Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:3188

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
AWB- 12_5120
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2014:645, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dat de SBF-regeling minder gunstig voor eiser uitpakt dan verwacht is geen gebrek dat kleeft aan het bestreden besluit.

Het had op de weg van eiser gelegen om, op het moment dat hij op de hoogte was van de financiële consequenties van toepassing van de SBF-regeling en hij het daar niet mee eens was, zijn verzoek om buitengewoon verlof en toepassing van de regeling in te trekken. Eiser heeft dit niet gedaan.

Dat de regeling minder gunstig voor eiser uitpakt dan gedacht, is geen gebrek dat kleeft aan het bestreden besluit, maar komt voort uit de SBF-regeling zelf.

Eiser had zich voor het indienen van het verzoek beter moeten laten voorlichten over de financiële consequenties.

De SBF-verlofregeling heeft in eisers geval niet zulke onredelijke gevolgen dat nadeelcompensatie geboden is.

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet, geldigheid: 2013-07-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 12/5120 AW

uitspraak van 22 april 2013 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. M.C.W.C. van Zon,

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 10 september 2012 (bestreden besluit) van verweerder inzake de beëindiging van zijn buitengewoon verlof.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden te Middelburg op 11 maart 2013. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder verweerder]

Overwegingen

1.

Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser, geboren op 2 januari 1950, was werkzaam bij de Dienst justitiële inrichtingen.

Bij besluit van 6 april 2010 (primair besluit) heeft verweerder op een aanvraag van eiser beslist dat aan hem per 1 maart 2010 buitengewoon verlof wordt toegekend zonder behoud van bezoldiging. Verder is toen beslist dat eiser gedurende de verlofperiode in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Regeling uitkering substantieel bezwarende functies (SBF-regeling) van 80% van zijn bezoldiging, zijnde € 4.754,-- bruto per maand. De einddatum van de uitkering is vastgesteld op 1 maart 2013.

Bij brief van 4 juni 2010 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

De adviescommissie bezwaarschriften heeft op 27 januari 2011 advies uitgebracht.

Bij besluit van 14 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser, in afwijking van het advies van de adviescommissie bezwaarschriften, ongegrond verklaard. Voor zover het bezwaar is gericht tegen de hoogte van de uitkering na het ontslag is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep aangetekend tegen het besluit van 14 maart 2011. Het beroep is door de rechtbank Middelburg op 30 juni 2011 gegrond verklaard en dit besluit is vernietigd, omdat verweerder niet de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft opgestuurd. Het verzet van verweerder is bij uitspraak van 1 september 2011 ongegrond verklaard.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de einddatum van de verlofperiode op grond van door het ABP gemaakte berekeningen vastgesteld op

1 mei 2013.

2.

Eiser heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat hij verkeerd is geïnformeerd over de hoogte van het keuzepensioen. Aan eiser was in het vooruitzicht gesteld dat hij tussen zijn 60e en 65e een uitkering zou gaan ontvangen van 80% van zijn salaris plus ORT. Dit wordt niet gehaald. Als eiser hiermee bekend was geweest, had hij geen aanvraag gedaan. Eiser is van mening dat hij of opnieuw de keuze moet krijgen, dan wel dat hij een compensatieregeling moet krijgen, die even hoog is als in het vooruitzicht is gesteld. Eiser is van mening dat verweerder overeenkomstig het advies van de bezwaarcommissie had moeten beslissen. Eiser is verder van mening dat zijn bezwaar niet deels niet-ontvankelijk verklaard had mogen worden.

3.

In artikel 97, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is bepaald dat bij besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een in categorie A en B onderverdeelde lijst met functies wordt vastgesteld, die uit hoofde van de aard van de aan die functies verbonden werkzaamheden als substantieel bezwarend worden aangemerkt.

In artikel 97, tweede lid, van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar, belast met een functie die is ingedeeld in categorie A van de in het eerste lid bedoelde lijst, eervol ontslag wordt verleend op de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar en 8 maanden heeft bereikt.

In artikel 97, vierde lid, van het ARAR is bepaald dat het bevoegd gezag van het verlenen van het ontslag, bedoeld in het tweede en het derde lid, voor de duur van telkens ten hoogste één jaar kan afzien, indien het dienstbelang zich daartegen niet verzet, de ambtenaar zulks heeft aangevraagd of daarmee instemt en hij blijkens de uitslag van een door de deskundige persoon of de arbodienst ingesteld arbeidsgezondheidskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 36a, eerste lid, onder f, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn functie te blijven vervullen.

In artikel 97, zevende lid, van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar, aan wie op grond van het tweede, derde of vijfde lid ontslag is verleend, recht heeft op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels.

In artikel 130d, eerste lid, van het ARAR is bepaald dat in afwijking van artikel 97, tweede lid, voor ambtenaren die zijn geboren in de jaren 1950 tot en met 1964 als ontslagleeftijd geldt de dag waarop hun uitkering op grond van de krachtens het zevende lid van artikel 97 vastgestelde regeling eindigt.

In artikel 130d, tweede lid, van het ARAR is bepaald dat gedurende de periode waarin de ambtenaar aanspraak kan maken op de in het eerste lid bedoelde uitkering, het bevoegd gezag de ambtenaar buitengewoon verlof verleent zonder behoud van bezoldiging. Artikel 97, vierde tot en met zesde lid, is hierbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «ontslag» wordt gelezen: verlof.

In artikel 6, eerste lid, van de SBF-regeling, is bepaald dat de betrokkene die is geboren in de periode vanaf 1 januari 1950 tot en met 31 december 1964, in verband met ontslag uit een functie als bedoeld in artikel 97, tweede lid, ARAR verlof wordt verleend op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de onderstaande leeftijden wordt bereikt. Tijdens dit verlof bestaat recht op een uitkering van 80% van de bezoldiging.

Geboortejaren Leeftijd

1950, 1951, 1952 60 jaar en 1 maand

1953, 1954, 1955 60 jaar en 2 maanden

1956, 1957, 1958 60 jaar en 3 maanden

1959, 1960, 1961 60 jaar en 5 maanden

1962, 1963, 1964 60 jaar en 7 maanden

In artikel 6, vierde lid, van de SBF-regeling is bepaald dat de in het eerste tot en met derde lid bedoelde uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop de betrokkene met het totaal van zijn recht op extra opbouw ouderdomspensioen, zijn recht op inkoop aanspraken ouderdomspensioen en zijn aanspraken op grond van overgangsbepaling A bij hoofdstuk 6 van het pensioenreglement in staat is een pensioenuitkering te financieren tot de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt waarvan de hoogte gelijk is aan die van zijn uitkering.

4.

Niet in geschil is dat eiser een substantieel bezwarende functie vervulde welke valt onder artikel 1, eerste lid, onder a, ten eerste, van de Regeling aanmerking substantieel bezwarende functies. De rechtbank stelt voorts vast dat, hoewel verweerder in het bestreden besluit in navolging van de uitspraken van 6 juli 2012 van de rechtbank Rotterdam spreekt van een gebonden ontslagbesluit op de voet van artikel 97, tweede lid, in verbinding met artikel 130d, eerste lid, van het ARAR, nog geen ontslag is verleend. Het bestreden besluit bevat naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend een beslissing over de toekenning, duur en hoogte van de SBF-verlofuitkering, zodat de omvang van het geding daartoe beperkt is.

5.

Uit wat eiser in beroep heeft aangevoerd, leidt de rechtbank af dat eiser niet betwist dat verweerder de SBF-regeling terecht en op een juiste wijze heeft toegepast. Eiser heeft ook geen gronden gericht tegen de SBF-regeling als zodanig, maar heeft aangevoerd dat de uitwerking van deze regeling uiteindelijk niet goed voor hem uitpakt. De opmerking van verweerder in zijn verweerschrift dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden, voor zover het gericht is tegen de SBF-regeling op zich, hoeft daarom geen bespreking meer.

6.

De rechtbank overweegt dat in het primaire besluit beslist is op een aantal punten, welke bij het bestreden besluit zijn gehandhaafd. Ten eerste heeft verweerder aan eiser conform artikel 6, eerste lid, van de SBF-regeling per 1 maart 2010 buitengewoon verlof verleend. De rechtbank stelt vast dat eiser zich tijdens de bezwaarfase niet heeft verzet tegen de ingangsdatum van het verlof. Evenmin heeft eiser het verzoek om verlof ingetrokken. Het vorenstaande betekent dat de verlening van het buitengewoon verlof per 1 maart 2010 in rechte vaststaat.

Ten tweede heeft verweerder in het primaire besluit de uitkering toegekend en de hoogte van die uitkering vastgesteld. Niet is in geding dat verweerder wat deze punten betreft de SBF-regeling juist heeft toegepast.

Ten derde is de einddatum van de uitkering in het bestreden besluit vastgesteld op

1 mei 2013 op basis van de berekening van het ABP. De rechtbank stelt vast dat eiser de berekening niet heeft betwist. De rechtbank begrijpt de beroepsgronden van eiser evenwel aldus, dat eiser stelt dat op 1 mei 2013 nog geen sprake is van een situatie waarin hij met het totaal van zijn recht op extra opbouw ouderdomspensioen, zijn recht op inkoop aanspraken ouderdomspensioen en zijn aanspraken op grond van overgangsbepaling A bij hoofdstuk 6 van het pensioenreglement in staat is een pensioenuitkering te financieren tot de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt waarvan de hoogte gelijk is aan die van zijn uitkering (artikel 6, vierde lid, van de SBF-regeling). De rechtbank is echter niet gebleken dat eiser daartoe niet in staat is. Daarbij is rechtbank niet gebleken dat de berekening van het ABP onjuist is. Verweerder heeft derhalve terecht de einddatum van de uitkering op 1 mei 2013 vastgesteld.

7.

De rechtbank overweegt dat het feit dat de toepassing van de regeling minder gunstig uitvalt dan eiser had verwacht, geen gebrek is dat aan het bestreden besluit kleeft maar voortkomt uit de SBF-regeling zelf. De inhoud van de SBF-regeling ligt evenwel niet ter toetsing voor. De beroepsgronden van eiser kunnen dan ook niet tot een gegrond beroep en vernietiging van het bestreden besluit leiden.

De rechtbank merkt hierbij op dat eiser het verzoek om toepassing van de SBF-regeling niet heeft ingetrokken, ook niet toen hij wel volledig was geïnformeerd. Er ligt ook geen verzoek om langer door te mogen werken op de voet van artikel 97, vierde lid, van het ARAR. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van eiser gelegen om, op het moment dat hij bij het primaire besluit van de financiële consequenties van de toepassing van de SBF-regeling op de hoogte werd gesteld en hij het daar niet mee eens was, zijn verzoek om buitengewoon verlof en toepassing van de regeling in te trekken. Los daarvan overweegt de rechtbank dat het ook aan eiser was om zich vóór het indienen van het verzoek beter te laten informeren omtrent de financiële consequenties.

De rechtbank oordeelt verder dat niet is gebleken dat de SBF-verlofuitkering in eisers geval zulke onredelijke gevolgen heeft dat nadeelcompensatie geboden was. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die dat oordeel zouden kunnen dragen. De omstandigheid dat de SBF-verlofuitkering in de praktijk lager is uitgevallen terwijl eiser erop heeft vertrouwd dat hij tot zijn 65e een uitkering zou ontvangen van circa 80% van de bezoldiging, is daartoe in ieder geval onvoldoende. De tekst van de SBF-regeling biedt geen feitelijke grondslag voor een dergelijk vertrouwen.

Het verzoek om een compensatieregeling wordt daarom afgewezen.

8.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit – anders dan in de beslissing op bezwaar van 14 maart 2011 – het bezwaar tegen de hoogte van de uitkering na ontslag niet niet-ontvankelijk heeft verklaard, maar ongegrond. Overwogen is dat de hoogte van de uitkering na het einde van het SBF-verlof buiten de omvang van deze procedure valt, omdat in het primaire besluit enkel de duur van het SBF-verlof en de hoogte van de SBF-uitkering tijdens de verlofperiode is bepaald. De rechtbank onderschrijft dat standpunt.

9.

Het beroep zal gezien het bovenstaande ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, voorzitter, en mrs. D.H. Hamburger en J.J.M. van Lanen, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.