Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:2618

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
23-08-2013
Zaaknummer
C/12/82187 / HA ZA 12-16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering op gedaagde die de moeder van vier kinderen om het leven heeft gebracht. De erven kunnen een vergoeding vorderen op grond van art. 6:108BW. De vordering van de executeur testamentair is ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de divere kosten die door hem zijn gevorderd.

De door de kinderen gevorderde toekomstige schade wordt afgewezen.

Vordering van de zuster van de gedode tot vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt voor de opvang van de minderjarige kinderen wordt toegewezen. De dader handelde ook onrechtmatig t.a.v. haar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Zittingsplaats: Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/12/82187 / HA ZA 12-16

Vonnis van 30 januari 2013

in de zaak van

1 [eiser sub 1],

in zijn hoedanigheid van executeur-testamentair van de nalatenschap van wijlen mevrouw [naam overledene],

wonende te[woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. de stichting STICHTING BUREAU JEUGDZORG ZEELAND,

in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van:

[naam minderjarigen]

[naam minderjarigen],

(mede) gevestigd te Middelburg,

eisers,

advocaat mr. F.C.M. Maat- Oldenhof te ’s-Heer Arendskerke,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. J.B. de Meester te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1], [eiseres sub 2], St. BJZ en[gedaagde] worden genoemd. Eisers gezamenlijk zullen eisers worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de akte uitlating producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft een affectieve relatie gehad met [naam overledene]. Aan deze relatie is in 2007 een einde gekomen.

2.2.

Uit de relatie van [naam overledene] en [gedaagde] zijn drie kinderen geboren: [naam minderjarigen]. [naam overledene] was eerder moeder geworden van[naam minderjarige]. De vier kinderen hadden woonplaats bij [naam overledene] en werden door haar verzorgd en opgevoed.

2.3.

Op 29 juli 2011 is [naam overledene] om het leven gebracht. [gedaagde] wordt ervan verdacht dit feit te hebben gepleegd. Hij verblijft in voorlopige hechtenis.

2.4.

Bij beschikking van 9 augustus 2011 is St. BJZ belast met de voorlopige voogdij over de vier kinderen. [naam minderjarige] woont sinds het overlijden van [naam overledene] begeleid zelfstandig. [naam minderjarigen] verblijven sindsdien bij [eiseres sub 2], de zus van [naam overledene]. De vier kinderen zijn de enige erfgenamen.

2.5.

Op 24 augustus 2011 is een verklaring van erfrecht opgemaakt, waarin staat dat de vier kinderen de nalatenschap hebben aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Verder staat hierin: “In haar testament heeft de erflaatster een executeur benoemd, doch deze benoeming heeft geen werking. Haar erfgenamen hebben verklaard niet bekend te zijn met een codicil, waarin door de erflaatster een executeur kan zijn benoemd.” Ten slotte – voor zover relevant – staat in deze verklaring dat St. BJZ als wettelijk vertegenwoordigster van de vier erfgenamen [eiser sub 1] een volmacht heeft verleend, op grond waarvan hij zelfstandig bevoegd is te beschikken over de goederen van de nalatenschap van [naam overledene].

2.6.

De erven, vertegenwoordigd door [eiser sub 1] hebben met verlof van de voorzieningenrechter onder de notaris conservatoir beslag gelegd op het deel van [gedaagde] van het positief verkoopresultaat van de verkoop van de woning, die hij gezamenlijk in eigendom had met [naam overledene].

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden, lijden en zullen lijden ten gevolge van de gewelddadige handelingen die de dood van [naam overledene] tot gevolg hebben gehad;

II. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser sub 1] q.q. bij wijze van voorschot te betalen een bedrag groot € 21.352,08, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat deze schadeposten zich hebben voorgedaan, althans de dag der dagvaarding, tot het moment van algehele voldoening;

III. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres sub 2] bij wijze van voorschot te betalen een bedrag groot € 15.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, tot het moment van algehele voldoening;

IV. [gedaagde] te veroordelen om aan Stichting Bureau Jeugdzorg q.q. bij wijze van voorschot te betalen een bedrag groot € 80.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, tot het moment van algehele voldoening;

V. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de schade die eisers hebben geleden, lijden en zullen lijden ten gevolge van de gewelddadige handelingen die de dood van [naam overledene] tot gevolg hebben gehad, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

VI. met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen.

3.2.

Eisers stellen gemotiveerd dat [gedaagde] [naam overledene] om het leven heeft gebracht en dat hij daardoor jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. Ten gevolge daarvan hebben zij schade geleden, waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Onder verwijzing naar de verklaring van erfrecht stellen zij dat[eiser sub 1] het op zich heeft genomen de nalatenschap af te wikkelen en uit dien hoofde vergoeding vordert van de kosten die voor de afwikkeling zijn gemaakt. Deze kosten zijn een direct gevolg van het beëindigen van het leven van [naam overledene]. De schade bestaat uit de huur van de woning van [naam overledene] tot en met maart 2012, de kosten gemaakt voor de verhuizing van de bezittingen van [naam overledene] en de kinderen en overige kosten, welke door [eiser sub 1] zijn gemaakt. Verder gaat het om de kosten van de uitvaart, waarvoor [gedaagde] op grond van art. 6:108 lid 2 BW aansprakelijk is. Ten slotte dient [gedaagde] € 863,31 aan proceskosten tot vergoeding waarvan hij in het vonnis in kort geding van 26 juli 2011 tussen hem en [naam overledene] werd veroordeeld, aan de nalatenschap te voldoen. [eiseres sub 2] zal als pleegouder de drie meisjes verzorgen en opvoeden. Zij lijdt schade doordat zij minder moest gaan werken, moest verhuizen naar een grotere woning en deze moest inrichten, een grotere auto moest kopen en kosten moet maken voor de opvoeding van de meisjes voor zover die niet door de overheid worden vergoed. St. BJZ treedt op als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen. De kinderen lijden schade doordat zij financieel afhankelijk waren van [naam overledene] en te verwachten is dat [naam overledene] ook financieel bij zou dragen in hun kosten voor een vervolgopleiding als zij jong-meerderjarig zijn. Het gezin van [naam overledene] en de vier kinderen voerde een normale levensstandaard met het inkomen van [naam overledene] en de alimentatie die [gedaagde] ten behoeve van de kinderen betaalde.

3.3.

[gedaagde] verweert zich. Hij stelt dat hij in het strafrechtelijk onderzoek geen bekentenis heeft afgelegd. Hij kan zich niet herinneren wat er is gebeurd. Het resultaat in de strafzaak kan duidelijkheid geven over de gestelde toedracht en de gemoedstoestand van [gedaagde] op het moment waarop de thans aan hem verweten onrechtmatige daad werd begaan. [gedaagde] stelt dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet ontvankelijk zijn. Zij behoren niet tot de kring van gerechtigden van art. 6:108 BW. Verder stelt hij onder verwijzing naar de verklaring van erfrecht dat [eiser sub 1] geen executeur is van de nalatenschap en betwist hij de gestelde schadeposten gemotiveerd. [eiser sub 1] heeft geen vordering als privépersoon ingesteld. Voor de kinderen is niet voldaan aan de stelplicht met betrekking tot hun behoefte. De vordering tot vergoeding van beslagkosten moet worden afgewezen.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[gedaagde] betwist niet, althans onvoldoende onderbouwd, dat hij [naam overledene] om het leven heeft gebracht. Daarmee staat vast dat hij in ieder geval jegens [naam overledene] onrechtmatig heeft gehandeld.

Voor aansprakelijkheid is vereist dat dit handelen [gedaagde] ook kan worden toegerekend. Dit is het geval als de daad te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak die op grond van de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt (artikel 6:162 lid 3 BW). Met zijn stelling, dat hij zich niet kan herinneren wat er is gebeurd en dat het strafrechtelijk onderzoek daarover duidelijkheid kan geven, lijkt hij te betogen dat dit mogelijk niet het geval is. De rechtbank overweegt daarover dat voor zover [gedaagde] heeft bedoeld te stellen dat hij zijn daad heeft gepleegd onder invloed van een geestelijke tekortkoming, deze omstandigheid ingevolge artikel 6:165 BW aan toerekening als onrechtmatige daad niet in de weg staat. Verder geldt dat voor zover [gedaagde] een beroep doet op het ontbreken van schuld in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW, het niet voldoende is dat hij ten tijde van het plegen van zijn daden in strafrechtelijke zin ontoerekeningsvatbaar was. Daarvoor behoeft de uitkomst in de strafzaak dan ook niet te worden afgewacht. Van het ontbreken van schuld kan slechts sprake zijn wanneer zou komen vast te staan dat [gedaagde] zich niet bewust is geweest van zijn handelen. Alleen dan zou hem mogelijk geen enkel verwijt kunnen worden gemaakt. [gedaagde] heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld die aannemelijk maken dat hij zich in een situatie bevond – anders dan dat hij onder invloed was van een geestelijke tekortkoming – die de conclusie rechtvaardigen dat dit het geval is geweest. Hoewel het in beginsel aan eisers is te stellen dat de gedraging [gedaagde] kan worden toegerekend – met andere woorden, dat hij daaraan schuld heeft – ligt het, mede gelet op de aard van het onrechtmatig handelen, waarbij enige mate van schuld kan worden voorondersteld en het ontbreken van schuld niet voor de hand ligt, op de weg van [gedaagde] zijn betwisting van de toerekenbaarheid voldoende met feiten en omstandigheden te onderbouwen. Nu hij dit niet heeft gedaan, passeert de rechtbank dit verweer en stelt vast dat [gedaagde] in beginsel aansprakelijk is voor de schade die hij met zijn onrechtmatig handelen heeft toegebracht. Daarbij moet worden onderscheiden naar wie op welke grond schadevergoeding kan vorderen.

4.2.

De erven kunnen vergoeding vorderen van schade, die is geleden in het vermogen van [naam overledene] en niet voortvloeit uit het overlijden zelf. Dit betreft dus schade die [naam overledene] zelf gevorderd zou kunnen hebben. Daarnaast is een beperkte kring van personen die recht op schadevergoeding kunnen doen gelden ingevolge artikel 6:108 lid 1 BW. Het gaat dan om schade door het derven van levensonderhoud. Deze specifieke en in zoverre limitatieve regeling beoogt de belangen te beschermen van derden, dus van anderen dan jegens wie onrechtmatig is gehandeld. Ten slotte is het mogelijk dat het om het leven brengen van [naam overledene] ook jegens anderen dan [naam overledene] onrechtmatig is. Deze personen kunnen een zelfstandige vordering tot schadevergoeding op [gedaagde] hebben. Daarbij is relevant dat wordt vastgesteld dat [gedaagde] door [naam overledene] te doden kon voorzien dat hij daarmee bij hen de door hen gevorderde schade zou veroorzaken.

4.3.

De vordering die [eiser sub 1] heeft ingesteld, heeft hij ingesteld namens de erfgenamen. In de dagvaarding heeft hij aan zijn hoedanigheid de term “executeur-testamentair” gegeven. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde] dat[eiser sub 1] in die hoedanigheid niet in de procedure kan worden ontvangen. Op zich zelf is juist dat [eiser sub 1] niet tot executeur is benoemd. Echter op grond van het feit dat [eiser sub 1] door de erfgenamen volledig is gemachtigd over de goederen van de nalatenschap te beschikken, oordeelt de rechtbank hem toch ontvankelijk in zijn vordering. De erven hebben hem kennelijk belast met de afwikkeling van de nalatenschap. Het is aannemelijk dat hij zich in de dagvaarding “executeur-testamentair” heeft genoemd, zonder dat daaraan een benoeming als zodanig ten grondslag ligt, omdat deze term in het algemene spraakgebruik voor degene die feitelijk de afwikkeling van een nalatenschap op zich heeft genomen, vaak wordt gebezigd. De rechtbank verbindt hieraan verder geen consequenties en zal de vordering tot schadevergoeding aan hem beoordelen.

4.4.

[eiser sub 1] kan in zijn hoedanigheid van afwikkelaar van de nalatenschap c.q. gevolmachtigde van de erven niet de kosten van de uitvaart van [gedaagde] vorderen. Op zichzelf terecht stellen eisers dat [gedaagde] aansprakelijk kan worden gehouden voor de (redelijke) kosten van de uitvaart op grond van artikel 6:108 lid 2 BW. Deze kosten kunnen echter slechts worden gevorderd door degene te wiens laste ze zijn gekomen. Voor zover [eiser sub 1] deze kosten heeft voldaan – want door [gedaagde] ten dele betwist – kan hij alleen in privé terugvordering daarvan van [gedaagde] vorderen. Dit heeft hij niet gedaan.

4.5.

De proceskosten ad € 863,31 die door [eiser sub 1] worden gevorderd zijn de kosten die [gedaagde] aan [naam overledene] verschuldigd was. Hij is in het vonnis in kort geding dat op 26 juli 2011 tussen hem en [naam overledene] was gewezen tot betaling daarvan aan haar veroordeeld. Dit is dan ook een vordering van de nalatenschap op [gedaagde]. [eiser sub 1] kan als gevolmachtigde van de erven deze vordering op grond van het vonnis in kort geding bij [gedaagde] innen. Dit vonnis is de titel. [eiser sub 1] kan niet nogmaals veroordeling van [gedaagde] tot betaling vorderen. Het betreft ook geen schade ten gevolge van [gedaagde] onrechtmatig handelen. Ook dit deel van de vordering in onderhavige procedure moet worden afgewezen.

4.6.

De overige schade die [eiser sub 1] namens de erfgenamen vordert, is schade die is ontstaan ten gevolge van het overlijden van [naam overledene]. Het gaat om kosten waarvan [eiser sub 1] stelt dat hij die heeft moeten maken na en ten gevolge van het overlijden van [naam overledene]. Hij vordert vergoeding van reiskosten tussen zijn woonplaats en de woonplaats van [naam overledene] en de kinderen, betaalde huurtermijnen voor de woning waarin [naam overledene] met de kinderen woonde ten behoeve van de opslag van hun spullen tot de verhuizing daarvan, de kosten van de verhuizing van deze spullen, reiskosten voor buitenschoolse opvang van de kinderen nadat zij bij [eiseres sub 2] zijn gaan wonen, kleding, eten/drinken, notariskosten en juridische kosten. Dit zijn – met uitzondering van de notariskosten – geen kosten van de nalatenschap. [eiser sub 1] kan deze daarom niet namens de erfgenamen terugvorderen, maar hooguit in privé, als komt vast te staan dat [gedaagde] ook jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Voor de notariskosten geldt het volgende. Dit zijn de kosten die zijn gemaakt voor het opstellen door de notaris van de verklaring van erfrecht. Deze kosten kunnen mogelijk worden aangemerkt als afwikkelingskosten en als zodanig als schuld van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 aanhef en sub d BW aan[eiser sub 1]. [eiser sub 1] in privé heeft dan een vordering op de nalatenschap. Deze vordering beïnvloedt de omvang van de nalatenschap negatief, waardoor de erfgenamen benadeeld worden. Echter niet iedere benadeling is schade waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Tussen deze kosten en de onrechtmatige daad van [gedaagde] zit een te ver verwijderd verband. Deze kosten worden bij vrijwel ieder overlijden gemaakt, zodat zij hun oorzaak veeleer in het overlijden zelf vinden, dan in het handelen dat tot het overlijden heeft geleid.

De slotsom is dat ook de vordering tot vergoeding van de overige kosten geheel moet worden afgewezen.

4.7.

De kinderen hebben in beginsel recht op schadevergoeding op grond van artikel 6:108 lid 1 BW. Eisers vorderen echter vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud van de kinderen ingaande op het moment dat zij jong-meerderjarig zijn. Dit is een toekomstige gebeurtenis. De schade is nog niet geleden, terwijl evenmin vaststaat dat die schade geleden zal worden. Eisers stellen zonder nadere onderbouwing dat [naam overledene] zou hebben willen bijdragen in het levensonderhoud en de studiekosten van de kinderen als zij 18+ zijn. Zij onderbouwen niet, terwijl dit voor de oudste zoon, die op 26 juni van dit jaar 18 jaar wordt wel had gekund, dat de kinderen als zij 18 jaar zijn een vervolgstudie zullen doen. Verder hangt van het eigen vermogen van de kinderen daarin te voorzien af of [naam overledene] dan in hun levensonderhoud zou hebben bijgedragen, alsmede van de draagkracht van [naam overledene] zelf op dat moment. Of en in welke mate de kinderen in hun eigen levensonderhoud zullen kunnen voorzien hangt samen met het al dan niet volgen van een (full time) opleiding, van een eventuele studiebijdrage van de rijksoverheid en van het eigen inkomen van de kinderen. Of de kinderen als jong-meerderjarigen schade door gederfd levensonderhoud zullen lijden, is thans dus onbekend. Voor een voorschot daarop of een verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen plaats. Omdat voorshands niet is uitgesloten dat de kinderen als zij jong-meerderjarig zijn schade door het derven van levensonderhoud zullen lijden doordat [gedaagde] hun moeder om het leven heeft gebracht, zal de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht in die zin wel toewijzen.

4.8.

[eiseres sub 2] vordert vergoeding van kosten die zij heeft gemaakt in verband met de opvang van de kinderen van [naam overledene]. Door [naam overledene] van het leven te beroven, heeft [gedaagde] ook ten aanzien van haar onrechtmatig gehandeld. Voor [gedaagde] was voorzienbaar of had dat kunnen en moeten zijn, dat de nog jonge kinderen in het gezin van een ander zouden worden opgenomen, als hij haar om het leven brengt. [gedaagde] wist dat zij alleen zorg droeg voor hun verzorging en opvoeding. [gedaagde] is dan ook aansprakelijk voor de kosten die[eiseres sub 2] in redelijkheid heeft moeten maken om de kinderen een thuis te bieden. De kosten die zij heeft gemaakt voor de verhuizing naar een grotere woning en voor de aanschaf van een grotere auto zijn redelijk en worden niet (meer) door [gedaagde] weersproken. Deze zijn dan ook toewijsbaar. Verder weerspreekt [gedaagde] niet (meer) dat zij minder is gaan werken in verband met de opvang van de kinderen. De omvang van deze schadepost is nog onbekend, zodat verwijzing naar de schadestaatprocedure in de rede ligt. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van het gevorderde bedrag ad
€ 15.000,--, welk bedrag zowel de gemaakte kosten voor verhuizing naar de grotere woning en de grotere auto als een voorschot op de gederfde inkomsten omvat. Dit bedrag zal dan ook – naast de verwijzing naar de schadestaatprocedure – worden toegewezen.

4.9.

Bovenstaande overwegingen leiden ertoe dat de onder I. gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen ten aanzien van St. BJZ en[eiseres sub 2] en ten aanzien van[eiser sub 1] q.q. zal worden afgewezen. De vorderingen onder II. en IV. worden afgewezen en de vorderingen onder III. en V. worden toegewezen als geformuleerd in het dictum.

4.10.

Partijen debatteren nog over het gelegde beslag. Het standpunt van [gedaagde] dat het beslag door anderen dan eisers is gelegd, kan niet worden gevolgd. De erfgenamen van [naam overledene] hebben het beslag gelegd en treden, vertegenwoordigd door St. BJZ, als mede-eisers op in deze procedure. De door de erfgenamen ingestelde vordering wordt deels toegewezen. Zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt, moet de stelling van [gedaagde] dat het beslag onnodig is gelegd, worden gepasseerd. [gedaagde] zal worden veroordeeld in de beslagkosten, bestaande uit het vast recht ad € 71,--, de kosten deurwaardersexploten ad € 267,22 en het salaris van de advocaat ad € 452,--, zijnde 1 punt van het toepasselijk liquidatietarief, totaal: € 790,22. Aangezien de erfgenamen met een toevoeging procederen dient 75 % van de kosten deurwaardersexploten, derhalve € 200,42 van het totaalbedrag, aan de griffier van deze rechtbank te worden voldaan.

4.11.

Aangezien partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, zal de rechtbank de proceskosten, de beslagkosten daaronder niet begrepen, compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor eventuele schade die [naam minderjarigen] door het derven van levensonderhoud hebben geleden, lijden en zullen lijden ten gevolge van de gewelddadige handelingen die de dood van [naam overledene] tot gevolg hebben gehad;

5.2.

verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres sub 2] heeft geleden, lijdt en zal lijden ten gevolge van de gewelddadige handelingen die de dood van [naam overledene] tot gevolg hebben gehad;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 15.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel daarvan vanaf de dag der dagvaarding;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de schade die [eiseres sub 2] heeft geleden, lijdt en zal lijden ten gevolge van de gewelddadige handelingen die de dood van [naam overledene] tot gevolg hebben gehad, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van beslag ad € 790,22, waarvan
€ 589,80 aan de erfgenamen van [naam overledene] en € 200,42 te betalen aan de griffier van deze rechtbank op rekeningnummer Royal Bank of Scotland 56 99 90 653, t.n.v. het Ministerie van Justitie, Arrondissement Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg te Middelburg o.v.v. zaaknummer 82187 / HA ZA 12-016;

5.6.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de beslissingen onder 5.3, 5.4 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;

5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2013.