Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:267

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
09-05-2014
Zaaknummer
242622 / 12-1764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verkoop van boerderij onder voorbehoud van huur van jachtrechten. Tijdens duur van overeenkomst van jachthuur draagt de koper van de boerderij de eigendom over aan de zoon. Vordering tegen vader en zoon tot het verhuren van jachtrecht of schadevergoeding afgewezen. Vader kan verplichting uit koopovereenkomst niet meer nakomen. Zoon is niet gebonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

[Zaaknummer] [Rolnummer]

Zittingsplaats: Terneuzen

zaak/rolnr.: 242622 / 12-1764

vonnis van de kantonrechter d.d. 16 januari 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen:[eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. ir. J.L. Mieras,

t e g e n :

1.

[gedaagde 1],

wonende te [woonplaats 2],

verder te noemen: [gedaagde 1],

en

2.

[gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 3],

verder te noemen: [gedaagde 2],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.H.J.N.M. van Rooij.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

  • -

    dagvaarding van 21 augustus 2012,

  • -

    conclusie van antwoord,

  • -

    tussenvonnis van 3 oktober 2012,

  • -

    comparitie van partijen.

de beoordeling van de zaak

1.

In het tussenvonnis werd een comparitie van partijen gelast die plaatshad op 28 november 2012. Van de comparitie werd een proces verbaal opgemaakt.

2.1.

Bij overeenkomst van [datum] verkochten de ouders van[eiser] aan [gedaagde 1] een boerderij en percelen bouwland en dijk te [woonplaats 3]. Artikel 4 lid 4 van de koopakte bepaalt : “De feitelijke levering van het verkochte zal na roven oogst 1999 geschieden, vrij van huur of pacht; de jachtrechten behorende tot de percelen bouwland en dijk worden voorbehouden aan [eiser], zulks onder de gebruikelijke bedingen te weten voor een huursom van ƒ 10,- per jaar voor onbepaalde tijd.” De feitelijke levering heeft plaatsgevonden.

2.2.

Op 11 juni 2006 ondertekenden [gedaagde 1] en[eiser] een overeenkomst voor de duur van zes jaar tot 1 april 2012. Volgens deze overeenkomst verhuurde [gedaagde 1] aan[eiser] het genot van de jacht op de percelen bouwland en dijk. In 2008 droeg [gedaagde 1] de eigendom van de boerderij en de percelen bouwland en dijk over aan zijn zoon [gedaagde 2]. Op verzoeken namens[eiser] om de jachthuurovereenkomst met ingang van 1 april 2012 te verlengen met zes jaar, reageerden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] afwijzend.

3.1.

[eiser] vordert, na vermindering van eis ter comparitie, samengevat weergegeven, de veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]:

1.

primair: tot medewerking in de nakoming van de overeenkomst van 24 augustus 1999 door aan[eiser] om de zes jaar, te beginnen op 1 april 2012, de jacht te verhuren van de percelen bouwland en dijk op straffe van verbeurte van een dwangsom,

subsidiair: tot betaling van schadevergoeding met wettelijke rente vanaf 16 augustus 2012,

2.

tot betaling van € 535,50 als vergoeding van buitengerechtelijke kosten met wettelijke rente vanaf 16 augustus 2012,

3.

in de proceskosten.

3.2.

[eiser] baseert zijn vordering op artikel 4 lid 4 van de koopakte van 24 augustus 1999. Overeengekomen is dat hij op zijn geboortegrond voor onbepaalde tijd mag jagen. Uit de tekst en de strekking van deze bepaling kan worden afgeleid dat ook [gedaagde 2] tot de verplichting is gehouden. In 1999 wist [gedaagde 1] al dat [gedaagde 2] te zijner tijd het bedrijf zou overnemen. Zij beiden wisten dat het voorbehoud van de jacht uitdrukkelijke voorwaarde was voor verkoop van de boerderij met percelen bouwland en dijk. Het jachtrecht blijft bestaan ook bij eigendomsoverdracht. Door samenspanning trachtten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onder hun verplichtingen uit te komen. Het subsidiair gevorderde is vergoeding van de schade die[eiser] lijdt doordat hij zijn geboortegrond niet meer kan bejagen. Ter comparitie voert[eiser] aan dat het jachtrecht hem is voorbehouden door zijn ouders bij de verkoop van de boerderij met percelen bouwland en dijk aan [gedaagde 1].[eiser] aanvaardde dit beding door uitoefening van het jachtrecht en door betaling van de overeengekomen vergoeding. Het beding is een kwalitatieve verbintenis zodat ook [gedaagde 2] is gebonden. In artikel 4 lid 4 van de koopakte van 24 augustus 1999 is bepaald dat het jachtrecht is voorbehouden onder de gebruikelijke bedingen. Tot die gebruikelijke bedingen moet ook een kettingbeding worden gerekend.

4.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer.

5.

De kantonrechter overweegt als volgt.

5.1.

De vordering betreft een huurovereenkomst zodat de zaak moet worden behandeld en beslist door de kantonrechter.

5.2.

[eiser] was niet partij bij de koopovereenkomst van 24 augustus 1999. Artikel 4 lid 4 van de koopakte is een beding ten behoeve van[eiser] dat door hem is aanvaard. Dit brengt mee dat hij zich jegens [gedaagde 1] mocht beroepen op de aan hem voorbehouden jachtrechten.

5.3.

[gedaagde 1] kwam zijn verplichtingen uit artikel 4 lid 4 van de koopakte na, onder meer door het sluiten van de jachthuurovereenkomst van 11 juni 2006 met[eiser]. Niet gebleken is dat[eiser] is belet in het genot van de jacht voor 1 april 2012. Op die dag kwam aan de jachthuur op grond van die overeenkomst een einde.

5.4.

Artikel 35 Flora- en faunawet bepaalt dat voor zover het genot van de jacht ten tijde van de eigendomsovergang van de grond is verhuurd, deze huurovereenkomst in stand blijft. [gedaagde 2] werd in 2008 eigenaar van de percelen bouwland en dijk. Hij moest na de eigendomsovergang de verplichtingen uit de jachthuurovereenkomst van 11 juni 2006 ten opzichte van[eiser] nakomen tot 1 april 2012. Niet gebleken is dat hij daarin tekortschoot.

5.5.

Tot de "gebruikelijke bedingen " als bedoeld in artikel 4 lid 4 van de koopakte van 24 augustus 1999 kan niet worden gerekend een kettingbeding dat erop neerkomt dat [gedaagde 1] bij vervreemding van de percelen bouwland en dijk gehouden was zijn verplichtingen uit artikel 4 lid 4 op te leggen aan zijn rechtsopvolger. Er is dan ook geen sprake van dat [gedaagde 1] tekortschoot in de nakoming van verplichtingen uit een kettingbeding van die strekking.

5.6.

Nadat [gedaagde 1] de eigendom van de percelen bouwland en dijk had overgedragen aan zijn zoon, was hij niet meer als eigenaar gerechtigd tot het genot van de jacht op die percelen zodat hij ook niet meer het genot kon verhuren vanaf 1 april 2012. Dit kan niet worden aangemerkt als enig tekortschieten van [gedaagde 1] in de nakoming van zijn verbintenissen uit artikel 4 lid 4 van de koopakte van 24 augustus 1999. De vordering tegen hem is in alle onderdelen gebaseerd op een dergelijke tekortschieten en is dus niet toewijsbaar.

5.7.

[gedaagde 2] is niet partij bij de overeenkomst van 24 augustus 1999. Niet gesteld of gebleken is dat bij die overeenkomst of op andere wijze is bedongen dat de verplichting die voor de verkoper voortvloeit uit artikel 4 lid 4 ten behoeve van[eiser] zal overgaan op degenen die de eigendom van de percelen bouwland en dijk zullen verkrijgen onder bijzondere titel. Die verplichting is dan ook niet een kwalitatieve verbintenis in de zin van artikel 6: 252 BW die met de eigendomsoverdracht in 2008 overging op [gedaagde 2]. De vordering tegen hem is in alle onderdelen gebaseerd op zijn tekortschieten in de nakoming van zijn verbintenissen uit artikel 4 lid 4 van de koopakte van 24 augustus 1999. Omdat [gedaagde 2] niet gebonden is door dat beding is de vordering tegen hem niet toewijsbaar.

5.8.

Voor het geval de stelling van[eiser] dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] trachtten door samenspanning onder hun verplichtingen uit te komen, moet worden opgevat als een beroep op hun onrechtmatige daad als grondslag van (enig onderdeel van) de vordering, moet dit beroep worden verworpen. Het voornemen van [gedaagde 1] om de eigendom van de boerderij met percelen bouwland en dijk over te dragen aan zijn zoon en de uitvoering daarvan door vader en zoon zijn niet onrechtmatig. Dat als gevolg daarvan[eiser] vanaf 1 april 2012 niet langer gerechtigd is tot het genot van de jacht is evenmin onrechtmatig.

5.9.

[eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

de beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt[eiser] in de kosten van het geding welke aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot op heden worden begroot op € 800,-- wegens salaris van de gemachtigde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kool, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.