Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:11288

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
C/12/79585 / HA ZA 11-333
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overschrijding klaagtermijn van art. 7.23 BW. Termijn van vier maanden te lang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht


Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/12/79585 / HA ZA 11-333

Vonnis van 4 december 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [adres],

eiser,

advocaat mr. J.J. Spijk te Middelburg,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [adres],

gedaagde,

advocaat mr. C.A. Gobbens te Breda.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte overlegging producties

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de akte uitlaten producties.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft op of omstreeks 22 augustus 2008 een oplegger van het merk Floor, bouwjaar 1978, aan [eiser] verkocht voor €15.000,00 exclusief BTW.
heeft deze oplegger in november 2009 verkocht aan [koper X] en vervolgens in december 2009 aan hem geleverd.
heeft [eiser] gedagvaard op 28 februari 2011, omdat [eiser] niet de juiste oplegger geleverd had. Overeengekomen was de levering van een oplegger van het merk Floor en geleverd was een oplegger van het merk Nooteboom. In die procedure is [eiser] bij vonnis van de rechtbank Middelburg van 27 juni 2012 veroordeeld tot betaling aan [koper X] van diverse bedragen. Daartegenover diende [koper X] de oplegger terug te leveren.
Het kentekenbewijs van de oplegger is door de RDW ongeldig verklaard in november 2011.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – na wijziging van eis:
- primair te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst met betrekking tot de oplegger tussen [eiser] als koper en [gedaagde] als verkoper buitengerechtelijk is ontbonden door [eiser];
- subsidiair de koopovereenkomst met betrekking tot de oplegger tussen [eiser] als koper en [gedaagde] als verkoper te ontbinden;
- [gedaagde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen €30.461,92 vermeerderd met de wettelijke rente
- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser] stelt dat hij van [gedaagde] in 2008 een oplegger van het merk Floor, bouwjaar 1978 heeft gekocht voor €15.00,00 exclusief BTW. Deze oplegger heeft hij doorverkocht aan [koper X]. De overeenkomst tussen [eiser] en [koper X] is ontbonden omdat de oplegger niet van het merk Floor was, maar van het merk Nooteboom. In een daarover tussen [eiser] en [koper X] gevoerde procedure heeft de rechtbank dit vastgesteld en [eiser] veroordeeld tot betaling aan [koper X] van de koopprijs en de geleden schade. [eiser] heeft de overeenkomst uit 2008 met [gedaagde] bij brief van 17 juli 2012 buitengerechtelijk ontbonden om dezelfde reden.
[eiser] stelt dat [koper X] hem van de problemen met de oplegger op de hoogte heeft gebracht tussen 17 mei 2010 en 9 juni 2010. In de periode daarna heeft [eiser] nog één of meerdere malen telefonisch contact opgenomen met [gedaagde]. Ook tijdens een persoonlijke ontmoeting medio eind 2010, heeft [eiser] de stellingname van [koper X] ter sprake gebracht bij [gedaagde]. [gedaagde] zou daarbij voorgesteld hebben de oplegger van [koper X] terug te nemen.

3.3.

[gedaagde] stelt dat [eiser] niet tijdig geklaagd heeft. Uit het vonnis van 25 januari 2012 dat is gewezen tussen [eiser] en [koper X], blijkt dat de koopovereenkomst tussen die partijen bij brief van 9 juni 2010 werd ontbonden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [eiser] bij brief van 22 juni 2010 heeft erkend dat hij geen Floor oplegger had geleverd aan [koper X]. [eiser] heeft vervolgens pas bij brief van 12 april 2011 [gedaagde] aangeschreven.
betwist al eerder op de hoogte te zijn geweest. In ieder geval is het “op de hoogte brengen” onvoldoende om te voldoen aan het vereiste dat tijdig geklaagd moet worden.

[gedaagde] stelt dat de ontbinding van de overeenkomst tussen [eiser] en [koper X] niet automatisch meebrengt dat er ook een grond is voor ontbinding van de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde].
heeft de oplegger geleverd en [eiser] heeft het gebruik ervan gehad. Als de oplegger geen Floor-oplegger zou zijn doet dat niets af aan het gebruik dat [gedaagde] ervan heeft kunnen maken. Indien het om een gestolen oplegger gaat is de termijn van terugvordering van drie jaar al lang verstreken en kan [eiser] de oplegger opnieuw laten registreren.
[gedaagde] heeft ook de door [eiser] gevorderde bedragen bestreden.

4 De beoordeling

4.1.

Uit de stellingen van partijen blijkt dat er geen geschil meer is over welke oplegger wordt geprocedeerd. [eiser] heeft van [gedaagde] een Floor-oplegger gekocht en geleverd is een Nooteboom-oplegger. In zijn conclusie van dupliek sub 8 stelt [gedaagde] ook dat de identiteit van de oplegger vaststaat.

4.2.

[eiser] heeft in een brief aan [koper X] van 9 juni 2010 erkend dat hij aan [koper X] een verkeerde oplegger had geleverd. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn verweer naar die in het geding gebrachte brief verwezen. [eiser] heeft gesteld dat hij [gedaagde] toen en in de periode daarna telefonisch op de hoogte heeft gebracht van de problemen met de oplegger. Eind 2010 heeft [gedaagde] volgens hem voorgesteld de oplegger terug te nemen. Deze stelling is door [gedaagde] bestreden. Als de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat wat [eiser] stelt juist is, dan heeft [eiser] nadat duidelijk was dat [koper X] de oplegger niet wilde teruggeven, nog tot 12 april 2011 gewacht met het aanschrijven van [gedaagde]. In die aanschrijving, de brief van 12 april 2011 van de advocaat van [eiser] aan [gedaagde], stelt [eiser] dat als hij wordt veroordeeld ten gunste van [koper X], hij de schade zal afwentelen op [gedaagde]. In de brief wordt niet gesteld dat [gedaagde] een verkeerde oplegger heeft geleverd.
Na het mislukken van de ruil met [koper X] heeft [eiser] nog meer dan twee maanden gewacht met het aanschrijven van [gedaagde]. Die aanschrijving bevat geen duidelijke stellingname ten opzichte van [gedaagde]. Gelet op de verstreken termijn en de inhoud van de brief is de rechtbank van oordeel dat [eiser] niet binnen bekwame tijd zoals bedoeld in art. 7:23 BW geklaagd heeft.

4.3.

De rechtbank is er in het bovenstaande veronderstellenderwijs vanuit gegaan dat de stellingen van [eiser] over de contacten met [gedaagde] juist zijn. Zij oordeelt dat ook in dat geval [eiser] de klaagtermijn van artikel 7:23 BW heeft overschreden. Zij zal [eiser] dan ook niet toelaten zijn stellingen over de telefonische mededelingen en besprekingen met [gedaagde] te bewijzen.

4.4. De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. [eiser] zal worden veroordeeld in de proceskosten die aan de zijde van [gedaagde] zijn gevallen. Deze kosten worden als volgt begroot:
griffierecht €800,00
advocaatkosten €1.158,00 (2 x €579,00)

5 De beslissing

De rechtbank

  • -

    wijst de vorderingen af;

  • -

    veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen zijnde €1.958,00;

  • -

    verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

    Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2013.