Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:5005

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
AWB- 13_1370
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WW. Eiser werd door zijn werkgever verdacht van het printen van vertrouwelijke stukken en het lekken van deze informatie naar de media. Eiser en zijn werkgever zijn bij minnelijke regeling overeengekomen dat eiser op eigen verzoek ontslag zal worden verleend. Volgens het UWV is eiser verwijtbaar werkloos. De rechtbank is van oordeel dat het UWV naar aanleiding van de bezwaren van eiser onvoldoende onderzoek heeft verricht door alleen uit te gaan van het rapport van de werkgever. Daarnaast heeft het UWV alleen het lekken van informatie aan eiser tegengeworpen. De stelling van het UWV ter zitting dat ook het printen van vertrouwelijke stukken is meegenomen, kan niet worden gevolgd.

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/1370 WW

uitspraak van 25 juni 2013 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eisers], te [plaats], eiser,

gemachtigde: [gemachtigde 1],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV, kantoor Breda), verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, (het college),

gemachtigde: [gemachtigde 2].

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 28 januari 2013 (bestreden besluit) van het UWV inzake zijn recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 16 mei 2013. De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaak tussen eiser en het college, bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 13/1559 AW. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [gemachtigde 3]. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [gemachtigde 4]. Derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [gemachtigde 5]

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is op 1 september 1979 aangesteld bij (de rechtsvoorganger van) de gemeente Drimmelen. Eiser heeft in het verleden gewerkt als leerplichtambtenaar. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van Vakspecialist C bij post- en archiefzaken.

Eind november 2011 zijn er bij het college signalen binnengekomen over het lekken van vertrouwelijke informatie naar de media. Het college heeft [bedrijf 1] ([bedrijf 2]) opdracht gegeven om hiernaar een onderzoek in te stellen. In het kader van dit onderzoek is een digitaal onderzoek uitgevoerd op het computernetwerk en is er een keylogger geplaatst op de computer van eiser. Met een keylogger kunnen computerhandelingen achteraf inzichtelijk worden gemaakt. Volgens [bedrijf 2] zijn er onder eisers account zeventien vertrouwelijke documenten geprint. Van vijf casussen, die betrekking hebben op het lekken van vertrouwelijke informatie, is volgens [bedrijf 2] vastgesteld dat relevante documenten zijn geprint door een account dat bij eiser in gebruik is.

In februari 2012 heeft het college gesprekken met eiser gevoerd, waarin hem is meegedeeld dat hij werd verdacht van dit ernstige plichtsverzuim. Het college heeft eiser voorgehouden dat er voldoende concrete aanwijzingen zijn voor strafontslag. Eiser is vervolgens de mogelijkheid gegeven om zelf ontslag te nemen. Nadat eiser had aangegeven niet zelf ontslag te zullen nemen, heeft het college stappen gezet om eiser strafontslag te verlenen. De bevindingen van [bedrijf 2] zijn uiteindelijk neergelegd in een rapport van 27 maart 2012.

Eiser heeft zich op 16 april 2012 ziek gemeld. Eiser heeft zich per 1 juni 2012 hersteld gemeld.

Op 7 juni 2012 heeft eiser een minnelijke regeling voor akkoord ondertekend waarin hij en het college zijn overeengekomen dat aan eiser op eigen verzoek ontslag zal worden verleend met ingang van 1 juni 2012. Bij ontslagbesluit van 11 juni 2012 is de minnelijke regeling vastgesteld.

Eiser heeft op 18 juni 2012 een WW-uitkering aangevraagd.

Bij besluit van 23 augustus 2012 (primair besluit) heeft het UWV aan eiser laten weten dat hij vanaf 1 juni 2012 wel recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze uitkering niet wordt uitbetaald. De reden daarvoor is dat eiser zelf verantwoordelijk is geweest voor het ontslag en dus verwijtbaar werkloos is.

Eiser heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, in afwachting van de beslissing op zijn bezwaarschrift tegen het primaire besluit. Bij uitspraak van 31 oktober 2012 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen en bepaald dat het UWV aan eiser met ingang van 5 oktober 2012 voorschotten op de WW-uitkering dient te verlenen (zaaknummer 12/5192 WW VV).

Bij het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2.

Het UWV stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. De werknemer moet voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd als de werknemer niet voldoende heeft gedaan om verwijtbare werkloosheid te voorkomen. De aanwezigheid van sterke verdenkingen van lekken van informatie door een ambtenaar is een zodanige gedraging dat van het college niet verwacht kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De minnelijke regeling tussen eiser en het college is getroffen om strafontslag te voorkomen. De ontslagreden is doorslaggevend. Het UWV gaat er daarom van uit dat er sprake is van ontslaggave. Eisers gedraging valt hem te verwijten. Eisers individuele omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel.

3.

Eiser voert in beroep, kort samengevat, het volgende aan. Er is geen sprake van een verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Eiser is het niet eens met de bevindingen van [bedrijf 2]. Het UWV heeft onvoldoende onderzoek gedaan.

4.

Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt.

Artikel 27, eerste lid, van de WW luidt als volgt:

Het UWV weigert de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering niet zou zijn ontstaan of zou zijn geëindigd, ter zake van het niet nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3°, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering niet over de volledige duur van de uitkering, doch over ten hoogste een periode van 26 weken over de helft van het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan.

Op grond van artikel 678 van Boek 7 van het BW worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.

Voor het aannemen van verwijtbare werkloosheid als omschreven in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is in het geval van een ambtelijke arbeidsverhouding niet nodig dat de werkgever strafontslag heeft verleend. Ook als een werkgever tot het verlenen van eervol ontslag heeft besloten, kan aan de ontstane werkloosheid een dringende reden ten grondslag liggen (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 april 2013, LJN: BZ8359). Beoordeeld dient te worden of er een dringende reden is in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het BW. Een gedraging moet zowel objectief als subjectief een dringende reden vormen. Objectief betekent dat de gedraging naar objectieve maatstaven ontoelaatbaar is. De subjectiviteit van de dringende reden betekent dat de gedraging ook voor déze werkgever ontoelaatbaar moet zijn geweest. Het UWV dient dit zelfstandig te beoordelen.

6.

Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat [bedrijf 2] zich heeft gebaseerd op gegevens die mogelijkerwijs vooraf gemanipuleerd zijn. Zo heeft eiser gewezen op de route die de logbestanden hebben afgelegd en heeft hij aangevoerd dat zijn inlogcode bestaat uit een oude code met het telefoonnummer, waardoor de helft van de benodigde gegevens al bekend is. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat het openen en printen van documenten dus ook door iemand anders kan zijn gedaan, onder eisers account. Volgens eiser zijn er in de postkamer flexplekken, waardoor het mogelijk is dat een ander ongezien de betreffende documenten heeft geopend en afgedrukt. Daarnaast heeft eiser ter zitting aangevoerd dat het openen en printen van documenten bovendien bij zijn functie hoorde.

De rechtbank overweegt dat het UWV - behoudens kennis te hebben genomen van de rapportage van [bedrijf 2] - geen eigen onderzoek heeft gedaan naar de door eiser in bezwaar geopperde mogelijkheid dat er gemanipuleerd kan zijn met de gegevens. Ter zitting heeft eiser daarbij aangegeven dat een ander onder zijn account de betreffende documenten kan hebben geprint. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van het UWV gelegen naar aanleiding van hetgeen in bezwaar was aangevoerd nog navraag te doen bij verweerder en eiser. Door dat na te laten is de rechtbank van oordeel dat sprake is van onzorgvuldig onderzoek en is er sprake van strijd met het motiveringsbeginsel. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Nu het UWV nog nader onderzoek dient te doen op de punten die door eiser zijn aangevoerd en niet kan worden ingeschat hoe lang dit onderzoek in beslag zal nemen, ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of voor toepassing van een bestuurlijke lus.

7.

De rechtbank stelt verder vast dat het college (onder verwijzing naar het rapport van [bedrijf 2]) eiser het verwijt heeft gemaakt dat hij bepaalde documenten heeft geopend en geprint, en documenten heeft gelekt naar de media, terwijl het UWV eiser alleen het verwijt heeft gemaakt dat hij documenten heeft gelekt. Voor zover het UWV ter zitting heeft aangevoerd dat ook de andere bevindingen uit het rapport van [bedrijf 2] zijn meegenomen in zijn beslissing, kan dit niet worden gevolgd. In het bestreden besluit zijn voor dit standpunt immers geen aanknopingspunten te vinden. Ook op dit punt is er sprake van een motiveringsgebrek.

8.

Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of, zoals reeds in het vorengaande is overwogen, zelf in de zaak te voorzien of over te gaan tot het toepassen van de bestuurlijke lus. Het UWV zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het UWV zal tevens (opnieuw) moeten beslissen op het verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand in bezwaar en op het verzoek om schadevergoeding.

9.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mrs. W. Toekoen en J.J.M. van Lanen, leden, in aanwezigheid van mr. G. Schnitzler, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013. De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.