Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:4979

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
AWB 13_1559
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college om niet terug te komen op een eerder gegeven, in rechte vaststaand, ontslagbesluit.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat eiser ten tijde van de totstandkoming van de minnelijke regeling zijn wil niet kon bepalen als gevolg van zijn psychische gesteldheid. Ook voor het overige is de rechtbank niet van een novum gebleken.

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/1559 AW

uitspraak van 25 juni 2013 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1], te [plaats], eiser,

gemachtigde: [gemachtigde 1],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen (het college), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 januari 2013 (bestreden besluit) van het college. Bij dit bestreden besluit is het bezwaar van eiser tegen het besluit van

8 oktober 2012 (primair besluit) om niet terug te komen op een eerder gegeven, in rechte vaststaand, ontslagbesluit ongegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 16 mei 2013. De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaak tussen eiser en het UWV, bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 13/1370 WW. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [gemachtigde 2]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4]

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is op 1 september 1979 aangesteld bij (de rechtsvoorganger van) de gemeente Drimmelen. Eiser heeft in het verleden gewerkt als leerplichtambtenaar. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van Vakspecialist C bij post- en archiefzaken.

Op 21 februari 2012 heeft het college in een gesprek aan eiser kenbaar gemaakt dat hij (opnieuw) verdacht wordt van het lekken van vertrouwelijke informatie naar de pers. Medegedeeld is dat de verdenking zodanig concreet en ernstig is, dat het in eiser te stellen vertrouwen is geschaad en dat de feiten waarop de verdenking ziet bij vaststelling aanleiding zullen zijn voor strafontslag.

Bij brief van eveneens 21 februari 2012 heeft het college eiser voorgesteld de eer aan zichzelf te houden. Binnen 24 uur kan eiser aangeven of hij per 1 juni 2012 om ontslag zal vragen. In de brief staat voorts vermeld dat eiser zich moet beseffen dat aan een ontslag op verzoek geen uitkeringsrechten zijn verbonden, hetgeen het college zeker wenst te stellen door te bedingen dat eiser geen uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) zal aanvragen. Middels een minnelijke regeling wordt dit vastgelegd. Indien eiser instemt, stopt het interne onderzoek naar het lekken van informatie naar de pers. Zo niet, dan zal het onderzoek worden voortgezet en op basis van de eindrapportage zal het college zich beraden. Eiser is medegedeeld dat het hem duidelijk zal zijn dat de situatie ernstig is en dat de belangen die op het spel staan groot zijn. Eiser is daarom uitdrukkelijk geadviseerd om geen overhaastige beslissing te nemen en zich door een deskundige te laten adviseren over zijn rechtspositie.

Bij besluit van 22 februari 2012 (schorsingsbesluit) heeft het college, aangezien eiser kenbaar heeft gemaakt niet zelf om ontslag te vragen, eiser geschorst en is het interne onderzoek door [bedrijf 1]([bedrijf 2]) voortgezet. Tegen dit schorsingsbesluit heeft de gemachtigde van eiser bezwaar gemaakt.

Naar aanleiding van de rapportage van [bedrijf 2] heeft het college geconcludeerd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het lekken van informatie. Bij brief van 3 april 2012 heeft het college daarop kenbaar gemaakt dat het voornemen bestaat om eiser te ontslaan.

Op 16 april 2012 heeft eiser zich ziek gemeld.

In reactie op de brief van 3 april 2012 heeft de toenmalige gemachtigde van eiser bij brief van 20 april 2012 verzocht om tot een minnelijke regeling te komen in plaats van de procedure inzake een onvoorwaardelijk strafontslag voort te zetten. Vervolgens zijn onderhandelingen gevoerd om een minnelijke regeling tot stand te brengen wat uiteindelijk geresulteerd heeft in de regeling, die eiser op 7 juni 2012 voor akkoord heeft getekend. Kort gezegd houdt deze regeling in dat eiser ontslag wordt verleend op eigen verzoek en dat hij vijf bruto maandsalarissen ter vergoeding krijgt toegekend.

Bij het ontslagbesluit van 11 juni 2012 (ontslagbesluit) is aan eiser medegedeeld dat de minnelijke regeling door het college is vastgesteld en met terugwerkende kracht tot

1 juni 2012 in werking treedt. De door eiser reeds ingediende bezwaren tegen het schorsingsbesluit worden geacht te zijn ingetrokken. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit.

Bij brief van 12 september 2012 heeft eiser het college verzocht om herziening van het ontslagbesluit. Eiser onderbouwt dit verzoek met de stelling dat hij de regeling destijds slechts heeft ondertekend omdat zijn gezondheidsklachten dermate ernstige vormen aannamen dat zijn huisarts en zijn toenmalige gemachtigde hem adviseerden in te stemmen met het ontslag. Het college heeft zijns inziens in strijd met goed overheidswerkgeverschap gehandeld door hem voor een onmogelijke keuze te stellen.

Bij het primair besluit heeft het college het verzoek van eiser afgewezen. Kort gezegd stelt het college zich op het standpunt dat het ontslagbesluit formele rechtskracht heeft gekregen en dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden.

Bij brief van 25 oktober 2012 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2.

In beroep heeft eiser, samengevat, aangevoerd dat bij het aangaan van de minnelijke regeling een gebrek bestond tussen zijn verklaring en wil als gevolg van zijn psychische gesteldheid. Eiser vernietigt daarom de minnelijke regeling. Volgens eiser levert deze vernietiging op zich al een nieuw feit op in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onderdeel van de minnelijke regeling is namelijk het verzoek om ontslag, welke is te kwalificeren als een aanvraag, aldus eiser. Deze aanvraag is volgens eiser een civielrechtelijke rechtshandeling. Door de vernietiging ligt er volgens eiser geen aanvraag meer op grond waarvan het ontslagbesluit genomen kan worden. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat in ieder geval het ontbreken van zijn wil bij het aangaan van de minnelijke regeling een novum is.
De vernietiging houdt volgens eiser ook stand. Ten onrechte is voorbij gegaan aan de medische verklaring van zijn arts met betrekking tot zijn psychische gesteldheid. Hij verwijst daarvoor ook naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van

20 april 2005 (LJN: AT5220). Gelet op die verklaring is het namelijk evident dat eiser ten tijde van het aangaan van de regeling zijn wil niet kon bepalen door zijn psychische gesteldheid. Eiser heeft ook nog aangevoerd dat het college redelijkerwijs op de hoogte moet zijn geweest van de psychische problemen van eiser en er daarom een verzwaarde onderzoeksplicht op het college rustte. Eiser heeft voorts een verzoek om schadevergoeding gedaan.

3.

Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het ontslagbesluit. Het verzoek van 12 september 2012 is dan ook een verzoek om terug te komen op een rechtens onaantastbaar geworden besluit. Een dergelijk verzoek dient te worden beoordeeld in het kader van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, hetgeen tussen partijen niet in geding is. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB brengt een beoordeling in dat kader met zich mee dat de rechtbank het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt dient te nemen en zich in beginsel dient te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had moeten vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.1

Aldus ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld of sprake is van een novum in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Eiser heeft primair aangevoerd dat het inroepen van de vernietigbaarheid van de minnelijke regeling een dergelijk novum is. Subsidiair dient in ieder geval het ontbreken van de wil van eiser bij het aangaan van de minnelijke regeling als een novum te worden beschouwd, aldus eiser.

De rechtbank is van oordeel dat het inroepen van de vernietigbaarheid van de minnelijke regeling door eiser geen novum is in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Immers, het enkele inroepen van de vernietigbaarheid verandert nog niets in de verhouding tussen eiser en het college; de overeengekomen minnelijke regeling, zoals in het in rechte vaststaande ontslagbesluit vervat, blijft bestaan. Alleen wanneer het college zou berusten in de vernietiging zou sprake kunnen zijn van een novum, zulks is echter niet het geval. Daarnaast is de vernietiging niet uitgesproken bij rechterlijk vonnis.

4.2

De rechtbank overweegt voorts dat, gelet op jurisprudentie van de CRvB, het ontbreken van de wil ten tijde van het aangaan van de regeling wel een novum is (CRvB

25 april 2013, LJN: BZ8790). De rechtbank dient dan ook te beoordelen of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij, ten tijde van de totstandkoming van de minnelijke regeling, zijn wil niet kon bepalen als gevolg van zijn psychische gesteldheid.

Eiser heeft hiertoe een aantal medische stukken overgelegd met betrekking tot zijn psychische gesteldheid. Hij heeft verklaringen overgelegd van zijn huisarts van

24 april 2012 en 15 januari 2013, een psychologisch rapport van 29 januari 2013 en een journaal van de bedrijfsarts.

De rechtbank overweegt dat uit deze stukken volgt dat eiser ten tijde van het tekenen van de minnelijke regeling leed aan een depressie. Dat wordt ook niet weersproken door het college. Dit brengt echter nog niet zonder meer met zich dat eiser toen niet in staat was zijn wil te bepalen. De overgelegde stukken bieden voor deze conclusie naar het oordeel van de rechtbank te weinig aanleiding. Slechts uit de verklaring van de huisarts van

15 januari 2013 lijkt te kunnen worden afgeleid dat eiser op enig moment niet zijn wil heeft kunnen bepalen. Er valt echter niet uit af te leiden op welke periode deze verklaring van de huisarts ziet. Voorts overweegt de rechtbank dat aan de voornoemde uitspraak van de CRvB van 20 april 2005 kan worden voorbij gegaan, nu in de onderhavige zaak de verklaring van de huisarts van 24 april 2012 niet zonder meer kan dienen ter onderbouwing van het standpunt van eiser. Zoals reeds overwogen volgt daaruit slechts dat sprake was van een depressie.

Anderzijds ziet de rechtbank aanwijzingen om aan te nemen dat eiser ten tijde van het aangaan van de minnelijke regeling wel in staat was zijn wil te bepalen. Eiser heeft zich na zijn ziekmelding op 16 april 2012 per 1 juni 2012 hersteld gemeld. Voorts heeft eiser kort na het tekenen van de minnelijke regeling zelf een WW-uitkering aangevraagd bij het UWV. Vervolgens heeft eiser op 4 en 5 juli 2012 telefonisch contact gehad met het UWV, blijkens een overgelegde telefoonnotitie. In deze notitie is ondermeer het volgende opgenomen: “[eiser 2] was op de hoogte gebracht dat als hij zelf ontslag zou nemen, het recht op een WW-uitkering vervalt, meneer was op de hoogte van de consequenties en heeft hiervoor gekozen.” De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop eiser in ieder geval bijna een maand na het ondertekenen van de minnelijke regeling, en binnen de termijn waarin bezwaar gemaakt kon worden tegen het ontslagbesluit, de gevolgen van het aangaan van de regeling heeft overzien. Van de zijde van het college is hij nog voor de totstandkoming van de regeling ook uitdrukkelijk op die gevolgen gewezen. Van een verdergaande zorgplicht is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, temeer niet nu eiser zich door een professionele gemachtigde heeft laten bijstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve het standpunt van eiser dat hij niet voor zijn belangen kon opkomen en zijn wil kon bepalen niet aannemelijk. Eenzelfde beeld komt daarbij naar voren uit e-mails die eiser heeft verzonden aan zijn toenmalige gemachtigde en de gemachtigde van het college. Zo verzoekt eiser in een e-mail van 6 juni 2012, een dag voor het ondertekenen van de regeling, aan de gemachtigde van het college om bepaalde vergoedingen op de meest gunstige wijze uit te betalen. Twee dagen eerder verzoekt eiser aan zijn gemachtigde om uitbetaling van zijn resterende vakantiedagen te laten plaatsvinden. Eiser heeft hierover tijdens de hoorzitting aangegeven dat deze berichten verstuurd zijn door een familielid, maar wel onder zijn verantwoordelijkheid.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat eiser ten tijde van de totstandkoming van de minnelijke regeling zijn wil niet kon bepalen als gevolg van zijn psychische gesteldheid. Ook voor het overige is de rechtbank niet van een novum gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat het college niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

5.

Gelet op al het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.

6.

De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding afwijzen, aangezien het bestreden besluit in stand blijft.

7.

Nu het beroep ongegrond is, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mrs. W. Toekoen en J.J.M. van Lanen, leden, in aanwezigheid van mr. G. Schnitzler, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013. De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.