Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:11247

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
C/12/86089 / HA ZA 12-279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Gedaagden handelen onrechtmatig jegens eiser door het sinds januari 2009 structureel gooien van (honden)poep en etenswaren op het perceel van eiser, het veroorzaken van geluidsoverlast en het bespieden van de woning en het perceel van eiser.Hoewel gedaagden inmiddels zijn verhuisd naar een andere woning kan niet worden uitgesloten dat gedaagden zich ook na deze verhuizing schuldig blijft maken aan het onrechtmatige gedrag. Gedaagden zijn immers nog steeds eigenaar van de woning. Gedaagden worden daarom verboden de woning, althans het perceel, te bewonen dan wel te betreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht


Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/12/86089 / HA ZA 12-279

Vonnis van 9 oktober 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [adres],

eiser,

advocaat: mr. A.J. Nieuwenhuijse te Terneuzen,

tegen

1 [gedaagde],

wonende te [adres],

2. [gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagden,

advocaat: mr. J.A.B. van Dam te Goes.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 februari 2013,

  • -

    de akte overlegging producties, tevens inhoudende akte wijziging van eis van [eiser] van 8 april 2013,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 april 2013,

  • -

    de akte uitlaten van [gedaagde] van 1 mei 2013,

  • -

    de antwoordakte van [eiser] van 15 mei 2013,

  • -

    de akte uitlaten van [gedaagde] van 12 juni 2013,

  • -

    de akte uitlating van [eiser] van 12 juni 2013.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is vanaf 1 november 2006 eigenaar van de koopwoning aan de [adres eiser]. [gedaagde] heeft op 9 oktober 2007 de naastgelegen woning aan de [adres gedaagde] gekocht. Sindsdien zijn partijen elkaars buren.

[gedaagde] heeft twee honden.

2.2.

Sinds januari 2009 treft [eiser] met enige regelmaat (onder meer) hondenpoep, menselijke uitwerpselen, eieren, aardappels, appels en uien aan in zijn tuin en tegen zijn woning, tuinkas en auto.

2.3.

De rechtbank Middelburg heeft naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek van [eiser] bij beschikking van 25 mei 2012 een voorlopig getuigenverhoor bepaald. In het kader van dat voorlopig getuigenverhoor is een aantal getuigen opgeroepen teneinde te worden gehoord, waaronder [gedaagde], die evenwel niet is verschenen. Van de getuigenverhoren is proces-verbaal opgemaakt.

2.4.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 7 september 2012 is het [gedaagde] verboden zaken, waaronder – maar niet uitsluitend – (honden)poep, eieren, aardappelen, uien, water en olie, op het perceel van [eiser] (waaronder zijn huis, tuin, tuinkas en garage) en/of auto te deponeren, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per overtreding van dit verbod, tot een maximum van

€ 50.000,00. Tevens is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten en nakosten.

2.5.

Op 8 oktober 2012 heeft [eiser] [gedaagde] medegedeeld dat nu [gedaagde] voornoemd verbod heeft overtreden, dwangsommen zijn verbeurd alsmede dat tot inning van deze dwangsommen zal worden overgegaan.

2.6.

Bij exploot van 10 oktober 2012 is [gedaagde] gesommeerd om tot betaling van € 10.886,01 aan dwangsommen en overige (proces-)kosten over te gaan. Voorts is [gedaagde] aangezegd dat indien niet tot betaling wordt overgegaan, tot executie van het vonnis zal worden overgegaan door inbeslagneming en openbare verkoop van de woning van [gedaagde]

2.7.

Per faxberichten van 15 en 17 oktober 2012 heeft [gedaagde] betwist het verbod te hebben overtreden.

2.8.

Vervolgens heeft [eiser] de deurwaarder opdracht gegeven executoriaal beslag te leggen op de woning van [gedaagde] Bij proces-verbaal van 17 oktober 2012 is de woning van [gedaagde] in executoriaal beslag genomen. Tevens heeft [eiser] de hypotheekverstrekker verzocht de executie over te nemen. Bij exploot van 9 november 2012 heeft de hypotheekverstrekker de openbare verkoop van de woning van [gedaagde] aangezegd.

2.9.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij vonnis van 17 januari 2013 de vordering van [gedaagde] tot opheffing van het executoriale beslag afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter [eiser] geboden de executie van het vonnis van 7 september 2012 door middel van verkoop van de woning van [gedaagde] te staken en gestaakt te houden voor zover die executie strekt tot het innen van een bedrag aan verbeurde dwangsommen hoger dan € 5.000,00. Tevens is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten en nakosten.

2.10.

Op 8 april 2013 heeft [gedaagde] een verklaring getekend waarin hij een huurwoning accepteert. [gedaagde] heeft op 25 april 2013 de sleutels van deze woning gekregen en is in mei 2013 naar deze woning verhuisd. [gedaagde] heeft de sleutel van zijn woning aan de [adres gedaagde] ingeleverd bij de heer [A] van de Regiobank te [vestigingsplaats].

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis zonder processueel bezwaar van [gedaagde], uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld;

2a. [gedaagde] te verbieden de woning, althans het perceel, gelegen aan de [adres gedaagde] te bewonen, dan wel te betreden en te bepalen dat dit verbod met de sterke arm der wet zal worden gehandhaafd;

2b. althans [gedaagde] te verbieden zaken, in de ruimste zin van het woord, over de schutting tussen de woningen aan de [adres gedaagde] en [adres eiser] te gooien, onder meer – doch niet uitsluitend – hondenpoep, menselijke uitwerpselen, eieren, aardappelen, uien, water en olie, telkens op straffe van lijfsdwang in de zin van artikel 585 Rv., met bijstand van de sterke arm, bij overtreding van dit verbod voor een duur die de rechtbank juist acht, althans op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding met een maximum van € 200.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

2c. althans [gedaagde] te verbieden zaken, in de ruimste zin van het woord, tegen de woning, op de garage, tegen de tuinkas, in de tuin en op de auto van [eiser] te gooien, onder meer – doch niet uitsluitend – hondenpoep, menselijke uitwerpselen, eieren, aardappelen, uien, water en olie, telkens op straffe van lijfsdwang in de zin van artikel 585 Rv., met bijstand van de sterke arm, bij overtreding van dit verbod voor een duur die de rechtbank juist acht, althans op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding met een maximum van € 200.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

2d. althans [gedaagde] te verbieden geluidsoverlast, in de ruimste zin van het woord, te maken, onder meer – doch niet uitsluitend – het klepperen met de brievenbus, bellen, toeteren en krijsen, telkens op straffe van lijfsdwang in de zin van artikel 585 Rv., met bijstand van de sterke arm, bij overtreding van dit verbod voor een duur die de rechtbank juist acht, althans op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding met een maximum van € 200.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

2e. althans [gedaagde] te verbieden [eiser], althans de woning van [eiser], althans het perceel van [eiser], gelegen aan de [adres eiser], te bespieden, in de ruimste zin van het woord, onder meer – doch niet uitsluitend – door het kijken met een verrekijker vanaf het dakraam en vanaf het balkon, telkens op straffe van lijfsdwang in de zin van artikel 585 Rv., met bijstand van de sterke arm, bij overtreding van dit verbod voor een duur die de rechtbank juist acht, althans op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding met een maximum van € 200.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

2f. althans [gedaagde] te verbieden onrechtmatig te handelen, in de ruimste zin van het woord, jegens [eiser], telkens op straffe van lijfsdwang in de zin van artikel 585 Rv., met bijstand van de sterke arm, bij overtreding van dit verbod voor een duur die de rechtbank juist acht, althans op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding met een maximum van € 200.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

3. [gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de lakens, het zeil en andere zaken op en rond het balkon te verwijderen, althans het balkon vrij te houden, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] nalaat aan dit gebod uitvoering te geven, met een maximum van € 50.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

4. [gedaagde] te gebieden te hengen en te gedogen dat [eiser] een camera installeert, gericht op de woning, althans het perceel, van [gedaagde];

5. [gedaagde] te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding welke schade zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend volgens de wet;

6. [gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten van [eiser];

athans een zodanige voorziening te treffen in lijn van het gevorderde.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] structureel onrechtmatig jegens hem handelt, door het gooien van zaken – waaronder (honden)poep, vis, eieren, aardappels, appels en uien – in zijn tuin en tegen zijn woning, garage, tuinkas en auto. Daarnaast veroorzaakt [gedaagde] geluidsoverlast en bespiedt hij de woning en het perceel van [eiser] al dan niet met behulp van een verrekijker. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst [eiser] onder meer naar de getuigenverklaringen van hemzelf, zijn vriendin [getuige 1], overbuurman [getuige 2] en gemeenteraadslid [getuige 3], alsmede naar de door [getuige 3] gemaakte filmopnames. Daarnaast verwijst [eiser] ter onderbouwing van zijn stelling naar het (contradictoir) vonnis van 13 mei 2013 van de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarbij [gedaagde (2)], onder meer wegens belaging en bedreiging van [eiser], is veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaar. Nu dit vonnis dwingend bewijs oplevert, staat het onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [eiser] vast, aldus [eiser].

Als gevolg van dit onrechtmatig handelen stelt [eiser] zowel materiële als immateriële schade te lijden. Hij heeft schade aan zijn kas, psychische schade en gederfd woongenot. Ook de relatie met zijn vriendin heeft te lijden onder het onrechtmatig handelen van [gedaagde], nu zij niet meer bij [eiser] op bezoek durft te komen.

In reactie op het verweer van [gedaagde] betwist [eiser] dat hij zich jegens [gedaagde] schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen. Verder betwist hij dat het door hem gevorderde verbod voor [gedaagde] om de woning aan de [adres eiser] te betreden en bewonen, disproportioneel zou zijn. Hij stelt daartoe dat indien [gedaagde] in zijn woning blijft wonen, hij zeer ernstige onomkeerbare schade zal ondervinden waaronder een relatiebreuk en blijvend psychisch letsel. [gedaagde] blijft immers, ondanks de verbeurde dwangsommen en het executoriale beslag op de woning, onverminderd onrechtmatig handelen.

3.3.

[gedaagde] voert hiertegen verweer. Hij betwist daartoe dat hij onrechtmatig jegens [eiser] handelt en stelt dat juist [eiser] zich schuldig maakt aan het gooien van zaken op zijn perceel en tegen zijn woning. Daarnaast achtervolgt [eiser] [gedaagde], maakt hij foto’s en films van [gedaagde] en scheldt [eiser] [gedaagde] regelmatig uit. Tot slot stelt [gedaagde] dat [eiser] regelmatig met behulp van een pvc-buis op de ramen van de woning van [gedaagde] tikt. Er is geen bewijs voor de door [eiser] gestelde geluidsoverlast en het bespieden.

Ter comparitie heeft [gedaagde] gesteld dat op de door [getuige 3] gemaakte filmopnames alleen is te zien dat er iets uit het dakraam wordt gegooid alsmede dat [gedaagde (2)] weleens een speeltje voor de honden van [gedaagde] uit het dakraam gooit.

[gedaagde] stelt verder dat het door [eiser] gevorderde verbod om de woning aan de [adres gedaagde] te betreden en bewonen, onevenredig zwaar is. Hij heeft geen familie en beschikt niet over voldoende financiële middelen om naast zijn hypotheekverplichtingen huurpenningen te betalen. In geval van een verbod zal [gedaagde] derhalve op straat komen te staan. Om die reden zal een dergelijk verbod [gedaagde] onevenredig zwaar treffen.

In zijn akte van 12 juni 2013 stelt [gedaagde] dat hij sinds mei 2013 is verhuisd en hij de sleutel van de woning aan de [adres gedaagde] heeft ingeleverd bij de Regiobank. Gelet hierop is de angst van [eiser] dat [gedaagde] de woning (zomaar) zal betreden onterecht.

Ten aanzien van de vordering van [eiser] betreffende het verwijderen van lakens en andere zaken op en rondom het balkon, stelt [gedaagde] dat hij hiermee niet in strijd met wettelijke regels handelt. Nu een wettelijke grondslag voor deze vordering ontbreekt, dient deze vordering te worden afgewezen.

Ook de vordering van [eiser] ten aanzien van het plaatsen van een camera kan niet worden toegewezen. Daartoe stelt [gedaagde] dat ingevolge de jurisprudentie ter zake artikel 8 van het EVRM cameratoezicht enkel is toegestaan indien is voldaan aan een drietal criteria. [eiser] heeft niet gesteld dat aan deze criteria is voldaan en evenmin is hiervan gebleken.

Tot slot betwist [gedaagde] de gestelde schade. Hij heeft geen voorwerp over de schutting gegooid waardoor de kas is beschadigd. Ook betwist hij dat de vriendin van [eiser] niet meer bij hem op bezoek durft te komen, als gevolg waarvan de relatie dreigt te stranden. [gedaagde] stelt dat de vriendin van [eiser] iedere week van woensdag tot zondag bij [eiser] verblijft.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Daartoe overweegt zij als volgt.

De feitelijke stellingen van [eiser] vinden onder meer steun in de verklaringen afgelegd in het kader van het voorlopig getuigenverhoor en in de door hem overgelegde foto’s. In aanvulling daarop heeft [eiser] verklaringen van de heer [getuige 3] overgelegd. Uit deze verklaringen blijkt dat [getuige 3] op 2 juni 2012, 1 maart 2013 en 8 maart 2013 heeft waargenomen dat [gedaagde (2)] vanaf het balkon dan wel vanuit het dakraam van de woning van [gedaagde] meerdere malen hondenpoep en menselijke uitwerpselen op het perceel van [eiser] heeft gegooid. Deze verklaring van [getuige 3] wordt op zijn beurt ondersteund door de door hem gemaakte filmopnames, waarop eveneens het geluid hoorbaar is van uitwerpselen die na een val de grond raken. Voorts heeft ook [eiser] zelf verklaard dat hij meermalen heeft waargenomen dat door [gedaagde] (honden)poep en etenswaren over de schutting werden gegooid.

Tegenover deze onderbouwde stellingen van [eiser] staat uitsluitend de blote betwisting van [gedaagde] dat hij zich hieraan niet heeft schuldig gemaakt en dat juist [eiser] zich jegens hem aan dergelijk gedrag heeft schuldig gemaakt. [gedaagde] heeft daarmee zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat de door [eiser] gestelde feiten, zoals het sinds januari 2009 structureel gooien van (honden)poep en etenswaren, het veroorzaken van geluidsoverlast en het bespieden van de woning en het perceel van [eiser] door [gedaagde], zijn komen vast te staan.

Voornoemde gedragingen van [gedaagde] zijn onrechtmatig, nu dit handelen inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [eiser] en dit handelen tevens in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

4.2.

Nu op grond van het voorgaande reeds vaststaat dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser], kan in het midden blijven of het vonnis van 13 mei 2013 van de politierechter dwingend bewijs oplevert jegens [gedaagde], zoals door [eiser] is gesteld in zijn akte van 12 juni 2013. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding [gedaagde] in de gelegenheid te stellen om alsnog bij akte te reageren op deze stelling van [eiser].

4.3.

Ten aanzien van de vordering van [eiser] zoals geformuleerd onder 2a, overweegt de rechtbank dat vaststaat dat [gedaagde] inmiddels is verhuisd naar een andere woning. De stelling van [gedaagde] dat hij als gevolg van een dergelijk verbod op straat zou komen te staan, is derhalve thans achterhaald.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [eiser] nog belang heeft bij zijn vordering. [gedaagde] stelt immers dat de angst van [eiser] dat [gedaagde] zijn oude woning zal blijven betreden, door de verhuizing van [gedaagde] en de afgifte van de sleutel aan de Regiobank, onterecht is. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Nu [gedaagde] ook nadat hem bij kort geding was verboden onrechtmatig jegens [eiser] te handelen dit gedrag heeft voorgezet, kan niet worden uitgesloten dat [gedaagde] zich ook na onderhavige verhuizing schuldig zal blijven maken aan onrechtmatig gedrag jegens [eiser]. Zolang de woning aan de [adres gedaagde] niet aan een derde is verkocht en geleverd, blijft [gedaagde] immers eigenaar van deze woning en behoudt hij daarmee het recht dit perceel te betreden. Dat hij de sleutel van deze woning heeft ingeleverd bij de Regiobank doet daar niet aan af. [eiser] heeft derhalve ook thans nog belang bij zijn vordering zoals geformuleerd onder 2a.

4.4.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het door [eiser] onder 2 primair, onder a, gevorderde toe. [gedaagde] zal derhalve worden verboden de woning, althans het perceel, aan de [adres gedaagde] te bewonen dan wel te betreden. Aan de bespreking van het subsidiair, onder 2b tot en met 2f, gevorderde komt de rechtbank dan niet toe.

4.5.

De vorderingen van [eiser] zoals geformuleerd onder 3 en 4, wijst de rechtbank af. Zij overweegt daartoe dat het opleggen van voornoemde geboden ten doel heeft het onrechtmatige gedrag van [gedaagde] te doen beëindigen. Nu eventuele voorzetting van dit onrechtmatige handelen reeds door toewijzing van het onder 2a gevorderde wordt verhinderd, bestaat voor toewijzing van het onder 3 en 4 gevorderde geen aanleiding.

4.6.

Aangezien vaststaat dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, is [gedaagde] aansprakelijk voor de als gevolg hiervan door [eiser] geleden schade. Nu in deze procedure vooral over de aansprakelijkheid is gedebatteerd en nog niet over de omvang van de schade, zal de rechtbank – overeenkomstig de vordering van [eiser] – bepalen dat de schade nader dient te worden opgemaakt bij staat. Ook het daadwerkelijk gemaakt zijn en de omvang van de gevorderde buitengerechtelijke kosten kunnen in een schadestaatprocedure nader worden vastgesteld.

4.7.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 92,17

- griffierecht 267,00

- salaris advocaat 1.582,00 (3,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.941,17

4.8.

De rechtbank zal de door [eiser] gevorderde nakosten als onweersproken toewijzen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld;

5.2.

verbiedt [gedaagde] de woning en het perceel gelegen aan de [adres gedaagde] te bewonen dan wel te betreden,

5.3.

machtigt [eiser] om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien [gedaagde] in gebreke blijft aan het onder 5.2 van dit vonnis bepaalde te voldoen,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het onrechtmatig handelen door [gedaagde] als omschreven onder 4.1, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.941,17,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. van de Poll en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2013.1

1 SdJ