Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:3660

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-04-2013
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
250281 / 13-597
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Schadeplichtigde werkgever; uitleg 7:680 lid 5 (matigingsbevoegdheid).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0547

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 250281 / 13-597

vonnis van de kantonrechter d.d. 29 april 2013

inzake

[eiser],

wonende te[woonplaats],

eisende partij,

verder te noemen:[eiser],

gemachtigde: mr. K.P.T.G. Flos,

t e g e n :

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. A. Tel (DAS).

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

  • -

    tussenvonnis van 18 februari 2013;

  • -

    proces-verbaal van comparitie gehouden op 27 maart 2013.

de beoordeling van de zaak

1.

Joosse vordert de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van (i) loon ad € 254,94, (ii) vakantietoeslag ad € 24,63, (iii) vakantiedagen ad € 24,63, (iv) 50% verhoging ad € 149,99, (v) gefixeerde schadevergoeding ad € 2.437,20, (vi) wettelijke rente over de bedragen onder i t/m iv, (vii) waarop in mindering strekt € 926,16 netto en (viii) proceskosten.[eiser]

2.

[eiser] voert daartoe -samengevat- aan dat [gedaagde] hem ten onrechte op 24 september 2013 op staande voet heeft ontslagen. Hij beroept zich op de onregelmatigheid van het ontslag en maakt aanspraak op nabetaling van salaris, vakantiegeld en vergoeding van niet genoten vakantiedagen, alsmede op de gefixeerde schadevergoeding.

3.

[gedaagde] voert verweer dat voor zover van belang hieronder zal worden besproken.

4.

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten. Op 13 maart 2012 is[eiser] voor de duur van zes maanden in dienst getreden van [gedaagde]. Op 17 september 2012 is[eiser] wederom voor de duur van zes maanden in dienst van [gedaagde] getreden. Laatstelijk bedroeg zijn loon € 6,07 bruto per uur. Op 24 september 2012 heeft [gedaagde][eiser] op staande voet ontslagen wegens extreem agressief wangedrag.[eiser] heeft geprotesteerd tegen het ontslag. Aanvankelijk heeft hij zich beroepen op de nietigheid van het ontslag, vervolgens op de onregelmatigheid van het ontslag, waarbij hij aanspraak heeft gemaakt op schadevergoeding. De gemachtigden van partijen hebben overleg met elkaar gevoerd. Bij brief van 12 november 2012 heeft de gemachtigde van[eiser] aan die van [gedaagde] bericht: (…) “De heer[eiser] houdt vast aan de onregelmatigheid van het ontslag en vordert een gefixeerde schadevergoeding groot drie bruto maandlonen (inclusief vakantietoeslag)”(…)

In antwoord daarop heeft de gemachtigde van [gedaagde] bericht: (…) “In reactie op uw schrijven d.d. 12 november jl. bericht ik u dat cliënte de gefixeerde schadevergoeding aan uw cliënt zal voldoen.”(…) Vervolgens is op de bankrekening van[eiser] een bedrag bijgeschreven van € 926,16.

5.

Tussen (de gemachtigden van) partijen is vervolgens onenigheid gerezen over de omvang van de gefixeerde schadevergoeding. Daarop concentreert zich het onderhavige geschil.[eiser] maakt aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding welke hem op grond van artikel 7: 680 BW toekomt. Hij stelt -samengevat- dat die schadevergoeding minimaal drie bruto maandlonen bedraagt. [gedaagde] bestrijdt dat. Hij stelt -samengevat- dat de gefixeerde schadevergoeding gelijk is aan het loon over de opzegtermijn.

6.

De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:680 BW is de gefixeerde schadevergoeding in geval van een schadeplichtig ontslag (artikel 7:677 lid 4 BW) gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon voor de tijd dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. In deze bepaling is niet een minimum opgenomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussen hen geldende opzegtermijn bij tussentijdse opzegging een maand bedroeg. Opzegging geschiedt op grondt van artikel 672 lid 1 tegen het einde van de maand, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere dag is aangewezen. Dat is in deze zaak gesteld noch gebleken. Terecht heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij bij regelmatige opzegging op 24 september 2012 derhalve had moeten opzeggen tegen het einde van de maand oktober 2012. Dat betekent dat aan[eiser] een gefixeerde schadevergoeding toekomt gelijk aan het loon over de periode van 24 september 2012 tot 1 november 2012. Waar[eiser] stelt dat de gefixeerde schadevergoeding minimaal drie maandsalarissen bedraagt, heeft hij het oog op het bepaalde in artikel 7:680 lid 5 BW. Die stelling berust echter op een onjuiste uitleg van de wet. Artikel 7:670 lid 5 BW ziet immers op de matigingsbevoegdheid van de rechter, voor het geval de gefixeerde schadevergoeding hem met het oog op de omstandigheden van het geval bovenmatig voorkomt. Daarbij moet gedacht worden aan situaties waarbij toekenning van de gefixeerde schadevergoeding tot een onbillijk resultaat zou leiden, bijvoorbeeld bij vroegtijdige opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding. In dat geval kan de rechter matigen, doch die matigingsbevoegdheid is beperkt tot een bodembedrag van drie maandlonen. In het onderhavige geschil komt de rechter evenwel niet aan matiging toe.

7.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat aan[eiser] een gefixeerde schadevergoeding toekomt gelijk aan het loon over de periode van 24 september tot 1 november 2012. [gedaagde] heeft bij antwoord gesteld dat in het aan[eiser] betaalde bedrag van € 926,10 is inbegrepen de over deze periode berekende gefixeerde schadevergoeding, alsmede loon, vakantiegeld en niet genoten vakantiedagen als gevorderd door[eiser].[eiser] heeft dat ter comparitie niet bestreden. Evenmin heeft[eiser] bestreden dat tegen de afrekening van [gedaagde] nooit bezwaar is gemaakt.[eiser] heeft zijn stellingen dat hij - naast een hoger bedrag aan gefixeerde schadevergoeding- nog recht heeft op nabetaling van loon, vakantiegeld en een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen daarmee niet gemotiveerd gehandhaafd, zodat de vorderingen ter zake niet toewijsbaar zijn.

8.

Als de in het ongelijk te stellen partij dient[eiser] de proceskosten van [gedaagde] te vergoeden.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt[eiser] in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van [gedaagde] en tot op heden begroot op € 350,-- wegens salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.