Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:10516

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
07-04-2014
Zaaknummer
2350067 / VV EXPL 13-56
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Verstek
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening;

Eiser vordert de hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van achterstallig loon en wettelijke verhoging. Eiser stelt dat er sprake is van opvolgend werkgeverschap, als gevolg waarvan gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling van het achterstallig loon. Gedaagden zijn niet verschenen en hebben ook anderzins geen verweer gevoerd.

Vordering wordt toegewezen, met dien verstande dat hoofdelijke aansprakelijkheid van gedaagde 1 eindigt per 1 november 2013 aangezien de tijdelijke arbeidsovereenkomst tussen eiser en gedaagde 1 op dat moment van rechtswege eindigt. Voor toewijzing wettelijke verhoging is in de onderhavige procedure geen ruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/164
AR-Updates.nl 2014-0328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

[Zaaknummer] [Rolnummer]

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 2350067 / VV EXPL 13-56

vonnis van de kantonrechter d.d. 31 oktober 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

eisende partij,

verder te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. R.A.A. Maat,

t e g e n :

1 [gedaagde 1]

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde 1],

niet verschenen.

2 [gedaagde 2]

[gedaagde 2] ,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde 2],

niet verschenen.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 18 september 2013,

- mondelinge behandeling van 17 oktober 2013.

de beoordeling van de zaak

1. [eiser] is per 1 mei 2013 in dienst getreden bij [gedaagde 1] voor een periode van zes maanden. Over de periode mei tot en met juli 2013 heeft [eiser] wel loonstroken ontvangen, maar niet het volledige daarop vermelde loon. Bij brief van 30 juli 2013 heeft [gedaagde 1] [eiser] op staande voet ontslagen wegens economische redenen.

2. [eiser] is vervolgens per 1 augustus 2013 in dienst getreden bij [gedaagde 2] voor een periode van zes maanden. Over de maand augustus 2013 heeft [eiser] geen loonstrook noch loon ontvangen. Op 14 augustus 2013 heeft [eiser] zich ziek gemeld.

3. [eiser] vordert thans, na wijziging en vermindering van eis tijdens de mondelinge behandeling, bij wijze van voorlopige voorziening en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en van [gedaagde 2]:

- tot betaling van het bruto-equivalent van een bedrag van € 850,46 netto, zijnde het resterende loon over de maanden mei tot en met juli 2013, vermeerderd met de wettelijke verhoging daarover;

- tot betaling van een bedrag van € 1.477,83 bruto per maand vanaf 1 augustus 2013, vermeerderd met de wettelijke verhoging daarover;

- in de proceskosten.

Hij stelt daartoe dat er sprake is van opvolgend werkgeverschap, als gevolg waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van het achterstallige loon. Verder stelt [eiser] dat een economische reden geen dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert, zodat dit hem ten onrechte is aangezegd.

4. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn tijdens de mondelinge behandeling niet verschenen. Zij hebben dus de stellingen en vorderingen van [eiser] niet betwist. De voorgeschreven formaliteiten en termijnen zijn in acht genomen. Uit de processtukken en hetgeen ter mondelinge behandeling is aangevoerd leidt de kantonrechter af dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal derhalve worden toegewezen, met dien verstande dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1] eindigt per 1 november 2013, aangezien de tijdelijke arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1] op dat moment van rechtswege eindigt. Verder zal het gevorderde loon uit hoofde van de arbeidsovereenkomst met [gedaagde 2] slechts zal worden toegewezen tot en met de dag waarop de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd. Voor toewijzing van de vordering ex artikel 7:625 BW is in deze procedure, die een voorlopig karakter heeft, geen ruimte.

5. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dienen als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten.

de beslissing

De kantonrechter:

rechtdoende als voorzieningenrechter:

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk - dat wil zeggen: ieder voor het gehele bedrag, waarbij als de een betaalt ook de ander daardoor zal zijn bevrijd - om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het bruto-equivalent van een bedrag van € 850,46 netto, zijnde het resterende loon over de periode vanaf 1 mei 2013 tot 1 augustus 2013;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wederom hoofdelijk om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.477,83 bruto per maand over de periode vanaf 1 augustus 2013 tot 1 november 2013;

veroordeelt [gedaagde 2] om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.477,83 bruto per maand vanaf 1 november 2013 tot en met de dag waarop de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wederom hoofdelijk in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van [eiser] en tot op heden begroot op € 560,71 waaronder begrepen een bedrag van € 400,00 wegens salaris voor de gemachtigde van [eiser];

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

idm