Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:265

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
233921/12-585
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

stuiting en schorsing van de verjaring door collectieve actie ex art. 3:305a BW,

aandelenlease, buitengerechtelijke vernietiging ex art. 1:89 BW door echtgenote

Dexia stelt dat de bevoegdheid tot vernietiging reeds was verjaard. Gedaagde stelt dat de verjaring is gestuit en geschorst door de Eegaleaseprocedure. De eis in die procedure is ten dele toegewezen bij vonnis d.d. 25 augustus 2004, maar Dexia heeft hoger beroep ingesteld, waardoor het vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan. Vervolgens is een vaststellingsovereenkomst gesloten.

Deze vaststellingsovereenkomst behoort mede gelet op de samenhang met de Duisenberg-regeling niet te worden opgevat als een intrekking van de daad van rechtsvervolging in de zin van art. 3:316, lid 2 laatste volzin, BW.

Die collectieve actie in de Eegaleaseprocedure was de eerste stap in het geldend maken van het vernietigingsrecht van individuele belanghebbenden en heeft daarom de verjaring van vorderingen van individuele belanghebbenden met soortgelijke vorderingen gestuit. Een andere opvatting zou de toepassing van art. 3:305a BW onaanvaardbaar beperken. Het persoonlijke karakter van de vernietigingsbevoegdheid ex art. 1:89 BW verzet zich niet tegen stuiting van de verjaring door een ander.

De regeling van art. 3:316 BW is niet afgestemd op de collectieve actie ex art. 3:305a BW dat negen jaren later is ingevoerd. Een redelijke toepassing van art. 3:316, lid 2, BW brengt mee dat in dit geval het beëindigen van de Eegalease-procedure vanwege het tot stand komen van de Duisenberg-regeling moet worden gelijkgesteld met een toewijzend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.

De conclusie is dat de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid door de Eegaleaseprocedure is gestuit en geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Zittingsplaats Middelburg

zaak/rolnr.: 233921/12-585

vonnis d.d. 16 januari 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

verder te noemen: Dexia,

gemachtigde: DRA Debt Recovery Agency B.V. (EDR Incasso),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te[adres],

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

verder te noemen: [gedaagde],

gemachtigde thans: mr. G. van Dijk (Leaseproces).

1 Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

  1. . de dagvaarding van 14 februari 2012 met producties;

  2. . de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

  3. . de conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie met producties;

  4. . de conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie houdende vermeerdering van eis, met producties;

  5. . de conclusie van dupliek in reconventie met producties.

2 De beoordeling van de zaak

1.1.

[gedaagde] heeft meerdere effectenleasecontracten afgesloten bij Legio Lease, een rechtsvoorgangster van Dexia. Diverse van deze contracten hebben hem een batig saldo opgeleverd, maar twee een restschuld. Eén daarvan, contract nr. [nummer], is afgesloten op 31 oktober 2000 met een looptijd van 120 maanden. [gedaagde] diende een bedrag van € 10.890,60 vooruit te betalen (in guldens).

1.2.

Dexia heeft van de echtgenote van [gedaagde] een brief d.d. 21 november 2005 ontvangen, waarin zij Dexia meedeelt voor vijf contracten – waaronder contract nr. [nummer] – geen toestemming te hebben verleend en de contracten te vernietigen op grond van de artt. 1:88 en 1:89 BW.

1.3.

[gedaagde] heeft een zogeheten opt out-verklaring afgelegd, waardoor de algemeen verbindend verklaarde Duisenberg-regeling niet van toepassing is.

2.1.

Dexia heeft gesteld:

De restschuld van contract nr. [nummer] bedraagt € 5.811,54. Dexia erkent dat zij in haar zorgplicht jegens [gedaagde] tekort is geschoten zodat volgens het “hofmodel” (arresten hof Amsterdam d.d. 1 december 2009) twee derde deel van de restschuld voor rekening van Dexia zou moeten komen. Maar overeenkomstig recente jurisprudentie mag ex art. 6:100 BW het voordeel uit andere effectenleasecontracten in mindering worden gebracht. Twee contracten hebben geresulteerd in een uitkering aan [gedaagde] van € 52.194,50 totaal. Na het verrekenen van dit voordeel behoeft Dexia niets van de restschuld voor haar rekening te nemen. Op de restschuld ad € 5.811,54, komt nog in mindering het positieve saldo ad € 402,64 van de contracten nrs. [nummer] en [nummer], zodat in hoofdsom € 5.408,90 resteert.

2.2.

Op deze gronden heeft Dexia betaling gevorderd van die hoofdsom met wettelijke rente vanaf 7 maart 2007 en voorts vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 700,- met rente.

2.3.

[gedaagde] heeft zich beroepen op de buitengerechtelijke vernietiging van contract nr. [nummer] door zijn echtgenote en op die grond in conventie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en in reconventie gevorderd:

  1. . een verklaring voor recht dat dat contract rechtsgeldig is vernietigd,

  2. . veroordeling van Dexia om met rente terug te betalen al hetgeen [gedaagde] krachtens dat contract aan Dexia heeft betaald,

  3. . vergoeding van buitengerechtelijke kosten,

  4. . een bevel om aan de Stichting BKR mee te delen dat het contract vernietigd is en dat de A-codering kan worden geschrapt.

2.4.

Dexia heeft vervolgens gesteld:

De echtgenote van [gedaagde] moet uiterlijk eind februari 2000 op de hoogte zijn geweest van het contract nr. [nummer], en wel via het bankafschrift van de vooruitbetaling ad € 10.890,60 die op 1 februari 2000 door Dexia is ontvangen. In 2000 heeft [gedaagde] in totaal fl. 115.021,54 ontvangen als winst van andere contracten. Dat zijn geen bedragen die [gedaagde] voor zijn echtgenote verborgen heeft kunnen houden.

Een beroep op vernietiging dient gelet op art. 3:52, lid 1, onder d, BW te geschieden binnen

drie jaren. De bevoegdheid tot vernietiging was dan ook reeds verjaard toen de brief d.d. 21 november 2005 werd ontvangen.

2.5.

[gedaagde] heeft daartegenover gesteld:

Die verjaring is gestuit door collectieve acties. Op 13 maart 2003 is Dexia gedagvaard door de stichting Eegalease, samen met de Consumentenbond op de voet van artt 3:305a BW in verband met 1:88 en 1:89 BW. De procedure is geëindigd met een uitspraak d.d. 25 augustus 2004. Op 18 november 2005 hebben de stichtingen Eegalease en Leaseverlies en de Consumentenbond ex art. 7:907 BW verzocht de Duisenberg-regeling algemeen verbindend te verklaren. Het gerechtshof Amsterdam heeft dat bij beschikking van 25 januari 2007 gedaan. Door deze collectieve acties is ex art. 3:316 BW en art. 7:907, lid 5, BW de lopende verjaring gestuit en geschorst voor alle eega’s van afnemers van effectenleaseovereen-komsten voor alle mogelijke vorderingen in verband met zulke overeenkomsten, en wel tot de dag na de dag waarop de laatste uitspraak onherroepelijk is geworden: 26 april 2007. Verwezen wordt hierbij naar vonnissen van enkele rechtbanken, die geciteerd worden. [gedaagde] concludeert vervolgens dat zijn echtgenote tijdig gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot vernietiging.

Dexia heeft dit betoog bestreden met een memorandum, waarop [gedaagde] met een bijlage heeft gereageerd.

2.6.

Bij repliek in reconventie heeft [gedaagde] gesteld dat zijn echtgenote van de overeenkomsten pas na maart 2000 op de hoogte is geraakt en dat hij zich daarom beroept op vernietiging ex art. 1:88 BW van alle vijf de contracten die in de brief d.d. 21 november 2005 zijn vermeld. Op deze grond heeft [gedaagde] de vorderingen in reconventie, die hiervoor onder 2.3. onder a. en b. zijn weergegeven, uitgebreid tot die vijf contracten.

Tegen deze vermeerdering van eis heeft Dexia geen processueel bezwaar gemaakt.

3.1.

Het contract nr. [nummer] is gedateerd 31 oktober 2000 en voorzien van een stempel dat het op 21 november 2000 is ontvangen, kennelijk op het kantoor van Legio-Lease. Niet kan worden aangenomen dat Dexia reeds op 1 februari 2000 de overeengekomen vooruitbetaling ad € 10.890,60 zou hebben ontvangen. Uitgaande van een vergissing wordt aangenomen dat die vooruitbetaling op 1 februari 2001 van [gedaagde] ontvangen is.

[gedaagde] heeft niet, althans onvoldoende weersproken, dat zijn echtgenote hiervan moet hebben kennisgenomen via de bankafschriften van hun gezamenlijke bankrekening. [gedaagde] heeft niet weersproken dat de uitkering van winsten van in totaal fl. 115.021,54 in het jaar 2000 niet voor zijn echtgenote verborgen zijn verbleven. Gelet op een en ander wordt vastgesteld dat de echtgenote van [gedaagde] uiterlijk eind februari 2001 op de hoogte moet zijn gekomen van contract nr. [nummer] d.d. 31 oktober 2000.

3.2.

Andere contracten in de brief d.d. 21 november 2005 zijn als volgt gedateerd:

  • -

    [nummer] 18 februari 2000

  • -

    [nummer] 21 februari 2000

  • -

    [nummer] 24 februari 2000

Dexia heeft gesteld dat [gedaagde] voor contract [nummer], genoemd in de brief, slechts een aanvraag heeft ingediend, maar dat een overeenkomst niet tot stand is gekomen. [gedaagde] is niet in de gelegenheid geweest hierop te reageren en zal daar nog gelegenheid voor krijgen.

3.3.

[gedaagde] heeft gesteld dat zijn echtgenote van de overeenkomsten pas na maart 2000 op de hoogte is geraakt. Dexia heeft dat tegengesproken onder verwijzing naar haar conclusie d.d. 1 augustus 2012 onder 3 t/m 18. Voor contract nr. [nummer] is dat in ieder geval juist, aangezien het dateert van 31 oktober 2000. Voor de andere vier contracten vermeld in de brief d.d. 21 november 2005 zijn er thans geen gegevens voorhanden waaruit kan worden afgeleid dat de echtgenote van [gedaagde] reeds vóór 13 maart 2000 op de hoogte was van die contracten of van een of meer daarvan. Dit is van belang aangezien in dat geval de verjaring ex art. 3:52, lid 1, onder d, BW is voltooid, voordat de eerste collectieve actie werd ingesteld.

stuiting en schorsing van de verjaring

4.1.

Centraal in het debat tussen partijen staat de rechtsvraag of de verjaring is gestuit en geschorst gedurende de collectieve acties. In navolging van partijen zal de eerste daarvan hierna worden aangeduid als de Eegalease-procedure. Ingevolge art 3:319 BW begint er na stuiting, anders dan door het instellen van een rechtsvordering, de volgende dag een nieuwe verjaringstermijn te lopen. Art. 3:316, lid 2 BW en art. 7:907, lid 5, BW regelen wanneer na stuiting door het instellen van een eis, resp. stuiting door het indienen van een verzoek ex art. 7:907 BW een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen. In de tussentijd is de verjaring geschorst. De rechtsfiguur van stuiting en schorsing van de verjaring is overigens tussen partijen geen punt van discussie.

4.2.1.

De eis in de Eegalease-procedure is in eerste aanleg ten dele toegewezen bij vonnis van 25 augustus 2004, maar Dexia heeft hoger beroep ingesteld, zodat dat vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan. De eisers in de Eegalease-procedure zijn (samen met andere belangenorganisaties) op 23 juni 2005 schriftelijk met Dexia een vaststellingsovereenkomst aangegaan waardoor (onder meer) de Eegalease-procedure is geëindigd. Art. 21.1 van deze overeenkomst luidt:

“De Belangenorganisaties zullen hun medewerking verlenen aan beëindiging en royement van de Procedures en doen afstand van alle in de Procedures gepretendeerde rechten en/of vorderingen, alsmede van alle mogelijke andere rechten en vorderingen met betrekking tot de effectenlease-overeenkomsten.”

Dexia beroept zich op deze afstand van recht. Duidelijk is dat een afstand van recht [gedaagde] niet zou hebben kunnen binden. [gedaagde] heeft het argument met juistheid opgevat als een beroep op art. 3:316, lid 2, laatste volzin, BW: de eisers in de Eegalease-procedure hebben hun daad van rechtsvervolging ingetrokken.

4.2.2.

[gedaagde] heeft betwist dat de daad van rechtsvervolging aldus is ingetrokken. De Duisenberg-regeling van 2005 voorziet in een nauwkeurige regeling van de aanspraken jegens Dexia van de diverse categorieën afnemers van effectenleaseproducten van Dexia, ook de categorie die een beroep kon doen op de artt. 1:88 en 1:89 BW of dat reeds had gedaan. De afstand waarvan in de vaststellingsovereenkomst d.d. 23 juni 2005 wordt gerept had dan ook geen andere functie dat het voorkomen van misverstand m.b.t. de aanspraken die Dexia jegens de diverse categorieën erkende jegens zichzelf en tot honorering waarvan zij zich jegens de “partijen” in de zin van art. 7:907 BW verbond.

4.2.3.

Dexia heeft daarop volhard bij het reeds ingenomen standpunt, maar heeft de gestelde samenhang tussen de Duisenberg-regeling en de vaststellingsovereenkomst d.d. 23 juni 2005 niet weersproken, zodat daarvan wordt uitgegaan. Die samenhang blijkt overigens ook uit (onder meer) art. 21.3 van de vaststellingsovereenkomst d.d. 23 juni 2005. Gelet op die samenhang moet aan de afstand van recht in art. 21.1 van die overeenkomst inderdaad slechts de zeer beperkte reikwijdte worden gegeven, zoals door [gedaagde] is uitgelegd. De afstand van recht wordt daarom niet aangemerkt als het intrekken van de daad van vervolging, zijnde de dagvaarding d.d. 13 maart 2003 in de Eegalease-procedure. Het eerste argument van Dexia faalt.

4.3.1.

Dexia heeft aangevoerd dat de aard van de vordering in de Eegalease-procedure zodanig is dat het instellen daarvan geen stuitende werking kan hebben gehad. Feitelijk onjuist is dat die vordering niet zou zien op de vernietiging of vernietigbaarheid van overeenkomsten van effectenlease. Ter zake is een verklaring voor recht gevorderd.

4.3.2.

Dexia heeft echter, wijzend op HR 18 september 2009, NJ 2009/439, gesteld dat de verjaring alleen wordt gestuit indien in rechte de vernietiging wordt gevorderd. Voorts heeft Dexia aangevoerd dat een collectieve actie ex art. 3:305a BW slechts stuitende werking heeft voor schadevergoedingsacties, maar niet voor vernietigingsacties. Een vordering ex art. 3:305a BW kan gelet op lid 3, laatste volzin, niet strekken tot schadevergoeding. Aldus ligt het voor de hand dat het instellen van een wel toelaatbare collectieve actie, die strekt tot het verkrijgen van een verklaring voor recht toch stuitende werking heeft. Die ratio ontbreekt echter bij vernietigingsacties, want volgens Dexia is het bij collectieve acties wel mogelijk om collectief de vernietiging van rechtshandelingen te vorderen.

Voorts verschillen volgens Dexia de manier waarop schadevergoedingsvorderingen en vernietigingsvorderingen kunnen worden gestuit fundamenteel van elkaar. Tenslotte heeft Dexia aangevoerd dat art. 3:316 BW gelet op de wetsgeschiedenis ook niet te ruim moet worden uitgelegd.

4.3.3.

De uitspraak HR 18 september 2009, NJ 2009/439 betreft een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en is niet relevant voor de vraag of een collectieve actie een daad van vervolging oplevert. Bij een collectieve actie moet noodzakelijk worden geabstraheerd van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van individuele belangheb-benden. Die omstandigheden zijn pas relevant bij vragen omtrent bijvoorbeeld schade-(omvang), causaal verband en eigen schuld. Een andere opvatting zou de toepassing van art. 3:305a BW onaanvaardbaar beperken. (HR 27 december 2009, RF 2010, 13 World Online). Op gelijke wijze heeft de rechtbank Amsterdam de eis in de Eegalease-procedure behandeld. De vernietiging van alle genoemde overeenkomsten was niet mogelijk, omdat daarvoor een beoordeling van de bijzondere omstandigheden van alle afzonderlijke overeenkomsten nodig zou zijn en zo’n beoordeling in het kader van een collectieve actie (groepsactie) niet aan de orde is. In beginsel is in het kader van een collectieve actie de collectieve vernietiging van rechtshandelingen wel mogelijk, maar ten aanzien van de effectenleasecontracten in de Eegalease-procedure was dat niet mogelijk, zoals het vonnis van de rechtbank Amsterdam d.d. 25 augustus 2004 heeft aangetoond.

4.3.4.

De groepsactie in de Eegalease-procedure was de eerste stap in het geldend maken van het vernietigingsrecht van individuele belanghebbenden, namelijk het vaststellen van de vernietigbaarheid. Zo handelend werd de behartiging van gelijksoortige individuele belangen gebundeld, waarmee is voldaan aan de regeling van art. 3:305a BW. Een vordering ex art. 3:305a BW kan gelet op lid 3, laatste volzin, niet strekken tot schadevergoeding. Aldus ligt het voor de hand dat het instellen van een wel toelaatbare collectieve actie, die strekt tot het verkrijgen van een verklaring voor recht toch stuitende werking heeft. Hierin heeft Dexia volkomen gelijk.

4.3.5.

Dexia kan echter niet worden gevolgd in het onderscheid dat zij wenst te maken tussen schadevergoedingsvorderingen en vernietigingsvorderingen in het kader van art. 3:305a BW. Inderdaad is er enig verschil in de manier waarop de verjaring van beide soorten vorderingen wordt gestuit, maar dat is niet van zodanig gewicht dat dat zou moeten leiden tot een verschil in stuitende werking van collectieve acties. Op basis van art. 3:305a BW zijn velerlei acties mogelijk, ook vernietigingsvorderingen. Of dat in een bepaalde zaak mogelijk is, hangt van de details van die bepaalde zaak af (zie hiervoor 4.3.3.). Er is slechts één uitzondering op het gegeven dat in beginsel velerlei acties mogelijk zijn op basis van art. 3:305a BW: schadevergoeding in geld is niet mogelijk. Andere vormen van schadevergoe-ding zijn in beginsel wel mogelijk op basis van art. 3:305a BW. Een principieel onderscheid tussen schadevergoedingsvorderingen en vernietigingsvorderingen is hiermee niet gegeven. Dat mag niet uit art. 3:305a BW worden afgeleid. Ook de wetsgeschiedenis geeft voor zulk onderscheid geen aanknopingspunten. Dat de minister bij het geven van een voorbeeld niet heeft stilgestaan bij vernietigingsvorderingen is hiervoor van geen enkele betekenis.

4.3.6.

Aangezien de Eegalease-procedure de eerste stap vormde in het geldend maken van het vernietigingsrecht van individuele belanghebbenden, heeft de dagvaarding in die procedure de verjaring van vorderingen van individuele belanghebbenden met gelijksoortige vorderingen in beginsel gestuit. Hierop wordt nog teruggekomen onder 4.5.1. t/m 4.5.6. [gedaagde] heeft thans als individuele belanghebbende een tweede stap gezet door zijn reconventionele vorderingen. Nu deze vorderingen alle voortvloeien uit de eerste stap, dient ook daarin geen onderscheid te worden gemaakt. Een andere opvatting zou de toepassing van art. 3:305a BW onaanvaardbaar beperken. Overigens heeft [gedaagde] geen schadever-goeding gevorderd. Ook het tweede argument van Dexia faalt.

4.4.

Dexia heeft nog aangevoerd dat het hoogst persoonlijke karakter van de vernietigingsbevoegdheid ex art. 1:89 BW zich ertegen verzet dat de verjaring door een ander wordt gestuit. Daarmee miskent Dexia echter de aard van een groepsactie. Die brengt per definitie mee dat een belangenorganisatie zich de belangen van individuele belangheb-benden aantrekt. De regeling van art. 3:305a BW bevat overigens waarborgen tegen belangenbehartiging die door individuele belanghebbenden niet wordt gewenst. Door de stuiting en schorsing van de verjaring wordt de vernietigingsbevoegdheid ex art 1:89 BW niet ingeperkt. Integendeel, de mogelijkheid tot uitoefening ervan wordt verruimd. Het is ter keuze van individuele belanghebbenden om daar al dan niet gebruik van te maken. Daarom kan niet worden gezegd dat het hoogst persoonlijke karakter zich verzet tegen de stuiting van de verjaring door een ander. Ook dit argument van Dexia faalt.

4.5.1.

Gelet op het voorgaande heeft de Eegalease-procedure de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid van de echtgenote van [gedaagde] gestuit en geschorst vanaf 13 maart 2003, mits is voldaan aan de voorwaarden van art. 3:316, lid 2, BW. Deze komen erop neer dat de rechtsvordering moet worden toegewezen teneinde de verjaring te stuiten. Wordt de rechtsvordering afgewezen dan blijkt die achteraf geen stuitende werking te hebben gehad. Slechts op voorwaarde dat tijdig de verjaring wordt gestuit, zou men kunnen beweren dat individuele belanghebbenden zonder deel te nemen aan een collectieve actie “in de coulissen achterover kunnen leunen” (advocaten in NJB 2007-41) om af te wachten of die collectieve actie voor hen succesvol is of niet. Individuele belanghebbenden die hun rechten veilig willen stellen doen er goed aan tijdig zelf te beslissen of zij de verjaring willen stuiten. Anders nemen zij het risico dat de collectieve rechtsvordering wordt afgewezen en daardoor in de tussentijd verjaring in de weg is komen te staan aan hun individuele rechtsvordering.

4.5.2.

Art. 3:316 BW is bij de hercodificatie in 1992 ingevoerd en art. 3:305a BW negen jaren later, namelijk in 2001. De regeling van art. 3:316 BW is daardoor niet afgestemd op de collectieve actie ex art. 3:305a BW. Bij de zinsnede “van de zijde van” in art. 3:316 BW is niet gedacht aan collectieve rechtsvorderingen. Die zijn er in de jurisprudentie later wel onder begrepen. Met het uitgangspunt van een individuele rechtsvordering is het begrijpelijk dat art. 3:316 BW de stuitende werking aan een daad van rechtsvervolging ontzegt, wanneer die wordt ingetrokken. Intrekking kan geschieden omdat men van zijn rechten afziet, of omdat men een minnelijke regeling heeft bereikt met de wederpartij. In het laatste geval is er geen behoefte meer aan een stuiting van de verjaring, omdat de individuele rechthebbende zijn rechten (indien en voor zover bedongen) voortaan ontleent aan de vaststellingsovereen-komst die met de wederpartij is gesloten.

4.5.3.

Bij een collectieve actie is dat laatste echter niet noodzakelijk het geval. Zoals hiervoor onder 4.3.3 is overwogen kan het gegeven dat bij een collectieve actie noodzakelijk moet worden geabstraheerd van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van individuele belanghebbenden, dwingen tot het geldend maken van individuele rechten in twee stappen. In deze zaak is dat het geval geweest.

4.5.4.

Na het deels toewijzende vonnis van de rechtbank Amsterdam d.d. 25 augustus 2004 in de Eegalease-procedure zijn de daarbij betrokken partijen gaan onderhandelen en hebben een regeling getroffen, die bekend is als de Duisenberg-regeling. In het kader daarvan heeft Dexia het hoger beroep in de Eegalease-procedure ingetrokken en is de procedure beëindigd. [gedaagde] heeft gesteld dat de Duisenberg-regeling voorziet in een nauwkeurige regeling van de aanspraken jegens Dexia van de diverse categorieën afnemers van effectenlease-producten van Dexia, waaronder ook de categorie die een beroep kon doen, c.q. reeds had gedaan op artt. 1:88 en 89 BW. Dexia heeft dat niet weersproken en het is overigens uit de jurisprudentie bekend. De Duisenberg-regeling voorzag dus in rechten voor [gedaagde] en zijn echtgenote. Maar de Duisenberg-regeling had geen rechtstreekse werking jegens individuele rechthebbenden, zoals [gedaagde] en zijn echtgenote, reden waarom de algemeen verbindend verklaring is verzocht. Nogmaals, in dit geval is aan de orde het geldend maken van individuele rechten in twee stappen: een collectieve actie, desgewenst gevolgd door een individuele actie.

4.5.5.

Een redelijke toepassing van art. 3:316, lid 2, BW brengt mee dat in dit geval het beëindigen van de Eegalease-procedure vanwege het tot stand komen van de Duisenberg-regeling moet worden gelijkgesteld met een toewijzend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan in de zin van die wetsbepaling. De regeling van die wetsbepaling is niet afgestemd op collectieve acties, zodat er een lacune is voor het geval de collectieve actie eindigt in verband met een vaststellingsovereenkomst, een en ander zoals hiervoor is uitgelegd. Niet kan worden aanvaard dat de erkenning door Dexia in een vaststellingsovereenkomst, te weten de Duisenberg-regeling, van rechten van belanghebbenden voortvloeiend uit de toepassing van de artt. 1:88 en 89 BW, voor de stuiting van de verjaring hetzelfde rechtsgevolg zou hebben als het afwijzen van de soortgelijke rechtsvordering in de Eegalease-procedure. Dat spreekt te meer nu die rechtsvordering in eerste aanleg deels, namelijk voor zover voortvloeiend uit een abstracte toetsing, is toegewezen.

4.5.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verjaring van de vernietigings-bevoegdheid van de echtgenote van [gedaagde] op 13 maart 2003 is gestuit en is geschorst tot de dag waarop de Duisenberg-regeling tot stand is gekomen. Vanaf die dag is een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren beginnen te lopen. Vanaf die dag ook was het aan [gedaagde] en zijn echtgenote om zich te beraden omtrent de rechten, waarin de Duisenberg-regeling voor hen voorzag. Vastgesteld moet worden dat de echtgenote van [gedaagde] tijdig binnen de nieuwe termijn van drie jaren gebruik heeft gemaakt van haar vernietigings-bevoegdheid, namelijk bij brief d.d. 21 november 2005. Dat is drie dagen na het indienen van

het verzoek d.d. 18 november 2005 tot het algemeen verbindend verklaren van de Duisenberg-regeling. Niet bekend is of [gedaagde] toen al had besloten van de Duisenberg-regeling geen gebruik te willen maken. Feit is dat [gedaagde] na het algemeen verbindend verklaren van die regeling een opt out-verklaring heeft ingediend.

4.5.7.

Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter in het midden laten of door het verzoek tot het algemeen verbindend verklaren van de Duisenberg-regeling de schorsing van de verjaring is voortgezet, zoals door [gedaagde] is bepleit en door Dexia is bestreden.

tussenconclusie

5. Uit het voorgaande volgt dat contract nr. [nummer] rechtsgeldig is vernietigd, voordat de bevoegdheid daartoe was verjaard. Voor de andere contracten ontbreken vooralsnog gegevens om eenzelfde conclusie te kunnen trekken. Uit de maatstaven van redelijkheid en billijkheid die contractspartijen jegens elkaar in acht hebben te nemen, vloeit voort dat [gedaagde] nadere gegevens moet verschaffen. [gedaagde] wordt opgedragen mee te delen wanneer de eerste betalingen voor die contracten aan Dexia, dan wel haar rechtsvoorgangster hebben plaats gevonden, daarvan bankafschriften in het geding te brengen en mee te delen wanneer zijn echtgenote van die bankafschriften heeft kennis genomen of kan hebben kennis genomen. Voorts worden partijen beide verzocht om voor elk contract afzonderlijk mee te delen welk bedrag (met rente) is gemoeid met de reconventio-nele vordering tot terugbetaling die hiervoor onder 2.3. sub b. is weergegeven. Dit teneinde eventuele executieproblemen te voorkomen. Omdat dat wellicht relevant kan zijn, wordt de meest gerede partij verzocht ook de eindafrekeningen van de contracten in het geding te brengen. [gedaagde] zal als eerste gelegenheid krijgen en heeft dan tevens gelegenheid mee te delen of contract [nummer] al dan niet tot stand is gekomen. Bij bevestigend antwoord dient [gedaagde] daarvan schriftelijk bewijs in het geding te brengen, nu Dexia de totstandkoming heeft ontkend.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie en in reconventie:

verwijst de zaak naar de terechtzitting van woensdag 13 februari 2013 te 10.30 uur, opdat [gedaagde] zich bij akte zal uitlaten en daarbij stukken in het geding zal brengen, een en ander zoals hiervoor onder 5. opgedragen/verzocht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013.