ook blijkt van geen enkele emotie aan de zijde van de echtgenote. Dit strookt niet met een 8 jaar eerder gedane aangifte door de echtgenote tegen haar man. Hetgeen de echtgenote op 11 mei 2012 tegen haar kinderen heeft gezegd, klopt gewoon niet. Verder is het onmogelijk dat zij gezien heeft dat verdachte bloed op zijn handen had.

Er dient voorzichtig te worden omgegaan met wat de echtgenote heeft verteld. De verdediging heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat sprake is van een samenzwering tussen de echtgenote en [naam] en dat de echtgenote zou worden opgejut door [naam].

Ten aanzien van de OVC-gesprekken is nog aangevoerd dat geen machtiging van de rechter-commissaris met betrekking tot de OVC-gesprekken in het dossier is aangetroffen. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van alle OVC-gesprekken.

De verdediging stelt zich ten slotte op het standpunt dat moord niet bewezen kan worden. Er zijn geen camerabeelden waarop personen te zien zijn die planmatig hebben gehandeld en waaruit afgeleid zou moeten worden dat het hier om voorbedachten rade gaat. Er zijn evenmin telefoongesprekken en OVC-gesprekken waaruit zou kunnen blijken dat meerdere personen of één persoon voornemens waren/was om[slachtoffer] van het leven te beroven.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op zaterdag 4 februari 2012 omstreeks 00.25 uur troffen verbalisanten op het parkeerterrein van zwembad De Vennen in Dongen in een auto het lichaam aan van een man2. De man had bloed in zijn gezicht en voelde koud en hard aan. Achter zijn linkeroor had de man een hoofdwond. Ook werden in de auto een aantal hulzen aangetroffen3. De auto waarin de man onderuitgezakt lag, stond op naam van [naam 5] [achternaam], wonende te [adres 1]. Op dit adres stond ook[slachtoffer], geboren op [geboortedag 2] ingeschreven4. Het stoffelijk overschot is door [naam 5] [achternaam] en [naam 6] geïdentificeerd als dat van[slachtoffer]5.

Bij sectie aan het lichaam van[slachtoffer] door het NFI werden tekenen van meervoudig doorgemaakt uitwendig mechanisch perforerend geweld waargenomen, passend bij 6 inschoten, welke eindigde in 5 kogels en 4 kogelfragmenten6. Alle inschotopeningen bevonden zich aan de rechterzijde van het lichaam. De letsels waren, gezien de begeleidende bloeduitstortingen, alle bij leven ontstaan. In relatie met alle schotkanalen, behoudens schotkanaal H, waren vitale structuren geraakt en in relatie met schotkanaal H was er ook inademing van bloed.

Alle schotkanalen hebben geleid tot bloedverlies, perforatie van meerdere vitale organen (linkerlong, hersenen, rechter halsslagader, lever en wervelkolom). Het intreden van de dood wordt zonder meer verklaard door de daardoor opgelopen algehele weefselschade door fors bloedverlies en orgaanfunctiestoornissen.

Daarnaast is radiologisch onderzoek verricht door Forensic Radiology Consultancy.
De radioloog geeft in zijn rapport aan dat sprake is van 8 inschotverwondingen, waarvan er 1 zich aan de linkerzijde van het hoofd bevindt en 1 schampschot aan de linkerzijde van het hoofd. De rechtbank stelt vast dat de rapporten voor het overige overeenkomen. De radioloog concludeert dat er in totaal 3 trajecten door het hoofd te zien zijn, 3 door de hals en 2 door de thorax en abdomen. Er zijn 7 projectielen gezien. De doodsoorzaak kan naar de mening van de radioloog een verbloeding zijn vanuit de letsels in de thorax, de letsels van het ruggenmerg of de letsels van de hersenen of een combinatie hiervan.


De rechtbank stelt voorop dat de verdediging terecht wijst op deze opmerkelijke verschillen in de hiervoor aangehaalde rapporten.

Anders dan de verdediging is de rechtbank echter niet van oordeel dat deze verschillen ertoe moeten leiden dat de beide rapporten niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs dat[slachtoffer] is overleden als gevolg van inschotverwondingen met als gevolg bloedverlies. De beide rapporten zijn op dat punt immers eensluidend en ook overigens helder onderbouwd.

Van verdachte en zijn echtgenote [naam echtgenote] zijn de telecomgegevens onderzocht7.

Op 3 februari 2012 heeft [naam echtgenote] om 18.51 uur uitgebeld naar het nummer

[telefoonnummer] Ter zitting heeft verdachte verklaard dat dit zijn gsm-nummer is8. Dit vormt een sterke aanwijzing dat verdachte en zijn echtgenote toen niet samen thuis waren zoals verdachte in eerste instantie heeft verklaard bij de politie. Door [naam echtgenote] is immers verklaard dat zij op die dag omstreeks 18.00 uur thuis tabletten heeft ingenomen, in slaap is gevallen en om 19.30 uur met haar zoon[naam zoon] boodschappen is gaan doen9. Als verdachte in die tijdspanne bij haar in de woning geweest zou zijn, had zij hem niet behoeven te bellen op zijn gsm.

Daarnaast is bij onderzoek naar de zendmastgegevens vastgesteld dat om 18.52 uur (derhalve 1 minuut nadat verdachte is gebeld door zijn echtgenote) de gsm van verdachte de zendmast heeft aangestraald aan de Hoge Ham in Dongen, niet vanuit de richting van zijn woonadres aan de [straatnaam] maar vanuit de richting van De Vennen, zijnde de plaats delict. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij[slachtoffer] die avond 3 keer telefonisch heeft gesproken.10 Uit het telecomonderzoek11 blijkt dat verdachte om 18.58 uur heeft uitgebeld naar[slachtoffer]. Om 19.00 uur werd verdachte gebeld door[slachtoffer] waarna verdachte hem om 19.05 uur weer heeft teruggebeld. De gsm van verdachte straalde op deze drie tijdstippen de zendmast aan aan de[adres 3]. Deze zendmast is gelegen aan de plaats delict, te weten de parkeerplaats van zwembad De Vennen, zijnde de plaats waar het dode lichaam van[slachtoffer] achter het stuur in de auto is aangetroffen.

Door de verdediging is terecht opgemerkt dat uit het feit dat de telefoon van verdachte de zendmast bij de [adres 3] heeft aangestraald, niet per definitie volgt dat verdachte op die tijdstippen op de parkeerplaats van het zwembad is geweest of dat de zendmast op de [adres 3] op dat moment de ten opzichte van zijn telefoon dichtstbijzijnde zendmast is geweest. De rechtbank ziet in deze omstandigheid echter wel een aanwijzing die meeweegt in haar uiteindelijke oordeel dat verdachte op dat moment wel degelijk op de plaats delict is geweest.

Door de Unit Forensisch Technisch Onderzoek is uitgebreid onderzoek verricht.[slachtoffer]

werd aangetroffen in een personenauto. Op de rechterhand van het slachtoffer lag een bruine, gevoerde linkerhandschoen12. De in het voertuig aangetroffen hulzen betroffen hulzen van het kaliber 7.65 millimeter. Gezien de plaats van de verwondingen op het lichaam van het slachtoffer, alsmede bloedspatten op de binnenzijde van het bestuurdersportier kan worden geconcludeerd dat er voorin het voertuig vanaf de passagiersstoel in de richting van het slachtoffer is geschoten. Dit verklaart de inschotverwondingen aan de rechterzijde van het lichaam van[slachtoffer].

De op de hand van[slachtoffer] aangetroffen handschoen is door het NFI onderzocht op de aanwezigheid van DNA-materiaal13. Het bloedspoor aan de buitenzijde van de handschoen is afkomstig van[slachtoffer]. Bemonstering van celmateriaal van de binnenzijde van de handschoen heeft geresulteerd in de vaststelling dat deze afkomstig in van “onbekende man A”.

Op 24 april 2012 heeft het NFI bericht dat geconstateerd is dat 2 DNA-profielen niet met elkaar matchen. Dit betreffen de DNA-profielen van [naam 5] [achternaam] en de “onbekende man A”. Vastgesteld is evenwel dat er sprake kan zijn van een mogelijke ouder-kind verwantschap tussen [naam 5] [achternaam] en de “onbekende man A”. Nadat ook bij verdachte celmateriaal is afgenomen, is bij onderzoek door het NFI vastgesteld dat het DNA-profiel van verdachte matcht met het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering van de binnenzijde van de handschoen14. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man met dit DNA-profiel matcht, is kleiner dan 1 op 1 miljard.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de handschoen die op de hand van[slachtoffer] is aangetroffen, is gedragen dan wel aangeraakt door verdachte.

Op de slaapkamer in de woning van verdachte is onder meer een zwarte jas van het merk DL & Delpino aangetroffen. Ter zitting is verdachte een foto getoond van deze jas. Verdachte heeft verklaard dat dit zijn jas is15. Deze jas is in beslag genomen en onderzocht door het NFI.

Bij schotrestenonderzoek zijn delen van de mouwen van de jas bemonsterd. Op de mouwen van de jas zijn 32 zogenoemde categorie A deeltjes aangetroffen16. Met het aantreffen van categorie A deeltjes wordt een vrijwel zekere relatie aangetoond met een schietproces.

Op dezelfde zwarte jas van verdachte zijn voorts bloedsporen aangetroffen. Bij onderzoek naar deze bloedsporen zijn referentiemonsters van onder meer verdachte en[slachtoffer] betrokken. De bloedsporen op deze jas zijn aangetroffen ter hoogte van de linkerborst, ter hoogte van de linkerelleboog en ter hoogte van de linkeroksel. Door het NFI is vastgesteld dat deze bloedmonsters afkomstig kunnen zijn van[slachtoffer]17. De kans dat dit materiaal afkomstig is van een willekeurig ander persoon is kleiner dan 1 op 1 miljard.[slachtoffer]

is op 3 februari 2012 voor het laatst in leven gezien in het Turks Cultureel Centrum in Dongen. Door de getuige [getuige 2] is verklaard dat hij [slachtoffer] daar gezien heeft en dat hij een telefoontje kreeg18. [slachtoffer] had zojuist thee besteld en gekregen maar die dronk hij niet meer op. Hij zei meteen na het telefoongesprek dat zijn thee maar aan een ander gegeven moest worden. Daarna vertrok hij. Volgens deze getuige was dat rond 19.15/19.30 uur. De getuige[getuige 3] heeft verklaard dat hij rond 18.30 uur naar het Theehuis is gegaan en zijn vriend [slachtoffer] daar zag19. Hij bleef daar ongeveer 10 minuten zitten waarna zij een nieuw kaartspel zijn begonnen. Kort daarop stond [slachtoffer] op en ging hij weg. De getuige [getuige 4] is kort vóór 19.00 uur in het Cultureel Centrum aangekomen20. Tussen het moment dat hij daar aankwam en dat [slachtoffer] is vertrokken, zaten ongeveer 15 of 30 minuten.

Door de officier van justitie is een bevel opnemen vertrouwelijke communicatie afgegeven. In dat kader is in week 18 van 2012 opnameapparatuur geplaatst in de woning van verdachte aan de [straatnaam] in Dongen21 en zijn de - voor zover hier relevant - volgende gesprekken opgenomen:

Op 7 mei 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 5] en[naam zoon] [achternaam]22. Het gesprek gaat er over dat [naam 5] en moeder opgeroepen zijn om als getuige door de politie te worden gehoord. [naam 5] geeft aan dat ze dan de klos zijn en dat[naam 5] moet zeggen dat ze het vergeten is. Tevens zegt [naam 5] tegen[naam zoon] dat moeder moet zeggen dat ze medicijnen gebruikt en zich veel niet meer herinnert.

Tijdens een gesprek dat op 8 mei 2012 heeft plaatsgevonden tussen verdachte en zijn echtgenote [naam echtgenote] zegt verdachte dat zij moet verklaren dat ze het zich niet kan herinneren23. [naam echtgenote] zegt dat het beter was geweest dat ze hadden gezorgd dat ze waren gaan scheiden dan dit.

Op 9 mei 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen[naam zoon] [achternaam], [naam 5] [achternaam] en [naam echtgenote]24. [naam echtgenote] schreeuwt dat ze niet voor hun vader op moeten komen. Hij heeft het haar zelf verteld toen hij terugkwam.

Op 11 mei 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen[naam zoon] [achternaam], [naam 5] [achternaam] en [naam echtgenote]25. In dit gesprek zegt [naam 5] dat ze wil opmerken dat papa dit plan vanaf het begin heeft (..). Ze zegt daarop dat hij iets had tegen [slachtoffer]. Door [naam 5] wordt gezegd dat haar man er onschuldig aangegaan is en dat vader alle vuiligheid heeft begaan, haar vader is diegene die in de hel hoort. [naam 5] feliciteert haar moeder en zegt: “Jullie wens is uitgeko-men”. “Dit heeft hij van te voren bekokstoofd en hij heeft gebruik gemaakt van het feit dat er sneeuw lag”. [naam echtgenote] zegt dat hij zei, dat hij hem twee keer heeft gewaarschuwd, dat hij het wapen vier weken ervoor uit haar kast heeft gehaald. Hij had het toen tussen zijn eigen kleren gelegd en iedere keer als hij ging, maakte hij het gereed.

[naam echtgenote] zegt dat ze haar gevraagd hebben of haar man zijn kleding had gewisseld. Ze had tegen de politie gezegd dat hij zijn kleding niet had gewisseld, maar dat had hij wel gedaan. [naam echtgenote] zegt dat het ook op zijn horloge zat, want hij heeft het hier gewassen. Ze weet niet hoe het kan, maar zijn kleren zaten er niet onder. Hij had een handschoen bij zich, die hij in het water heeft gegooid. [naam echtgenote] vertelt dat zij gevraagd had hoe hij aan dat bloed was gekomen. [naam echtgenote] zegt fluisterend en huilend, dat hij zei: “Ik heb [slachtoffer] neergeschoten … God… [slachtoffer]…. En nu zijn we er gloeiend bij”.

[naam echtgenote] zegt verder dat hij de deur opengelaten heeft omdat hij halverwege weer was teruggegaan om zijn telefoon te pakken. De telefoon heeft hij in het water gegooid.

Op 21 mei 2012 heeft in de woning van verdachte een gesprek plaatsgevonden tussen [naam echtgenote] en[naam zoon] [achternaam]26.[naam zoon] zegt: “had de jas maar gewassen”.[naam zoon] vraagt aan [naam echtgenote] of ze hem niet gewassen heeft. [naam echtgenote] zegt dat ze dat wel gedaan heeft maar het blijkt er toch niet uit te gaan. [naam echtgenote] zegt dat hij zijn schoen en zo heeft weggegooid.

Ter zitting is door de verdediging gewezen op het feit dat in het dossier geen machtiging van de rechter-commissaris zit met betrekking tot het bevel voor het opnemen van vertrouwe-lijke communicatie. De officier van justitie heeft hierover ter zitting aangegeven dat deze machtiging er wel is en dat deze is opgeslagen in de kluis van het openbaar ministerie. De rechtbank ziet geen reden hieraan te twijfelen, temeer nu ook in de processen-verbaal met betrekking tot deze OVC-gesprekken is aangegeven dat er machtiging is verleend door de rechter-commissaris. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de voornoemde OVC-gesprekken niet dienen te worden uitgesloten van het bewijs.


De rechtbank is van oordeel dat op grond van voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op 3 februari 2012 zijn schoonzoon[slachtoffer] heeft gedood.

De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring dat het bloed op zijn jas is veroorzaakt door een incident tussen[slachtoffer] en diens zoontje waarbij[slachtoffer] een bloedneus zou hebben gekregen. De verklaringen hierover van verdachte en zijn familieleden vertonen op relevante onderdelen tegenstrijdigheden. Evenmin volgt de rechtbank verdachte in zijn verklaring dat de kruitsporen op zijn jas zijn veroorzaakt in Turkije toen hij daar in december 2011 een schot zou hebben gelost. Deze verklaring strookt immers niet met de verklaring van verdachte bij de politie op 1 augustus 2012. Tijdens dit verhoor antwoordt hij op de vraag wanneer hij voor het laatst heeft geschoten met een vuurwapen dat hij denkt dat dit vóór 2003 is geweest. Daarbij komt dat verdachte pas in een zeer laat stadium van zijn verhoren met deze versie is gekomen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte verschillend en tegenstrijdig heeft verklaard over de vraag waar hij de avond van 3 februari 2012 was. In zijn eerste verhoren heeft hij steeds verklaard dat hij op die bewuste avond thuis is geweest tot het moment dat hij naar de familie[naam] is gegaan. Pas nadat verdachte werd geconfronteerd met onderzoeksbevindin-gen uit telecomgegevens heeft hij verklaard dat hij mogelijk weg was. Nog later heeft hij aangegeven dat hij (misschien) een wandeling is gaan maken of is gaan winkelen. Op grond van deze tegenstrijdigheden en vaagheden is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van verdachte op dit punt onaannemelijk zijn en zij schuift deze dan ook terzijde.

Ten slotte heeft de verdediging aangevoerd dat sprake is van een samenzwering. Hoewel de rechtbank is gebleken dat getuigen in deze zaak niet steeds openlijk en consequent hebben verklaard, biedt het dossier geen aanknopingspunten dat mogelijk sprake zou zijn geweest van een samenzwering tegen verdachte. Dit verweer dient dan ook, wegens het ontbreken van een nadere onderbouwing, als niet aannemelijk gemaakt, te worden verworpen.

Moord of doodslag?

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachten rade” moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwel-ling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval.

Zoals hiervoor al aangegeven heeft op 11 mei 2012 een gesprek plaatsgevonden tussen [naam echtgenote], [naam 5] [achternaam] en[naam zoon] [achternaam]. Tijdens dat gesprek heeft [naam echtgenote] gezegd dat hij had gezegd dat hij hem twee keer heeft gewaarschuwd. Verder heeft [naam echtgenote] gezegd dat hij het wapen vier weken ervoor uit haar kast had gehaald. Hij had het toen tussen zijn eigen kleren gelegd en iedere keer als hij ging, maakte hij het (wapen) gereed.

Op 3 februari 2012 heeft verdachte rond 19:00 uur telefonisch contact gezocht met[slachtoffer]. Verdachte was op dat moment al niet meer thuis. Dit volgt uit de hiervoor aangehaalde zendmastgegevens. Het wapen, dat bij verdachte thuis lag en dat hij vier weken ervoor al uit de kast had gehaald, heeft verdachte toen bij zich gedragen.

De rechtbank concludeert uit de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen dat verdachte al vier weken het wapen klaar had liggen en dit op 3 februari 2012 heeft meegenomen vanuit zijn woning. Vervolgens heeft hij gebeld naar[slachtoffer] en hem ontmoet, waarna hij hem ten slotte heeft doodgeschoten. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hier uit dat verdach-te zich gedurende enkele weken heeft kunnen beraden op het te nemen besluit of het genomen besluit om zijn schoonzoon te doden. Gelet hierop kan dan ook wettig en overtuigend bewezenverklaard worden dat verdachte zijn schoonzoon heeft vermoord.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 3 februari 2012en/of op 4 februari 2012 te Dongen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade[slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm

beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meerdere kogels afgevuurd

in/op het lichaam van die[slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde[slachtoffer] is

overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 3 februari 2012 in Dongen zijn schoonzoon[slachtoffer] vermoord. Op zeer korte afstand heeft verdachte op een parkeerterrein diverse malen op het lichaam van zijn schoonzoon geschoten. Eenmaal is daarbij zelfs in de mond van het slachtoffer geschoten.[slachtoffer] moest kennelijk dood.

Hij laat 2 jonge kinderen na die zich verder zullen moeten ontwikkelen zonder de hulp en de steun van hun vader.

Moord wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven. Niet alleen op de directe nabestaanden maar ook op de (Turkse) gemeenschap in Dongen heeft deze moord een grote impact gehad. Verdachte heeft een onherstelbaar leed en verdriet veroorzaakt. Een dergelijke moord schokt de rechtsorde zeer en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer angst en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Verdachte heeft geen enkel inzicht willen geven in het motief van zijn daad. Dat neemt de rechtbank hem bijzonder kwalijk. De familie van het slachtoffer weet niet waarom verdachte[slachtoffer] heeft vermoord en kunnen hierover slechts gissen. Zij zullen verder moeten met het verdriet door het gemis van hun dierbare zonder te weten waarom hij heeft moeten sterven.

Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt.

Over de persoonlijke omstandigheden van verdachte is de rechtbank weinig bekend geworden. Verdachte heeft na aanvankelijke instemming, uiteindelijk besloten om niet mee te werken aan onderzoeken van een psycholoog en psychiater. Met eventuele bijzondere persoonlijke omstandigheden kan de rechtbank dan ook geen rekening houden.

De rechtbank is gebleken dat verdachte in het verleden met justitie in aanraking is geweest wegens vuurwapenbezit en mishandeling.

Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Uitgangspunt bij moord is dat in de regel niet wordt volstaan met een lagere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren. Aan dat uitgangspunt ligt ten grondslag dat moord algemeen wordt beschouwd als het ernstigste commune delict, nu het opzettelijk en met voorbedachten rade benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven, is.

Een strafverhogende omstandigheid is in dit geval de koelbloedigheid waarmee verdachte zijn schoonzoon heeft vermoord. Verdachte had al enkele weken het vuurwapen klaarliggen. Hij is van huis gegaan met dat vuurwapen waarna hij contact heeft gezocht met zijn schoonzoon. Kort daarna heeft hij van dichtbij diverse malen geschoten op het lichaam en in de mond van[slachtoffer]. Daarnaast werkt het feit dat verdachte geen enkel inzicht heeft willen geven in de achtergrond van zijn handelen voor de rechtbank strafverhogend. De nabestaanden blijven daardoor achter zonder te weten waarom[slachtoffer] dood moest.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en noodzakelijk is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij T.[slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 12.439,00. Dit bedrag bestaat uit gemaakte kosten voor vliegtickets voor de begrafenis in Turkije, uitvaartkosten en moskeekosten in Turkije.

De hoogte van het gevorderde bedrag is betwist door de verdediging. De rechtbank is ter zitting gebleken dat het slachtoffer,[slachtoffer], in Nederland verzekerd is geweest voor begrafeniskosten. Aangevoerd is dat een gedeelte van de gemaakte kosten niet door de verzekering is uitgekeerd. Welk gedeelte dat is geweest, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. De in Turkije gemaakte kosten, waarvoor geen bonnen zijn overgelegd, zijn berekend aan de hand van een kostencalculator van Uitvaart.nl. Deze kostencalculator is gebaseerd op uitvaartkosten in Nederland. Voor de rechtbank is onduidelijk gebleven wat de kosten van een begrafenis in Turkije zijn.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Hij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij S.[slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 10.000,00 als immateriële schade.

Deze vordering is gebaseerd op artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge dit artikel heeft de benadeelde voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen.

Bewezen verklaard is dat verdachte[slachtoffer], de zoon van de benadeelde partij, heeft vermoord. Een motief voor deze daad heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. Omdat het motief voor de moord niet is komen vast te staan kan niet geoordeeld worden dat verdachte het oogmerk heeft gehad om de benadeelde partij S.[slachtoffer] met zijn daad nadeel toe te brengen in de zin van artikel 6:106 BW. Gelet hierop moet deze vordering worden afgewezen.

8 Het beslag

8.1

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat het feit is begaan of voorbereid met behulp van deze voorwerpen. Verder is een deel van deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8.2

De teruggave aan rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan [naam 5] [achternaam], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8.3

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

moord;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag
- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

een handschoen, 7 hulzen, 1 projectiel uit de auto, 9 projectielen en/of projectieldelen afkomstig van de sectie, een zwarte DL & Delpino jas;

- gelast de teruggave aan [naam 5] [achternaam] van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

een personenauto, merk Daewoo Matiz ([kenteken]), biljet van 10 euro, diverse snoepverpakkingen, vloermat van de auto, sleutelbos uit de auto (huissleutel, toegangsdruppel en autosleutel), onderhoudsboek auto, 3 bigshoppers, zonnescherm uit de auto, stuk van kunststof dashboard van de auto, ring met een zwarte steen, beschermkap B-stijl auto, kenteken- en keuringsbewijs auto, parfumflesje uit de auto;


gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

kleding en schoenen en inhoud kleding (portemonnee, geluksketting, aansteker, sigaretten etc.) afkomstig van sectie, een formulier prikdienst, een bruine jas, een spijkerbroek;

Benadeelde partijen

  • -

    verklaart de benadeelde partij T.[slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil (BP.15);

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij S.[slachtoffer] wordt afgewezen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil (BP.07).

Dit vonnis is gewezen door mr. Prenger, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Van Gessel, rechters, in tegenwoordigheid van Van den Goorbergh, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 juli 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 3 februari 2012 en/of op 4 februari 2012 te Dongen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade[slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm

beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meerdere kogels afgevuurd

in/op het lichaam van die[slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde[slachtoffer] is

overleden.

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL203M/2012026517 van politie Midden- en West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 6517 (hierna te noemen proces-verbaal 1) of van het eindproces-verbaal met dossiernummer BVH 2012026517 van politie Midden- en West-Brabant, Unit Forensisch Technisch Onderzoek, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 340 (hierna te noemen proces-verbaal 2)

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 171 van proces-verbaal 1.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 191 van proces-verbaal 1.

4 Het proces-verbaal van relaas, pagina 20 van proces-verbaal 1.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 193 van proces-verbaal 1.

6 Het deskundigenverslag van dr.[kenteken], arts/patholoog bij het NFI, pagina 152 van proces-verbaal 2.

7 Het proces-verbaal van bevindingen telecomgegevens, pagina 221 van proces-verbaal 1.

8 De verklaring van verdachte ter zitting van 24 juni 2013.

9 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], pagina 3250 van proces-verbaal 1.

10 De verklaring van verdachte ter zitting van 24 juni 2013.

11 Het proces-verbaal van bevindingen telecomgegevens, pagina 225 van proces-verbaal 1.

12 Het proces-verbaal van bevindingen van de Unit FTO, pagina 28 van proces-verbaal 2.

13 Het deskundigenverslag van dr. I.E.P.M. Blom van het NFI, pagina 144 van proces-verbaal 2.

14 Het deskundigenverslag van dr. A.G.M. van Gorp van het NFI, pagina 208 van proces-verbaal 2.

15 De verklaring van verdachte ter zitting van 24 juni 2013.

16 Het deskundigenverslag van ing. R.C. Roepnarain van het NFI, pagina 216 van proces-verbaal 2.

17 Het deskundigenverslag van dr. I.E.P.M. Blom van het NFI, pagina 232 van proces-verbaal 2.

18 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], pagina 2341 van proces-verbaal 1.

19 Het proces-verbaal van verhoor getuige[getuige 3], pagina 2409 van proces-verbaal 1.

20 Het proces-verbaal van verhoor getuige[adres 4], pagina 2416 van proces-verbaal 1.

21 Het proces-verbaal opnemen vertrouwelijke communicatie, pagina 378 van proces-verbaal 1.

22 Het geschrift, te weten een verslag van een OVC-gesprek, pagina 1179 van proces-verbaal 1.

23 Het geschrift, te weten een verslag van een OVC-gesprek, pagina 1190 van proces-verbaal 1.

24 Het geschrift, te weten een verslag van een OVC-gesprek, pagina 1295 van proces-verbaal 1.

25 Het geschrift, te weten een verslag van een OVC-gesprek, pagina 1354 van proces-verbaal 1.

26 Het geschrift, te weten een verslag van een OVC-gesprek, pagina 1657 van proces-verbaal 1.