Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:3179

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
AWB 13/8620, 13/8631, 13/8633, 13/8635, AWB 13/8621, 13/8632, 13/8634 en 13/8637
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AA-opvolgend, aanvraag geen nova

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 13/8620, 13/8631, 13/8633 en 13/8635 (bodemprocedures) en

AWB 13/8621, 13/8632, 13/8634 en 13/8637 (voorlopige voorzieningen)

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van de rechtbank in de zaak tussen

[naam 1], geboren[geboortedag 1] 1952, eiseres 1,

[naam 2], geboren [geboortedag 2] 1989, eiseres 2,

[naam 3] , geboren[geboortedag 3] 1989, eiser 1,

[naam 4] , geboren [geboortedag 4] 1997, eiser 2,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde mr. M.M.G. Helgers-Crompvoets,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. D.P.A. van Laarhoven.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 28 maart 2013 (hierna: de bestreden besluiten), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), zijn de asielaanvragen van eisers afgewezen.

Op 28 maart 2013 hebben eisers tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op hun beroep is beslist.

De behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 11 april 2013. Eiseres 2 en eiser 1 zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. W. de Vilder, die optreedt als waarnemer van de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) onmiddellijk op de beroepen worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.

Eisers bezitten allen de Oezbeekse nationaliteit. Zij stellen etnische Russen te zijn en het Russisch-orthodoxe geloof te belijden. Eiseres 1 is de moeder van eisers 2 en 3. Eiseres 2 is getrouwd met eiser 1. Eisers 2 en 3 hebben een zoon, geboren in Nederland op 9 oktober 2011.

Op 25 november 2010 hebben zij een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft bij besluiten van 18 april 2011 deze aanvragen afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht, heeft bij uitspraak van 2 maart 2012 (AWB 11/16801, 11/21486 en 11/21487) het hiertegen ingestelde beroep van eisers ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak loopt nog hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).

3.

Op 22 maart 2013 hebben eisers opnieuw een asielaanvraag ingediend. Bij voorafgaande brief van 13 maart 2013 hebben zij aangevoerd dat er sprake is van een verslechtering van de situatie ten aanzien van christenen in Oezbekistan. Als nadere onderbouwing van deze stelling hebben eisers daarbij een aantal documenten overgelegd, te weten:

  • -

    Oezbekistan: nieuwe wetten in de republiek beperken christenen sterk in hun rechten” , artikel d.d. 2 augustus 2006 via Invictory. Org.; “Over ‘zuiveringen’ onder christenen in Oezbekistan (exclusief interview op 27 januari 2011 door Inga Geritsj, coördinator van Article 18 Alliance ‘PROTESTANT.RU’ van de Oezbeekse pastoor Bakhtier Tuichiev, gepubliceerd door Akim op 28 januari 2011;

  • -

    Vervolging van christenen in Oezbekistan” en “Een nieuwe golf van doorzoekingen en arrestaties van christenen in Oezbekistan”,internetartikelen (Bron: invictory.org) d.d. 26 mei 2010;

  • -

    Over vervolging van gelovigen in Oezbekistan”, een bericht van de afdeling Bescherming van de Internationale Unie van Kerken (MSTs) van Evangelische Christenbaptisten (EChB), bericht No. 8 van 31 maart 2012;

  • -

    Anfragebeantwortung zu Usbekistan: Aktuelle Lage von ChristInnen” van ACCORD (Austrian Centre for Country of Origin and Asylum Research and Documentation [a-8271] van 29 januari 2013;

  • -

    Forum 18: Uzbekistan: Raids, criminal charges and Christmas Bible destruction van 4 februari 2013;

  • -

    Human Rights Watch World Report 2013 - Uzbekistan - van 31 januari 2013;

  • -

    US Department of State: 2011 International Religious Freedom Report – Uzbekistan van 30 juli 2012;

  • -

    Forum 18: Uzbekistan: “Leave only one spoon, one mug and one mattress for each” van 18 september 2012.

Eisers lichten nader toe dat zij in Oezbekistan als Russisch-orthodoxe christenen in het beleven van hun geloofsovertuiging worden onderdrukt en doen een beroep op de uitspraak van het Hof van Justitie EU van 5 september 2012, Y. en Z. tegen Duitsland (C71/11 en C99/11).

Voorts doen zij een beroep op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 18 december 2012 in de zaak van F.N. e.a. tegen Zweden (28774/09; LJN BY9663). Gedwongen terugkeer leidt er volgens eisers toe dat de Oezbeekse autoriteiten bekend zullen raken met hun asielaanvragen in Nederland, terwijl zij illegaal Oezbekistan zijn uitgereisd en gedurende langere tijd in Nederland hebben verbleven. Zij vrezen daarom voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) bij terugkeer naar hun land van herkomst.

4.

Verweerder heeft bij de bestreden besluiten de aanvragen van eisers afgewezen onder verwijzing naar de eerdere besluiten van 18 april 2011 en daarbij een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bestreden besluiten mede strekken tot afwijzing van de asielaanvraag van eisers en daarom in zoverre van gelijke strekking zijn als de eerdere afwijzende besluiten van verweerder van 18 april 2011.

6.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 6 maart 2008, LJN: BC7124) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit materieel een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door betrokkene aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45) voordoen.

7.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (hierna: nova) moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

8.

De voorzieningenrechter stelt vast dat eisers geen nova hebben ingebracht ten aanzien van hun individuele asielrelazen. Dat eiser 2 in de loop van de procedure meerderjarig is geworden en in de eerdere procedure geen eigen asielrelaas heeft kunnen inbrengen, doet daaraan niet af. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht, bij uitspraak van 2 maart 2012 over de vraag of verweerder het standpunt heeft kunnen innemen dat positieve overtuigingskracht aan de asielrelazen ontbreekt, het volgende heeft geoordeeld (rechtsoverweging 2.4.4., tweede en derde alinea):

“(…) redengevend heeft kunnen achten dat het vermoeden van eisers dat de gestelde gebeurtenissen het gevolg zijn van hun Russische etniciteit en hun Russisch-orthodoxe geloofsovertuiging niet kan worden gevolgd nu de verklaringen van eisers niet overeenkomen met de algemene informatie hierover. De door eisers in dit kader overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel. Uit deze stukken leidt de rechtbank af dat de situatie in Oezbekistan zorgwekkend is nu er, volgens die stukken, sprake is van een staat die alles onder controle wil houden en er daarom sprake is van een forse beperking van onder andere de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en de bewegingsvrijheid, maar uit deze stukken volgt niet dat er in het bijzonde sprake is van een achtergestelde positie van etnische Russen of Russisch-orthodoxe christenen. Eisers hebben onder andere een artikel overgelegd, waarbij foto’s zijn afgebeeld waarop weliswaar te zien is dat een christelijke kerk wordt gesloopt, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat er sprake van een algemene uitbanning van het Russisch-orthodoxe geloof.

Verweerder heeft eveneens redengevend kunnen achten dat uit de door verweerder ingebrachte stukken blijkt dat de enige christelijke stroming die door de Oezbeekse autoriteiten wordt toegestaan juist de Russisch-orthodoxe stroming is. Op pagina 7 van het rapport van US State department staat immers dat er in de verslagperiode slecht één registratie is verleend en dat was nota bene voor een Russisch-orthodoxe kerk. De stelling van eisers, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2009, LJN: BI2317, dat deze informatie niet afdoende is en verweerder zich hier dan ook niet enkel op mag baseren, volgt de rechtbank niet, omdat een wezenlijk verschil is met de zaak van eisers dat in die zaak het feitelijke asielrelaas van de betreffende vreemdeling geloofwaardig was bevonden.”

9.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet de uitspraak van deze rechtbank, zittingplaats Dordrecht, van 2 maart 2012, anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, aldus worden gelezen dat eisers als etnische Russen worden beschouwd die het Russisch-orthodoxe geloof belijden. De doopakte van de zoon van eisers 2 en 3, kleinzoon van eiseres 1, bevestigt dat zij zich ook in Nederland als Russisch-orthodoxe gelovigen wensen te gedragen.

10.

Gegeven de omstandigheid dat eisers als Russisch-orthodoxen moeten worden beschouwd, moet bezien worden of er sprake is van een verslechterde situatie van de Russisch-orthodoxe gelovigen in Oezbekistan sinds de eerdere afwijzende besluiten van verweerder van 11 april 2011.

11.

De ingebrachte artikelen die dateren van voor de besluiten van 11 april 2011 zijn niet als nova aan te merken. De overige ingebrachte artikelen bevatten geen informatie waaruit blijkt dat sprake is van een verslechtering van de positie van etnische Russen die het Russisch-orthodoxe geloof belijden in Oezbekistan. Deze artikelen geven slechts algemene informatie over de situatie van christenen in Oezbekistan. Ook deze artikelen zijn daarom niet als nova aan te merken.

12.

. Met betrekking tot de door eisers gevreesde gevolgen van de gestelde illegale uitreis volstaat de voorzieningenrechter met het oordeel dat in meergenoemde uitspraak van 2 maart 2012 in rechtsoverweging 2.4.5 is geoordeeld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij illegaal zijn uitgereisd. Dat eisers bij terugkeer in hun land van herkomst een langdurig verblijf in het buitenland zullen moeten verklaren, heeft niet tot gevolg dat reeds hierdoor sprake zou zijn van een reële vrees voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Anders dan in de door eisers genoemde uitspraak van het EHRM in de zaak van F.N. e.a. tegen Zweden als vaststaand moet worden aangenomen, is in het geval van eisers gesteld noch gebleken dat verweerder aan de Oezbeekse ambassade asielgerelateerde dossierinformatie heeft toegezonden. Het aanvragen van laissez-passers bij de Oezbeekse ambassade betekent op zichzelf nog niet dat eisers in de bijzondere negatieve belangstelling van de Oezbeekse autoriteiten zijn komen te staan.

13.

Nu voor het overige niet is gebleken van nova, zich geen voor eisers relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is aangevoerd dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in de eerdergenoemde zaak Bahaddar, is voor rechterlijke toetsing van de bestreden besluiten, voor zover deze betrekking hebben op de asielaanvragen van eisers, geen plaats. De beroepen kunnen in zoverre niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten.

14.

Het voormelde toetsingskader geldt niet voor het opgelegde inreisverbod, nu daarvan niet eerder sprake was. Dat betekent dat de voorzieningenrechter de bestreden besluiten wel kan toetsen voor zover deze strekken tot het opleggen van een inreisverbod.

15.

Eisers hebben in beroep tegen het opgelegde inreisverbod aangevoerd dat de door verweerder vermelde gronden voor oplegging van een inreisverbod ontoereikend zijn. De voorzieningenrechter volgt eisers daarin niet. Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan de vertrektermijn van vier weken worden verkort, dan wel worden bepaald dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft daartoe gewezen op de omstandigheid dat eisers geen vaste woon- of verblijfplaats hebben en niet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Eisers hebben dat niet bestreden. Verweerder heeft de vertrektermijn van eisers daarom terecht tot nul teruggebracht. Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 schrijft voor dat een inreisverbod wordt opgelegd indien de vreemdeling onmiddellijk Nederland moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van deze wet. Gelet hierop heeft verweerder terecht een inreisverbod opgelegd. Eisers hebben geen gronden aangevoerd die zijn gericht tegen de duur van het inreisverbod. De voorzieningenrechter zal daarover dan ook geen oordeel geven.

16.

Het beroep is ongegrond.

17.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

18.

Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van R. de Pooter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2013.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.