Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:372

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-01-2013
Datum publicatie
17-02-2021
Zaaknummer
AWB 12/2581 WOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Openbaar maken van het ‘Assurance-rapport van een incidenteel onderzoek naar de bekostiging en besteding van de bekostiging van een nieuwe school’ op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2581 WOB

uitspraak van 17 januari 2013 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam stichting] , te [vestigingsplaats stichting] , eiseres,

gemachtigde: mr. W.E. Pors,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 augustus 2011 (bestreden besluit) van verweerder inzake het openbaar maken van het ‘Assurance-rapport van een incidenteel onderzoek naar de bekostiging en besteding van de bekostiging van een nieuwe school’ op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is namens eiseres verschenen [naam voorzitter] (voorzitter). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.G. Kok en S.M.T.M. Smeets.

Overwegingen

1.

Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De directie Rekenschap van de Inspectie van het Onderwijs heeft onderzoek verricht naar de feitelijke situatie van eiseres met betrekking tot de bekostiging en de besteding van de bekostiging en heeft daarvan in maart 2011 rapport uitgebracht. Bij brief van 17 maart 2011 heeft de directeur Rekenschap eiseres medegedeeld, dat hij voornemens is om dit rapport openbaar te maken. Eiseres heeft daartegen haar zienswijze kenbaar gemaakt.

Vervolgens heeft verweerder op 21 april 2011 heeft verweerder besloten (primair besluit) om dit rapport, getiteld ‘Assurance-rapport van een incidenteel onderzoek naar de bekostiging en besteding van de bekostiging van een nieuwe school’ (het rapport) openbaar te maken op de internetsite van de Inspectie van het Onderwijs.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Bij brief van 22 september 2011 heeft verweerder aangegeven, dat hij het rapport niet zal publiceren totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in deze beroepszaak.

2.

Eiseres geeft aan dat door publicatie van het rapport ongerechtvaardigde schade dreigt toegebracht te worden aan de belangen van eiseres. Volgens eiseres staat het rapport vol onjuistheden en is het diffamerend voor de (voorzitter van de) stichting. Eiseres erkent dat het in het belang van de goede en democratische bestuursvoering is, dat het publiek inzage heeft in de wijze waarop publieke middelen worden besteed en de wijze waarop het bestuursorgaan hier controle op uitoefent. Dat belang kan volgens eiseres echter alleen worden gediend doordat aan het publiek juiste informatie wordt verstrekt, die ook in de juiste context wordt gepresenteerd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het belang bij publicatie van het rapport niet kan opwegen tegen de belangen van de stichting en haar voorzitter.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, nu dit is genomen door een ander bestuursorgaan dan het primaire besluit.

3.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wob verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Artikel 2, tweede lid, van de Wob bepaalt, dat het bestuursorgaan er zoveel mogelijk zorg voor draagt dat de informatie, die het overeenkomstig deze wet verstrekt, actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.

Artikel 8, eerste lid, van de Wob bepaalt dat het bestuursorgaan, dat het rechtstreeks aangaat, uit eigen beweging informatie verschaft over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, sub g, van de Wob – voor zover van belang – blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

4.

De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit is genomen door de inspecteur-generaal van het Onderwijs en dat het bestreden besluit is genomen door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de bevoegdheid van de minister om het bestreden besluit te nemen. Indien en voor zover er een bevoegdheidsgebrek zou kleven aan het primaire besluit, is dat bij het bestreden besluit hersteld.

5.

Verweerder heeft besloten het in geding zijnde rapport openbaar te maken op grond van artikel 8 van de Wob. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2011, LJ-nummer BR6938, is ook in geval van een voorgenomen spontane openbaarmaking ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wob een nadere afweging van belangen geboden. Deze nadere afweging houdt in dit geval in dat het algemene belang, dat door onverkorte openbaarmaking wordt gediend, wordt afgewogen tegen het belang van eiseres om geen onevenredig nadeel te ondervinden als gevolg van de publicatie. Daarbij moet aan het algemeen belang een groot gewicht worden toegekend.

Aannemelijk is dat eiseres en/of haar bestuursleden nadeel zullen ondervinden als gevolg van de publicatie. Van een onevenredig nadeel van eiseres en/of haar bestuursleden, zodanig dat het belang daarvan zwaarder moet wegen dan het algemene belang bij openbaarmaking van het rapport, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres, voorafgaand aan de openbaarmaking, in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken, dat deze zienswijze aan het rapport is gehecht en dat het rapport naar aanleiding van de zienswijze op een aantal punten is aangepast. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat bij de openbaarmaking zal worden vermeld dat naar aanleiding van het rapport nog bestuurlijke besluitvorming zal volgen.

6.

Gezien het voorgaande heeft verweerder op goede gronden besloten het in geding zijnde rapport openbaar te maken. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Daarbij gaat de rechtbank er wel van uit, mede gelet op het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de Wob dat het bestuursorgaan er zorg voor moet dragen dat de verstrekte informatie actueel is, dat verweerder bij de openbaarmaking aangeeft – indien hij dat nog nodig acht – welke maatregelen worden getroffen of dat hij geen maatregelen treft, een en ander rekening houdend met de huidige stand van zaken van de school.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, en mrs. C.A.F. van Ginneken en J.C.K.W. Bartel, leden, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.