Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:2504

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
23-08-2013
Zaaknummer
81421 / HA ZA 11-439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongeval tijdens paardrijles in 2003. Eiseres vordert schadevergoeding. Eiseres bereed een paard dat struikelde. Rechtbank verwerpt beroep op verjaring omdat eiseres niet van het begin van 2004 bekend was met schade en aansprakelijke instelling. Daarna is verjaring tijdig gestuit. Struikelen van paard wordt beschouwd als "door het dier aangericht"(6:179BW). Bewijsopdracht voor toedracht ongeval en vraag of gedaagde bezitter was van paard doordat het haar ter beschikking was gesteld door derde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Zittingsplaats: Middelburg

zaaknummer / rolnummer: 81421 / HA ZA 11-439

Vonnis van 9 januari 2013

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R.M.A. Lensen te Terneuzen,

tegen

de stichting

STICHTING RUITERSPORTCENTRUM CAPRICE,

gevestigd te Wageningen, kantoorhoudende te Spui, gemeente Terneuzen,

gedaagde,

advocaat mr. S.B.A. Lhachmi te Terneuzen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Caprice genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 maart 2012

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 14 juni 2012

  • -

    de akte na comparitie van [eiseres]

  • -

    de antwoordakte van Caprice.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In het aan [eigenaar pand] – wonende aan de [adres] – toebehorende pand [adres] aldaar werd in elk geval in een deel van 2003 door S.N.M. [eigenaar eenmanszaak] (hierna: [eigenaar eenmanszaak]) – als eenmanszaak onder de naam Paardensportcentrum Terneuzen – een manegebedrijf, paardenstalling en paardenfokkerij gedreven. Er werden onder andere paardrijlessen gegeven; één van de instructeurs was [naam instructeur]. Eind september 2003 is [eigenaar eenmanszaak] plotseling vertrokken. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel, vervaardigd op 10 juni 2010, is op 6 februari 2004 aldaar geregistreerd dat de activiteiten van haar eenmanszaak zijn gestaakt op 22 september 2003.

2.2.

Ook na het vertrek van [eigenaar eenmanszaak] heeft [naam instructeur] in voornoemd pand de paardrijlessen gegeven. In die periode volgde [eiseres] op maandagavond bij hem lessen. Zij betaalde daarvoor contant en per les aan [naam instructeur].

2.3.

Op maandagavond 10 of 17 november 2003 bereed [eiseres] tijdens een les, waarbij [naam instructeur] de instructeur was, het aan haar beschikbaar gestelde paard Dika (dat eigendom was van [eigenaar eenmanszaak]). Zij is tijdens die les van dat paard gevallen.

2.4.

Caprice is blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel, vervaardigd op 15 april 2010, op 7 april 1997 opgericht en heeft als activiteit: maneges. Zij is gevestigd aan de [adres] en wordt bestuurd door onder meer [eigenaar pand].

2.5.

Voor het eerst bij brief van 17 november 2008 is Caprice namens [eiseres] voor schade tengevolge van de val van het paard aansprakelijk gesteld.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, (1) voor recht verklaart dat Caprice jegens [eiseres] aansprakelijk is voor alle schade die voor haar uit het haar op 17 november 2003 overkomen ongeval tijdens het deelnemen aan een paardrijles is voortgevloeid en nog zal voortvloeien, (2) Caprice veroordeelt aan [eiseres] de schade te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen op de wijze zoals in de wet voorzien, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 17 november 2003 tot de dag der algehele voldoening, en (3) Caprice veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2.

[eiseres] stelt daartoe het volgende. Zij is destijds van Dika (een paard waar ze normaal niet op reed) gevallen, nadat het dier was gestruikeld. Dika stond, zo is [eiseres] later gebleken, bekend als een paard dat regelmatig struikelde; ze had een scheef voorvoetje. Aldus is de val het gevolg van de “eigen energie” van het paard geweest. De paardrijles waarin het ongeval plaatsvond werd voor rekening en risico van Caprice gegeven. De instructeur [naam instructeur] werkte op freelance-basis voor Caprice (en werd per gewerkt uur/dag door Caprice betaald), terwijl klanten (zoals [eiseres]) lessen afspraken met en daarvoor betaalden aan Caprice. Caprice (en niet [naam instructeur]) dient te worden beschouwd als de gebruiker van het paard Dika in de uitoefening van haar bedrijf. In elk geval was zij bezitter van het paard (zij onderhield het dier en had er feitelijke zeggenschap over). Caprice is dan ook voor de door [eiseres] ten gevolge van de val geleden schade aansprakelijk en dient deze te vergoeden.

[eiseres] heeft letsel opgelopen. Zij is kort buiten bewustzijn geweest, had na de val pijn aan nek en schouder en kreeg later ook last van haar rechterarm en -been. Aanvankelijk vond alleen pijnbestrijding plaats. Uiteindelijk is een nekfractuur geconstateerd, waaraan zij in 2008 is geopereerd. Zij heeft nog steeds last en is arbeidsongeschikt verklaard, aanvankelijk voor 70-75%, laatstelijk in 2009 voor 80-85%. Sinds 2008 is sprake van een medische eindtoestand. Ter onderbouwing van haar letsel heeft [eiseres] stukken overgelegd.

[eiseres] stelt dat haar vordering niet is verjaard; pas in 2004 is zij (daadwerkelijk) ermee bekend geworden dat de toen geconstateerde nekfractuur het gevolg was van de val van Dika. Pas nog weer later is zij ermee bekend geworden dat Caprice de aansprakelijke instelling was. Zij stelt dat in een geval als dit geen sprake is van een klachtplicht; haar recht alsnog een vergoeding te vragen is dan ook niet vervallen.

3.3.

Caprice voert verweer. Primair stelt zij dat de vordering is verjaard. [eiseres] heeft voor het laatst in de manege paardgereden op maandagavond 10 november (en niet op 17 november) 2003; die dag is ze gevallen. Daags nadien zal zij bekend zijn geweest met de schade; zij stelt zelf toen al te zijn geconfronteerd met (blijvend) letsel. Zij heeft haar vordering meer dan 5 jaar na die datum ingesteld. Zij heeft Caprice voor het eerst bij brief van 17 november 2008 (waarvan Caprice betwist dat die haar op 18 november 2008 heeft bereikt) aansprakelijk gesteld. Voorts stelt Caprice dat [eiseres] niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd, terwijl zij daartoe wel gehouden was. Caprice is daardoor in haar verdediging geschaad, nu zij – destijds geen rekening houdend met een mogelijke claim – niet meer over stukken uit 2003 beschikt.
Caprice betwist dat sprake is van door het paard aangerichte schade; er is geen sprake van eigen energie” van het paard nu het gaat om – naar is aan te nemen de wil van het dier – (gesteld) struikelen. Caprice was destijds geen bezitter van het paard en evenmin de gebruiker van het paard in de uitoefening van haar bedrijf. Caprice gaf destijds geen paardrijlessen. Zij deed enkel aan het stallen van paarden (die zij verder niet verzorgde) en verhuurde paarden aan instructeurs zoals [naam instructeur]. [naam instructeur] gaf die lessen na het vertrek van [eigenaar eenmanszaak] op zelfstandige basis, en dus niet voor rekening en risico van Caprice. De rijders die les volgden – en niet Caprice – betaalden [naam instructeur]. [eiseres] is tijdens een dergelijke les gevallen. Caprice is voor de gevolgen van die val niet aansprakelijk.

Caprice betwist voorts dat de val van [eiseres] het gevolg was van struikelen van het paard. Zij betwist ook het gestelde letsel en zo er letsel is, het causaal verband tussen dat letsel en de val van het paard. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er voor het gestelde letsel ook andere oorzaken (kunnen) zijn.

4 De beoordeling

4.1.

Het beroep van Caprice op verjaring wordt verworpen. Uit de stellingen van [eiseres], toegelicht in de overgelegde stukken, blijkt voldoende dat zij na het ongeval wel pijn had en beperkingen ondervond, maar dat op dat moment niet duidelijk was dat sprake was van blijvend letsel. De beperkingen ontstonden eind 2003; begin 2004 meldde [eiseres] zich voor het eerst arbeidsongeschikt. Nadat aanvankelijk na medisch onderzoek (in 2004) geen afwijkingen konden worden vastgesteld, is pas nog weer later een diagnose gesteld. Dat [eiseres] al (zeer) kort na het ongeval voldoende met de (omvang van de) schade bekend was is – in het licht van het vorenstaande – door Caprice onvoldoende onderbouwd. Gelet op de door Caprice zelf gestelde onduidelijke situatie na het vertrek uit de manege van [eigenaar eenmanszaak], is ook haar stelling dat voor [eiseres] meteen duidelijk moet zijn geweest dat zij Caprice voor de schade kon aanspreken, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit, dan [eiseres] niet voor (het begin van) 2004 daadwerkelijk met de schade en de daarvoor aansprakelijk te stellen instelling bekend is geworden. Zij heeft Caprice daarna voor het eerst aansprakelijk gesteld bij de onder 2.5 genoemde brief van 17 november 2008. Caprice heeft weliswaar gesteld die brief niet per 18 november 2008 te hebben ontvangen, maar zij heeft niet gesteld dat zij die brief in het geheel niet heeft ontvangen. De rechtbank gaat er vanuit dat zij die brief op enig moment kort na 17 november 2008 heeft ontvangen. In het midden kan blijven of het ongeval op 10 of op 17 november 2003 heeft plaatsgevonden; met voormelde brief, die in ieder geval na minder dan 5 jaar, te rekenen vanaf (begin) 2004 door Caprice zal zijn ontvangen en die te beschouwen is als een schriftelijke mededeling van de zijde van [eiseres] waarin zij zich ondubbelzinnig haar recht op schadevergoeding voorbehoudt (als bedoeld in art. 3:317, lid 1 BW), is de verjaring tijdig gestuit. De na deze stuiting aangevangen verjaringstermijn is nog niet verlopen.

4.2.

Ook het verweer dat [eiseres] niet tijdig heeft geklaagd wordt verworpen. Kennelijk beroept Caprice zich op het bepaalde in art. 6:89 BW. De stelling dat ook bij een beroep op onrechtmatig handelen bij de benadeelde de plicht kan bestaan om – in de lijn van genoemd artikel – binnen bekwame tijd te klagen, is op zich niet onjuist, doch die plicht bestaat uitsluitend wanneer die benadeelde een beroep doet op een gebrek in een prestatie van degene van wie onrechtmatig handelen wordt gesteld. [eiseres] beroept zich echter niet op een gebrekkige prestatie aan de zijde van Caprice. Zij spreekt Caprice aan op de in de wet (de artt. 6:179 en 6:181 BW) neergelegde (risico-)aansprakelijkheid van een bezitter of bedrijfsmatig gebruiker van een dier voor schade, door dat dier aangericht. De mogelijk uit deze verbintenis uit de wet voortvloeiende prestatie is vergoeding van schade. Tot die prestatie is het in het geheel (nog) niet gekomen; van een gebrekkige prestatie kan dan ook niet worden gesproken. Voor een dergelijk geval geldt niet de in art. 6:89 BW neergelegde klachtplicht, en is evenmin elders in de wet in een klachtplicht voorzien.

4.4.

Indien is gebeurd wat [eiseres] stelt – namelijk dat het paard Dika, toen [eiseres] het bereed, struikelde waardoor zij van Dika is afgevallen en schade heeft geleden – dan is sprake van “door een dier aangerichte schade” als bedoeld in art. 6:179 BW. Het gaat in dat artikel om schade die het gevolg is van de “eigen energie” van het dier. Dat wil niet zeggen – zoals Caprice kennelijk meent – dat het moet gaan om gedrag, dat door het dier zelf min of meer is “bedoeld”. Voldoende is dat het niet gaat om gedrag van het dier, dat volledig door een mens is gestuurd. Het door [eiseres] gestelde gedrag (struikelen) is niet door een mens gestuurd, is in die zin zelfstandig gedrag van het paard, en de daardoor ontstane schade moet als “door het dier aangericht” als bedoeld in art. 6:179 BW worden gezien. Nu door Caprice (ter comparitie) onbetwist is gesteld dat [eigenaar eenmanszaak] (destijds) eigenaar was van Dika, kan niet worden gezegd dat tegelijkertijd Caprice bezitter van het dier was in de zin van art. 6:179 BW. Dan blijft over de stelling van [eiseres] dat Dika destijds aan Caprice ter beschikking stond voor gebruik in de uitoefening van haar bedrijf. Door [eiseres] is gemotiveerd gesteld dat dat zo was; Caprice betwist dat, eveneens gemotiveerd. Daarin ziet de rechtbank aanleiding [eiseres] toe te laten tot het bewijs van haar stelling. Nu bovendien de door [eiseres] gestelde toedracht van het ongeval door Caprice wordt betwist – terwijl voor de vaststelling dat daadwerkelijk sprake is van schade “aangericht door het dier” nodig is dat de gestelde toedracht vast staat – zal [eiseres] voorts de door haar gestelde toedracht van het ongeval dienen te bewijzen. Zij zal ook daartoe worden toegelaten.

4.5.

In het geval [eiseres] in het haar hiervoor toegelaten bewijs slaagt en sprake is van aansprakelijkheid aan de zijde van Caprice, zal de rechtbank, nu [eiseres] onbetwist heeft gesteld dat inmiddels sprake is van een medische eindtoestand, de zaak niet verwijzen naar een schadestaatprocedure, maar de schade zelf vaststellen. Na de getuigenverhoren zullen partijen, als daartoe dan nog aanleiding is, in de gelegenheid worden gesteld de rechtbank over hun visie op de schade nader te informeren.

4.6.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

laat [eiseres] toe om – overeenkomstig haar aanbod: door middel van getuigen – te bewijzen:

  • -

    a) feiten en omstandigheden, waaruit kan worden afgeleid dat op de maandagavond in november 2003 dat zij op Dika reed, Dika door Caprice werd gebruikt in de uitoefening van haar bedrijf;

  • -

    b) dat zij op bedoelde maandagavond in november 2003 op Dika reed, dat Dika is gestruikeld en dat zij – [eiseres] – als gevolg daarvan van Dika is gevallen.


bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden op een nader te bepalen tijdstip in het gerechtsgebouw te Middelburg aan de Kousteensedijk 2, tegenover mr. S.M.J. van Dijk;

verwijst de zaak naar de rolzitting van deze rechtbank van woensdag 23 januari 2013 voor dagbepaling enquête;

bepaalt dat [eiseres] indien mogelijk tevoren per brief aan de griffie van de rechtbank, maar uiterlijk op genoemde rolzitting, de verhinderdata van alle betrokkenen dient op te geven alsmede het aantal getuigen dat zij voornemens is te doen horen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2013.