Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:4540

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-06-2013
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
246650 / 12-4895
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Studiekosten en correctie verlofdagen na schikking ter zitting.

Na een minnelijke regeling ter zitting wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden. De werkgever heeft voor de schikking meegedeeld dat studiekosten verrekend zullen worden. Bij de eindafrekening worden studiekosten ingehouden en een correctie van verlofdagen, beide op basis van een schriftelijke studieovereenkomst.

De loonvordering van het loon van beide inhoudingen wordt afgewezen. De werknemer had de mededeling van de werkgever niet voor kennisgeving mogen aannemen. Daarom wordt hem niet toegestaan de verschuldigdheid van studiekosten alsnog te betwisten. Een wijziging van zijn stellingen op dit punt wordt de werknemer niet toegestaan wegens schending van de waarheidsplicht. Bij de eindafrekening mag worden gecorrigeerd voor verlofdagen, waarop werknemer onder meer gelet op de studieovereenkomst geen recht heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/261
AR-Updates.nl 2014-0420
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

[Zaaknummer] [Rolnummer]

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 246650 / 12-4895

vonnis van de kantonrechter d.d. 17 juni 2013

in de zaak van

[eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in reconventie,

verder te noemen: [A],

gemachtigde: mr. C.J.M.M. Verwijmeren, FNV Ledenservice te Rotterdam,

t e g e n :

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie]

,

gevestigd te [plaats], gemeente [gemeente],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

verder te noemen: [B],

gemachtigde: mr. B. Smid, advocaat te Assen.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

  • -

    dagvaarding van 7 november 2012,

  • -

    conclusies van antwoord, repliek en dupliek in conventie, respectievelijk tevens van eis, antwoord en repliek in reconventie,

  • -

    conclusie van dupliek in reconventie.

de beoordeling van de zaak

in conventie en in reconventie:

1.1. [A] is op 1 november 2008 als leerling monteur in loondienst getreden bij [B]. Partijen hebben op 10 oktober 2010 een studieovereenkomst gesloten. Overeengekomen is dat [B] alle kosten zou betalen van de opleiding van [A] voor rijbewijs C. [A] heeft rijbewijs C eind 2010/begin 2011 behaald. [B] heeft alle kosten daarvan betaald.

1.2. De studieovereenkomst bevat onder 5 de volgende terugbetalingsregeling:

“Indien werknemer binnen drie jaar na het behalen van het certificaat/diploma de dienstbe-trekking op zijn verzoek beëindigt, geldt een terugbetalingsverplichting naar evenredigheid van het aantal dienstmaanden na het behalen van het certificaat/diploma. Derhalve neemt het terug te betalen bedrag iedere maand met 1/36 af. De terugbetalingsverplichting is na drie jaar (berekend vanaf de datum van het certificaat/diploma) geheel vervallen.”

1.3. De arbeidsrelatie is verstoord geraakt. Bij aangetekende brief d.d. 29 november 2011 heeft [B] aan [A] een officiële waarschuwing gegeven vanwege het feit dat hij op 28 november 2011 zonder opgave van redenen niet op het werk was verschenen en heeft [B] [A] gesommeerd zich onmiddellijk op het werk te melden. [A] heeft echter vanaf 28 november 2011 niet meer gewerkt.

1.4. [B] heeft op 12 januari 2012 een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend op de grond dat [A] zijn verplichtingen als werknemer op grove wijze verzaakt, waarbij onder veel meer is gewezen op het feit dat [A] vanaf 28 november 2011 niet meer op het werk was verschenen. [A] heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij meer subsidiair een vergoeding van € 7.120,38 bruto heeft verzocht. De zaak is behandeld op de zitting van 2 februari 2012. De behandelende kantonrechter heeft partijen via een schorsing van de terechtzitting de gelegenheid gegeven om een minnelijke regeling te treffen, nadat hij als zijn voorlopige oordeel had meegedeeld dat een ontbinding zonder vergoeding zou volgen. Partijen hebben inderdaad een minnelijke regeling getroffen, hetgeen heeft geleid tot een beschikking d.d. 2 februari 2012, waarbij het dienstverband op een neutrale grond is ontbonden zonder dat aan [A] enige vergoeding is toegekend. Daarbij is overwogen dat partijen het erover eens zijn dat de verwerende partij geen verwijt treft voor de ontstane situatie.

1.5. [B] heeft bij brief van 24 februari 2012 aan [A] een eindafrekening gezonden. Bij deze brief is aan [A] voorgerekend dat hij nog € 832,39 aan [B] dient te voldoen. Dit bedrag is volgens [B] ontstaan door twee posten die op het nog verschuldigde salaris en vakantiegeld in mindering komen:

  • -

    een inhouding verlofdagen van € 1.903,46 bruto, en

  • -

    een inhouding studiekosten van € 2.780,98.

1.6. [A] heeft het bedrag van € 832,39 niet voldaan. Bij brief van 4 april 2012 heeft de gemachtigde van [A] aan die van [B] verzocht om toezending van de studieovereenkomst teneinde de rechtmatigheid te controleren van de inhouding ad € 2.780,98 voor studiekosten. Bij brief van 8 juni 2012 heeft de gemachtigde van [A] erop gewezen dat niet hij het dienstverband heeft beëindigd, maar de kantonrechter op verzoek van [B]. Namens [A] is geconcludeerd dat de inhouding voor studiekosten ongegrond is, zodat hij nog een bedrag van € 1.039,40 tegoed heeft.

2.1. [A] heeft in conventie betaling gevorderd van dit bruto bedrag alsook van een bedrag van € 202,72 wegens teveel inhouden verlofdagen/ongeoorloofd verzuim, met de wettelijke verhoging en wettelijke rente en vergoeding van incassokosten ad € 150,- excl. BTW.

2.2. [B] heeft deze vorderingen bestreden en in reconventie de betaling gevorderd van het voormelde bedrag van € 832,29, alsook een bedrag van € 128,85 bruto op de grond dat [A] bij nadere beschouwing geen recht heeft op studieverlof, zodat de eindafrekening voor ten onrechte verrekend studieverlof met dit bedrag moet worden gecorrigeerd.

studiekosten

3.1. Partijen zijn het erover eens dat de studiekosten ter sprake zijn geweest in de onderhandelingen over een minnelijke regeling tijdens de schorsing van de terechtzitting van 2 februari 2012.

3.2. [B] heeft dienaangaande gesteld:

Besproken is dat het niet-verschijnen van [A] op het werk meebracht dat de studiekosten volgens de terugbetalingsregeling op [A] zouden worden verhaald. [A] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

[A] heeft erkend dat tijdens de onderhandelingen door haar wederpartij is meegedeeld dat [A] nog studiekosten verschuldigd zou zijn in het kader van de eindafrekening. [A] heeft hier echter bij aangevoerd:

Dat [A] nog studiekosten verschuldigd zou zijn zou blijken uit de tussen partijen getekende studieovereenkomst. [A] had hier zelf geen exemplaar (meer) van in zijn bezit in zijn administratie, dus hebben wij deze mededeling verder voor kennisgeving aange-nomen.

3.3. Aldus heeft [A] onvoldoende weersproken dat het niet-verschijnen van [A] op het werk de reden van [B] was voor de toepassing van de terugbetalings-regeling van studiekosten. Daar komt bij dat [A] de mededeling van de zijde van [B] dat bij de eindafrekening studiekosten zouden worden verhaald, op dat moment niet voor kennisgeving mocht aannemen. [A] gedroeg zich daarmee op een wijze dat [B] redelijkerwijze mocht aannemen dat [A] instemde met het feit dat er studiekosten op hem verhaald zouden worden. Indien [A] op dat moment niet zeker was of het voorgenomen verhaal wel een rechtsgrond had, dan had hij dat op dat moment aan de orde behoren te stellen, of tenminste een voorbehoud dienaangaande behoren te maken. Dat heeft [A] echter niet gedaan. Omdat [A] zich zo heeft gedragen dat [B] mocht aannemen dat hij instemde met de mededeling van de zijde van [B] dat wegens het niet-verschijnen van [A] op het werk op hem studiekosten verhaald zouden gaan worden, is [A] gebonden aan dat verhaal en wordt hem het recht ontzegd om de rechtsgrond voor zulk verhaal later te onderzoeken en te betwisten, zoals hij gedaan heeft.

3.4. Niet weersproken is dat de studiekosten op zich correct zijn berekend met een ver-mindering naar evenredigheid van verstreken dienstmaanden, overeenkomstig de geciteerde terugbetalingsregeling. Daarom wordt uitgegaan van het bedrag van € 2.780,98. De hoogte van het te verhalen bedrag is door [A] niet ter discussie gesteld.

3.5. Bij conclusie van dupliek in reconventie heeft [A] nader gesteld:

Bij de onderhandelingen heeft de gemachtigde van [A] gezegd dat [A] de studie-overeenkomst niet in zijn bezit heeft. [B] en haar gemachtigde waren er dus van op de hoogte dat [A] geen exacte kennis van de inhoud van de studieovereenkomst. De heer [naam] van [B] had dit stuk tijdens het gesprek ook niet bij zich. Hij was dus ook niet op de hoogte van de exacte inhoud. Hij verklaarde echter wel dat daarin zou zijn opgenomen dat [A] de studiekosten zou moeten terugbetalen. Dit heeft [A] verder voor kennisgeving aangenomen en daarop gereageerd in de trant van: “Mocht dat er zo instaan, dan heeft u uiteraard een punt.”

3.6. Aldus heeft [A] zijn summiere opstelling bij conclusie d.d. 11 februari 2013 op twee punten aanzienlijk veranderd:

  1. . Volgens [A] zou de heer [naam] van [B] alleen de studieovereenkomst (dus niet tevens het niet-verschijnen van [A] op het werk) ten grondslag hebben gelegd aan het verhaal van studiekosten.

  2. . Volgens [A] zou zijn besproken dat hij geen exemplaar van de studieovereenkomst had en zou hij een voorbehoud hebben gemaakt door te zeggen: “Mocht dat er zo instaan, dan heeft u uiteraard een punt.”.

3.7. Aan deze wijzigingen van de stellingen van [A] wordt voorbij gegaan om de volgende redenen. [B] heeft met juistheid erop gewezen dat [A] de waarheidsplicht heeft geschonden door in de dagvaarding te verzwijgen dat de studiekosten in onderhandelingen tijdens de schorsing van de terechtzitting van 2 februari 2012 zijn besproken, dat [B] bij die gelegenheid heeft meegedeeld dat studiekosten op hem zouden worden verhaald in de eindafrekening en dat hij, [A], dat voor kennisgeving heeft aangenomen. Door een en ander te verzwijgen heeft [A] de indruk gewekt dat [B] zonder overleg en eigenmachtig studiekosten op de eindafrekening in mindering had gebracht. Aldus heeft [A] de dagvaarding niet zorgvuldig en waarachtig ingericht. Nadat [B] haar verweer had uiteengezet, heeft [A] slechts summier daarop gereageerd. Het is in strijd met een goede procesorde wanneer hem zou worden toegestaan om bij zijn laatste conclusie zijn stellingen ingrijpend te wijzigen als voormeld. Daar komt bij dat uit de voormelde wijze van procederen van [A], in het bijzonder de schending van de waarheidsplicht door [A], wordt afgeleid dat hij zijn standpunt aanpast uit opportuniteit zonder respect voor de waarheid.

3.8. De conclusie blijft dus dat [A] contractueel is gebonden door niet te reageren op de mededeling van de zijde van [B] dat wegens het niet-verschijnen van [A] op het werk op hem studiekosten verhaald zouden gaan worden. Door deze contractuele binding had en heeft hij geen recht meer om de rechtsgrond van dat verhaal ter discussie te stellen. De studiekosten ad € 2.780,98 zijn met recht op de eindafrekening in mindering gebracht.

verlofdagen

4.1. De inhouding voor verlofdagen ad € 1.903,46 bruto is slechts voor een bedrag van € 202,72 bruto door [A] betwist. [A] heeft gesteld dat [B] twee dagen teveel heeft geboekt als ongeoorloofd verzuim, als volgt:

  • -

    één dag door in week 41 in plaats van drie dagen, vier dagen te boeken als ongeoorloofd afwezig, en

  • -

    één dag door 5 december 2011 te boeken als ongeoorloofd afwezig, terwijl [A] zich op die dag heeft ziek gemeld.

4.2. Voor week 41 heeft [A] aangevoerd dat de dag van het consult van de bedrijfsarts op 11 oktober 2011 niet als ongeoorloofd afwezig mag gelden. [B] heeft daartegenover gesteld dat [A] begin oktober 2011 is gevlucht in ziekte, dat [A] gewoon niet is komen werken omdat hij het met het oordeel van de bedrijfsarts niet eens was en het UWV een second opinion heeft verzocht, maar dat verzoek heeft ingetrokken. [B] heeft geconcludeerd dat [A] hiermee het oordeel van de bedrijfsarts heeft erkend, zodat daarmee de ongeoorloofdheid van zijn verzuim in de gehele maand oktober vast staat. [A] heeft hierop niet gereageerd en daarom wordt [B] in haar conclusie gevolgd. Ook 11 oktober 2011 moet gelden als ongeoorloofd afwezig.

4.3. [B] heeft gemotiveerd betwist dat [A] zich op 5 december 2011 heeft ziek gemeld. [A] is daar niet op ingegaan en heeft geen bewijs van de gestelde ziekmelding geleverd of aangeboden. Daarom moet ook 5 december 2011 gelden als ongeoorloofd afwezig.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat de vordering in conventie ad € 202,72 bruto voor teveel ingehouden verlofdagen ongegrond is.

studiedagen

5.1. [B] heeft de studieovereenkomst nog eens bestudeerd en ontdekt dat deze overeenkomst [A] geen aanspraak geeft op studieverlof. [B] heeft vervolgens gesteld:

In de eindafrekening zijn de verlofdagen voor studie pro rato verrekend en dat is niet correct, want studiedagen blijven volledig voor rekening van de ex-werknemer. [B] maakt daarom aanspraak op vergoeding van 32 in plaats van 21.43 verlofuren voor studie. Dat levert een extra bedrag op van € 128,85 bruto.

5.2. [A] heeft daartegenover gesteld dat uit het feit dat [B] de scholingsdagen gewoon heeft doorbetaald, reeds volgt dat zij van de bepaling in de studieovereenkomst is afgeweken. In die conclusie kan [A] niet worden gevolgd. De afwezigheid voor studie kan in mindering worden gebracht op de aanspraak op verlofdagen. De studieovereenkomst gaat daar ook van uit. Uit de doorbetaling van loon volgt daarom niet dat [B] van de bepaling in de studieovereenkomst ten gunste van [A] is afge-weken. Dat [B] afwezigheid voor studie verrekent met de aanspraak op verlofdagen blijkt uit de eindafrekening. Alleen heeft [B] hier bij nader inzien een fout in gemaakt door pro rato te verrekenen in plaats van geheel. [B] mag deze fout herstellen. [A] heeft nog wel willen verrekenen met zijn vordering ad € 202,72 bruto, maar die wens wordt niet vervuld, omdat die vordering ongegrond is.

slotsom

6.

De vorderingen in conventie moeten geheel worden afgewezen. De vorderingen in reconventie zullen geheel worden toegewezen. Rente is in reconventie niet gevorderd. Omdat de conventie en de reconventie nauw samenhangen zullen de kosten daarvan worden samengevoegd. Omdat [A] in beide geheel in het ongelijk wordt gesteld, zal hij in beide in de proceskosten worden verwezen.

de beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

wijst de vorderingen af;

in reconventie:

veroordeelt [A] om tegen bewijs van kwijting aan [B] te betalen een bedrag van € 832,29, alsook een bedrag van € 128,85 bruto;

in conventie en in reconventie:

veroordeelt [A] in de kosten van het geding, welke aan de zijde van [B] tot op heden worden begroot op € 450,- wegens salaris van de gemachtigde van [B];

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.